HEEMKUNDEKRING
OP DE BEEK
PRINSENBEEK

Beeldbank Bibliotheek

   
 

Heemkundekring 'Op de Beek' Beeldbank Bibliotheek Zoekresultaat

Aantal gevonden publicaties : 3   (uit: 542)


Uitgebreid zoeken
Gesorteerd op:  Boeknummer

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 00047  
Tot behoef van de siecken ende armen
Zorg -- Welzijnsbeleid           (2013)    [drs. Eric Jacobs e.a.]
Tot behoef van de siecken ende armen. Archeologisch onderzoek naar het Bredase Gasthuis, 1958-2006.
Erfgoedrapport Breda 95


VOORWOORD
Breda, halverwege de 13c eeuw. De nederzetting is niet veel meer dan een burcht met een handjevol straten daaromheen, beschermd door een aarden wal van amper twee
kilometer lang. Alhoewel men in die tijd wellicht liever had gesproken van een dikke duizend vadem.
Het is gissen naar de exacte locatie van de Burcht, ergens langs of op een eiland in de Mark. Zeker is dat hij ideaal gelegen was om de scheepvaart door de Mark goed in
de gaten te houden. En om tol te heffen. Breda lag op een knooppunt van wegen. Als de noordwestelijke toegangspoort tot het Hertogdom Brabant. Het is, zo bezien, niet
meer dan het herstellen van een historisch evenwicht, als straks de HSL naar Antwerpen en Brussel gaat rijden, om maar eens een parallel naar het heden te leggen.
Het waren de heren van Breda die de grondleggers waren van de groei van de nederzetting tot echte stad. Waarschijnlijk om daarmee hun aanzien te vergroten, maar
zeker om met de toenemende handel ook hun eigen inkomenspositie te vergroten. Het draaide ook toen al gewoon om het geld. De eerste haven verscheen, de stad kreeg
een verdedigingswal en, vanaf 1332, een stenen ommuring.
Die toenemende verstedelijking had ook een ander gevolg: de vestiging van een gasthuis. Dit laat-middeleeuwse fenomeen diende twee doelen. Enerzijds, bij gebrek
aan herbergen en logementen, de opvang van reizigers en pelgrims. Anderzijds het 'lenigen van de geestelijke en fysieke noden van burgers uit de stad die daar niet op
eigen kracht in konden voorzien'.
Het is de ligging van het Gasthuis die intrigeert. De Boschstraat was ook in de late middeleeuwen al een doorgaande weg, een 'inloper' naar de stad. Het Gasthuis lag
daarmee buiten de stadswal en de latere ommuring. Wilden de toenmalige stadsbewoners de vreemdelingen en armen het liefst buiten de deur houden? Bevreesde de
stedelingen een Gasthuis in de directe woonomgeving, net zoals anno 2013 de komst van een daklozenopvang in de eigen buurt gevoelens van afkeer veroorzaakt. Of lagen
er andere, meer praktische motieven ten grondslag aan de locatiekeuze?
Ondanks de vele onderzoeken naar de geschiedenis van het Gasthuis, bleven er genoeg onbeantwoorde vragen over. De diverse archeologische onderzoeken die tussen
1958 en 2006 hebben plaatsgevonden, waren versnipperd en wisselend van kwaliteit.
Het Odyssee-project van het NWO gaf de mogelijkheid de archeologische informatie van de laatste vijftig jaar opnieuw te onderzoeken. Het rapport 'Tot Behoef van de
siecken ende armen' bundelt daarmee niet alleen de resultaten van vier archeologische campagnes, het destilleert nieuwe informatie uit de oude datasets. En al blijft de
geschiedenis van het Gasthuis ook nu nog lacunes bevatten, het Odyseeproject mag met recht, naast een archeologische zwerftocht, ook een episch dichtwerk genoemd
worden. Een werk waarin gaten in de kennis rondom de stichting en ontwikkeling van het Gasthuis, zo zorgvuldig mogelijk worden gedicht.
SelÁuk Akinci
Wethouder Mobiliteit, Duurzaamheid en Cultuur
Gemeente Breda

SAMENVATTING
Tussen 1958 en 2006 is het Gasthuiscomplex van Breda vijf keer aan een archeologisch onderzoek onderworpen. Het complex ligt net buiten de middeleeuwse
stadskern die in de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw was omgeven door een stadsmuur en stadsgracht. Aan de zuidzijde van de uitvalsweg die uiteindelijk
richting 's Hertogenbosch voert en daarom Boschstraat genoemd. Oorspronkelijk was de benaming van deze weg 'Bij het Gasthuis' of 'Buiten de Gasthuispoort'.
De bebouwing aan de Boschstraat, oostelijk van het Gasthuis, ontwikkelde zich in die tijd zodanig dat de straat in 1526 werd aangeduid als het Gasthuiseinde,
waarbij de term 'einde' duidt op een voorstad met aaneengesloten lintbebouwing.
Ook aan de zuidelijke en westelijke uitvalswegen waren dergelijke voorsteden in de late middeleeuwen ontstaan, Deze werden ook opgenomen in de nieuwe vesting-
werken die vanaf 1531 werden aangelegd. Daarmee kwam ook het Gasthuis binnen de vesting te liggen.

Gemeente Breda;  
 

2. Boeknummer: 00182  
Gemeente Prinsenbeek 1988-1992 Welzijnsverordening
Zorg -- Welzijnsbeleid           (1989)    [†]
Welzijn 1988 - 1992

VOORWOORD

Van Kaderwet specifiek welzijn tot Welzijnswet.
Nederland kent een uniek stelsel van welzijnsvoorzieningen met een eigen rolverde-
ling tussen de overheid en het particulier initiatief. Aanvankelijk was het primaat
voor maatschappelijke activiteiten toegekend aan het particulier initiatief. Slechts
wanneer deze organisaties aantoonbaar verzaakten achtte men overheidsingrijpen
noodzakelijk (het subsidiariteitsbeginsel). De Tweede Wereldoorlog bracht door
haar verwoestende effecten verandering in deze terughoudende overheidsbemoeienis.
De acute permanente nood bij grote groepen van de bevolking maakte wederopbouw
noodzakelijk. In de jaren 50 beleefde de welzijnssector een explosieve groei. Sinds-
dien heeft het aantal activiteiten op het terrein van de maatschappelijke hulp-
verlening, de educatie, de cultuur, de recreatie zich gestadig uitgebreid. Tot het
midden van de jaren 60 had het welzijnsbeleid van de overheid vooral het karakter
van zorg en verzorging. Het was een corrigerend beleid dat zich richtte op de
negatieve effecten van de welvaartsstaat.
In de jaren 70 wordt de vrijwilliger steeds meer verdrongen door de beroepskracht
(professionalisering van het welzijnswerk). In het eind van de jaren 70 diende de
toenmalige regering een ontwerp van de Kaderwet specifiek welzijn in. Gebaseerd
op de pijlers decentralisatie, harmonisatie, democratisering, toegankelijkheid en
flexibiliteit was deze wet uiteindelijk bedoeld als een raamwet. Via een aparte
invoeringswet zou vervolgens worden bepaald welke terreinen van zorg, recreatie
en educatie onder de werking van die wet zouden vallen. Onder inmiddels veranderde
omstandigheden is in 1983 nog gewerkt aan de voorbereiding van de Invoeringswet
Kaderwet specifiek welzijn. Van de oorspronkelijke brede reikwijdte was echter
niet veel meer over. In 1985 begint de filosofie naar voren te komen, die thans
bekend staat onder het streven naar een zorgzame samenleving. De overheid kreeg
hiermee een aanvullende en voorwaardenscheppende taak. De overheid treedt
pas naar voren als mensen belemmerd zijn in de zorg voor zichzelf en voor anderen
of in de ontplooiing van hun creatieve vermogen. Het gaat daarbij om het stimuleren
van zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid voor elkaar.
In 1986 nam de regering het besluit de overheidsuitgaven terug te dringen, waarbij
met name het welzijnsbeleid een extra disproportionele bijdrage moest leveren.
De nieuwe zakelijkheid deed zijn intrede in het welzijnsbestel. Het voorstel tot
instelling van de huidige Welzijnswet gaf invulling aan het streven van het kabinet
naar bestuurlijke en financiŽle decentralisatie. Via een totaalbedrag voor een
breed terrein van welzijnsvoorzieningen worden de afwegingsmogelijkheden voor
de gemeente vergroot. Het staat de gemeente vrij, binnen de zeer ruime grenzen
van het maatschappelijke en sociaal-culturele welzijn, zelf te bepalen welke voorzie-
ningen en activiteiten worden gesubsidieerd. In die zin is de Welzijnswet dan ook
nog steeds een kaderwet. j
Met de totstandkoming van de Welzijnswet is tegelijkertijd de gemeentelijke be-
moeienis met het welzijnsbeleid van karakter veranderd. Hťt is even wennen dat
er weinig uitvoeringsvoorschriften in de Welzijnswet worden genoemd. Maak een
plan staat er in artikel 15 van de wet zonder verder aan tť geven hoe dat moet
en wat er in moet staan. Zoals reeds is aangegeven is de gemeente sterk getroffen
door de bezuinigingen van het rijk. Hoe de gemeente deze bezuinigingen zal moeten
opvangen is een vraag die de gemeenteraad zal moeten beantwoorden. De gemeente-
raad heeft hierbij de volgende mogelijkheden:

a. de bezuiniging ten laste brengen van de totale gemeentebegroting;

b. de kaasschaaf methode, dat wil zeggen alle gesubsidieerde organisaties worden
in gelijke mate gekort op huisvestings- en/of personeelskosten alsmede op
het organisatiebudget;

c. reorganisaties van de welzijnssector zodat dezelfde activiteiten worden aange-
boden tegen verminderde kosten; ...

d. verlaging van het subsidiebedrag door op bepaalde activiteiten de subsidiŽring
te verminderen dan wel te beŽindigen.

De normen waaraan het totale voorzieningenpakket op gemeente niveau moet
voldoen (in termen van kwaliteitseisen e.d.) worden verlaagd. Beroepskrachten
worden meer begeleiders v?n vrijwilligers dan uitvoerders van activiteiten. Priori-
teiten worden scherper gesteld. Zorg voor en bescherming van de zwakkere is
altijd de kern geweest van de gemeentelijke bemoeienis met de welzijnssector.
De in het welzijnsplan voor de komende jaren gekozen prioriteiten bevestigen
dat beeld. De nadruk komt te liggen bij groepen wier ondersteuning politiek onom-
streden is; de ouderen, minderheden, werkelozen. Het professionele welzijnswerk
krijgt - weliswaar in afgeslankte vorm - in deze sectoren opnieuw een positief
te vervullen taak die goed geoperationaliseerd kan worden.

Nieuwe subsidiemethodiek.
De gemeente heeft besloten tot wijziging van de huidige subsidiemethodiek. Deze
wijziging is gericht op het vergroten van de eigen verantwoordelijkheid van vereni-
gingen, stichtingen en andere instellingen. De methodiek budgetfinanciering is
ingevoerd op grond waarvan een globale beoordeling plaats gaat vinden of het
totaalpakket van een instelling subsidiabel is. Op basis daarvan krijgt de instelling
dan een bepaald budget - afhankelijk van de totaal door de gemeenteraad beschik-
baar gestelde middelen - dat de primaire kosten dekt. In het beleid van voorgaande
jaren werd gekeken wat het totaal aan subsidiabele lasten van instelling was.
Het restant, de sluitpost, was het subsidiabele bedrag. Vooral op besprekingen
met diverse instellingen werd op deze wijze van berekening kritiek geuit. De kritiek
kwam op het volgende neer:
het eigen initiatief wordt gedood, zelfwerkzaamheid wordt gestraft;
het opvoeren van een 'flink' exploitatietekort wordt beloond.
Kenmerk van het huidig systeem is dat door middel van een globale
wordt bekeken of het totaalpakket van een instelling subsidiabel is.
worden de primaire kosten gesubsidieerd. De subsidie wordt verleend - -
systeem van budgetfinanciering. Dat betekent dat de instellingen vooraf precies
weten wat de gemeentelijke bijdrage in de kosten zal zijn. Enkele kenmerken
van de nieuwe subsidieverordeningen zijn:

a. alle geldoverdrachten van de gemeente aan derden zijn bij deze verordeningen
geregeld, voor zover niet uitdrukkelijk geregeld door andere verordeningen.

b. de financiering richt zich op activiteiten niet op instellingen;

c. de verordeningen regelen niet de omvang van de individuele subsidie. Deze
omvang wordt bepaald door gemeentelijke beleidsbeslissingen, Op grond van
deze beslissingen wordt de omvang per instelling vastgelegd.

Prinsenbeek, 21 september 1988.
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN PRINSENBEEK,
Namens deze,
De portefeuillehouder Welzijnszaken,
Wethouder H.J.F.M. Dirven.

Gemeente Prinsenbeek;  
 

3. Boeknummer: 00183  
Gemeente Prinsenbeek Subsidie/Welzijnsverordening 1983
Zorg -- Welzijnsbeleid           (1985)    [†]
Gemeente Prinsenbeek Subsidie/Welzijnsverordening 1983

VOORWOORD
Algemene subsidieverordening 1985
en de
Verordening subsidiŽring welzijnsactiviteiten Prinsenbeek

Deze verordeningen zijn vastgesteld door de gemeente-
raad van Prinsenbeek in de vergadering van 28 maart
1985. Zij treden in werking op 1 januari 1986 en
zijn voor het eerst van toepassing op de subsidies
die voor het jaar 1986 door de welzijnsinstellingen
worden aangevraagd.
Op dat tijdstip vervallen de volgende verordeningen:
- de verordening 'Algemene subsidievoorwaarden
Prinsenbeek 1976';
- de subsidieverordening voor jeugdsport;
- de subsidieverordening voor jeugd- en jongerenwerk.

De nieuwe subsidieverordeningen zijn opgenomen
in deze brochure.
Het gehele terrein van subsidiabele welzijnsactiviteiten
in Prinsenbeek is ingedeeld in 9 categorieŽn en de
categorie waarderingssubsidies (donaties).
Er zijn subsidie-grondslagen vastgesteld die gebaseerd
zijn op de activiteiten van de verenigingen en instel-
lingen. Dit betekent dat, met enige uitzonderingen,
in de regel de volgende kosten van activiteiten gesubsi-
dieerd kunnen worden:
- uitvoeringskosten;
- organisatiekosten;
- kosten van deskundigheidsbevordering;
- personeelskosten.
Een beschrijving van hetgeen verstaan wordt onder
deze kosten is opgenomen in artikel 31 van de algeme-
ne subsidieverordening. De subsidiegrondslagen zijn
opgenomen in de Verordening subsidiŽring welzijns-
activiteiten Prinsenbeek.
Het aanvragen en verlenen van subsidies is geregeld
in de artikelen 6 tot en met 13 en de verplichtingen
van de gesubsidieerde instelling zijn neergelegd in
de artikelen 14 tot en met 27 van de Algemene subsi-
dieverordening.

Wij bevelen u kennisname van deze brochure aan.

Nadere inlichtingen worden gegeven door de gemeente-
secretarie, afdeling algemene zaken, telefoon 076-

412851, toestel 41.
Prinsenbeek, november 1985.
BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN PRINSENBEEK,
Secretaris, Burgemeester,
A.A.Th.M. Geerards., Mr L.K.M. Verwiel.

Gemeente Prinsenbeek;  
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 27 maart 2022