HEEMKUNDEKRING
OP DE BEEK
PRINSENBEEK

Beeldbank Bibliotheek

   
 

Heemkundekring 'Op de Beek' Beeldbank Bibliotheek Zoekresultaat

Aantal gevonden publicaties : 32   (uit: 244)

Getoond wordt publicatie : 1 t/m 30


Uitgebreid zoeken

Zoekresultaat verdeeld over 2 pagina's, met elk (max.) 30 publicaties:

1   2       Volgende       Eind

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 00020  
Cultuurhistorische Landschapsinventarisatie Gemeente Breda
Historie -- Erfgoed Breda           (2006)    [dr. K.A.H.W. Leenders]
Cultuurhistorische Landschapsinventarisatie Gemeente Breda. Erfgoedrapport Breda nr. 1

TEN GELEIDE
Weten waar je het over hebt. Eenieder die zo’n uitspraak hoort zal dat direct beamen. Soms tegen beter weten in. Natuurlijk zijn er sommige plannenmakers
en ontwerpers die doen alsof ze een tabula rasa in de schoot geworpen hebben gekregen, een leeg veld dat ze mogen bombarderen met doosjes van allerlei aard
en formaat. Maar ik wil niet geloven dat zij dat doen óndanks hun kennis van de historie van dat gebied. Het is wel makkelijk natuurlijk, net doen alsof alles wat
er ooit was geen waarde meer vertegenwoordigt; alsof het verleden geen enkele waarde heeft voor de toekomst.
Gelukkig is het tij aan het keren. Het Rijk probeert, via financiële middelen uit het Belvédère project, het verleden als aanknopingspunt aan te bieden voor mo-
derne ontwikkelingen. ‘Behoud dóór ontwikkeling’ wordt dat genoemd. En er zijn best veel projecten die Belvédère gelden mogen ontvangen, zodat mét dat geld
het verleden een plek krijgt in een nieuwe situatie. Laten we hopen dat het hier om een overgangsfase gaat; dat overeen aantal jaren het Rijk niet meer met een
vette geldbuidel hoeft te zwaaien om plannenmakers en projectontwikkelaars zover te krijgen dat ze überhaupt rekening houden met het verleden; dat er een
tijd komt waarin het verleden écht een rol krijgt in de ruimtelijke ordening.
Maar daar is wel wat voor nodig: kennis. De gemeente Breda is begonnen met een algehele inventarisatie van haar cultuurhistorisch erfgoed. Vóór 2010 willen
we echt weten welke gebouwen monument waardig zijn en willen we ook een beter inzicht te hebben in datgene wat vanuit een (heel) ver verleden aan onze bodem
is toevertrouwd en al datgene waarvan we nu niets meer merken. De bijdrage van dr. Karel Leenders kan dan ook nauwelijks overschat worden. Hij brengt in het
kader van dit ‘wetenschapsbeleid’ de inventarisatie van het cultuurhistorische landschap voor het voetlicht, waarbij en passant het historische landschap wordt
gereconstrueerd en bovendien wordt aangegeven wat er nog van de cultuurhistorische landschapselementen als relict bewaard is gebleven. Al deze gegevens
zijn niet alleen op schrift gesteld, maar ook op twee cd-roms op Gis-basis meegeleverd. Betekent dit nu dat de plannenmakers er met dit werk vandoor kunnen
gaan? Neen. Want Leenders geeft geen waarden oordelen. Hij zegt niet welk element belangrijker is en welk relict wel kan worden opgeruimd. Dat is een taak die
aan de beleidsmakers voor het erfgoed is voorbehouden. Eén ding staat echter als een paal boven water: zonder deze inventarisatie was die taak nauwelijks te
volbrengen. Want lang niet iedereen weet wat er allemaal (nog) is.
Johan Hendriks
Hoofd Bureau Cultureel Erfgoed
Vakdirectie Cultuur

Gemeente Breda. Vakdirectie Cultuur;  
 

2. Boeknummer: 00023  
Het leven en werk van Jan Strube (1892-1985)
Personen -- Personen q-r-s-t-u           (2007)    [Joosen Anton]
Het leven en werk van Jan Strube (1892-1985)

Voorwoord
Gedurende zowat mijn hele leven ben ik elke dag de spoorwegovergang overgestoken, aan de
Zanddreef nabij het Liesbos. Daarbij passeerde ik dan altijd het romantisch gelegen huisje van de
kunstenaar Jan Strube, pal naast het spoorhuis. Zo nu en dan zag ik hem wel eens in de tuin. Ik heb
hem nooit gesproken, ik heb nooit een voet in zijn tuin of zijn huis gezet. Ik heb eigenlijk niet meer
dan een vaag beeld van een oude man met zilverkleurig haar en een wollen vestje aan. Ik herinner me
dat hij altijd op klompen liep en dat ik dat raar vond voor een kunstenaar, die bovendien ook nog een
Amsterdammer bleek te zijn. Nee, ik kan eigenlijk niet zeggen dat ik Jan Strube gekend heb.
Maar nu, ruim twintig jaar na zijn overlijden, ken ik hem beter dan tijdens zijn leven. Aanleiding tot
dit boek was het eerder gepubliceerde boek “Herinneringen aan de Zanddreef', waarbij ik een bezoek
aan het huis van Jan Strube bracht. Tot mijn verrassing woonde daar Strube’s kleindochter Ineke, die
mij het een en ander over haar grootvader vertelde en iets van zijn werk liet zien....
Ik was meteen enthousiast.
Een Amsterdammer die zó verknocht was aan het Brabantse land dat hij er heel zijn lange leven als
kunstenaar heeft gewoond en gewerkt, verdient het om vereeuwigd te worden voor het nageslacht. Jan
Strube, zo ontdekte ik al gauw, heeft honderden litho’s, houtsneden, tekeningen en schilderijen
nagelaten. De meeste werken hangen aan de muren van particulieren, maar ook in musea zelfs tot over
onze landsgrenzen. Verder zijn er enkele belangrijke verzamelaars die een omvangrijke collectie
Strube’s hebben.
Gedurende drie jaar heb ik gegevens verzameld over de mens en de kunstenaar Jan Strube. Langzaam
vormde zich het beeld van deze man die al op achttienjarige leeftijd zijn eerste bezoek bracht aan
Breda en er verliefd raakte. Verliefd op Brabant, op Breda en op het Leurse meisje Dina Bogers, die
later zijn toegewijde vrouw zou worden. Strube is in zijn directe omgeving vooral bekend geworden
als de schilder en lithograaf van het Brabantse landschap en de Brabantse mens. Het valt ook niet te
ontkennen dat misschien tachtig procent van zijn werk Brabants is. Maar de overige twintig procent
zijn zeker zo interessant. Strube in Parijs, Strube in Vlaanderen. Strube in Noord Holland, in Zeeland
en in Limburg. Ik heb Jan Strube postuum leren kennen als een rustige, ietwat eigenzinnige man. Een
harde werker, met maar weinig wensen voor zichzelf. Een man die zijn ontspanning zocht in zijn tuin,
in pianospelen en lezen. Maar bovenal een man die vooral werkte. De achter in dit boek opgenomen
catalogus is niet meer dan een poging om al zijn werk op te sporen, te dateren en te rangschikken. Ik
ben mij er terdege van bewust dat de catalogus niet volledig is. Ik weet zeker dat er zo hier en daar nog
belangrijk, eenmalig werk van Strube een muur van een huiskamer siert. Jan Strube hield het allemaal
niet zo bij. Dat vond hij niet belangrijk. Hij wijdde zijn gehele lange leven aan het maken van mooie
dingen en daar was wat hem betrof de kous mee af. Jan Strube rekende zichzelf tot de Populisten. Een
stroming die hij in de jaren dertig vorm gaf door samen met Louis Singer de “Populistenkring”op te
richten. Kunst voor het volk, dat was wat zij nastreefden. Volkse taferelen en herkenbare
onderwerpen. Alledaagse dingen, zoals het leven in de stad of op het platteland. Markten, kennissen,
werken op het land, stillevens, oude boerderijtjes, stille straatjes. Jan Strube deed het op zijn manier.
Met een herkenbare stijl, die hij heel zijn leven heeft vastgehouden. Heel af en toe permitteerde hij
zich een uitstapje in stijl of onderwerp, maar die behoren tot de uitzonderingen. Enkele voorbeelden
daarvan zijn: Don Quichot. Ik ruik Menschenvlees. Droogbloemen, Ziende blind en de Poppenkast Jan
Kabaal. Het zijn welhaast “On-Strubiaanse” werken, maar daarom niet minder interessant. Ik heb mij
met veel plezier in het leven en werk van Jan Strube gestort en ik wens u allen evenzoveel lees- en
kijkplezier.
Anton Joosen

Debieb/ Anton Joosen;  
 

3. Boeknummer: 00033  
Luimige Landlopersverhalen.
Historie -- Plattelands/Boerenleven           (2010)    [Marc van Uffelen]
Luimige Landlopersverhalen versie dd. 15 juli 2010

VOORWOORD
Waren de landlopers de laatste nomaden?
Leefde in hen nog dat laatste stukje zwerver van onze verre verre voorouders? Of waren de landlopers en de bedelaars gewoon de arme
stumpers, die uit de boot waren gevallen? Was de maatschappij te ingewikkeld voor hen? Hadden ze tegenslag?
Of waren ze te lui om te werken?

In de Middeleeuwen werden de landlopers verjaagd, gebrandmerkt en verbannen. In de Moderne Tijden wilde men hen arbeidsvreugde
aanleren door middel van dwangarbeid. Zo ontstonden de eerste tuchthuizen. Tijdens de Hollandse Tijd bouwde de Maatschappij van
Weldadigheid in de Noorderkempen een groot bedelaarshuis en vele kleine hoevetjes. Daarvoor werd het heidelandschap omgevormd tot een
dambordstructuur van akkers, weiden en bossen, omringd met dreven.
In het nieuwe jonge België werd de Wet op de Landloperij gestemd die bij alle Belgen in het collectief geheugen zit: wie op straat komt, moet
zijn identiteitskaart kunnen tonen en moet geld bij zich hebben om minstens één brood te kunnen kopen. Dat was meteen de start van de
Rijksweldadigheidskoloniën in Merksplas en Wortel. Maar omdat arm zijn geen misdaad is, werd ook dat systeem afgeschaft.

Deze geschiedenis van de armoede is in het landschap nog tastbaar aanwezig, als één groot openluchtmuseum, een penitentiair Bokrijk,
uniek in Europa!

Maar ook het samenleven met de landlopers was speciaal!
Voor de overheid was het een mengvorm van dwang en liefdadigheid.
Veel bewoners uit de regio hadden een heimelijke sympathie voor deze gasten, voor de underdogs van de maatschappij...
Ook het niet-tasbare erfgoed is uniek!

Door middel van de vele kleine anekdotische landlopersverhalen krijgen we een prachtig beeld van het leven zoals het was, binnen in de
landloperskolonies.

Wij wensen je een amusant en leerrijk leesgenot.
Gevangenismuseum vzw

Eigen uitgave. DNS/Gevangenismuseum;  
 

4. Boeknummer: 00034  
Straffeloos Slenteren in Merksplas-kolonie en in Wortel-kolonie
Historie -- Plattelands/Boerenleven           (2010)    [Karel Govaerts e.a.]
Straffeloos Slenteren in Merksplas/Wortel kolonie. Uitgave t.g.v. Open Monumentendag

TEN GELEIDE
Toen in 1993 de wet op de landloperij werd afgeschaft kon niemand vermoeden welke gevolgen dit zou hebben voor Merksplas-Kolonie en Wortel-Kolonie.

Verschillende gebouwen en gronden van de landloperskolonies vielen zonder functie, wat op termijn merkbaar was aan verwaarlozing, aftakeling en verval. Om een dreigende
versnippering tegen te gaan, werd op 9 september 1995 de Mars op Wortel-Kolonie georganiseerd, gecoördineerd door Het Convent, gekend van het begijnhof in Hoogstraten.
In Merksplas werd het Platform "Red Merksplas-Kolonie " vzw opgericht, een koepel van Merksplasse en Vlaamse verenigingen.

Na twee jaar lobbywerk en constructief overleg keerde het tij. De Vlaamse Gemeenschap kocht, via de Vlaamse Landmaatschappij, een groot deel van de gronden van de federale
overheid. Andere Vlaamse partners zijn: de afdeling Monumenten & Landschappen, de drinkwatermaatschappij PIDPA en het Agentschap Bos & Natuur. Door de Federale
Overheidsdienst Binnenlandse Zaken werden in Merksplas vier gebouwen omgevormd tot een Centrum voor Illegalen. De Provincie Antwerpen richtte eind 1997 de Stichting
Kempens Landschap op, welke als taak heeft grote domeinen te beschermen en te beheren.

In 1998 nam Merksplas voor het eerst deel aan de Open Monumenten-Dagen (OMD), toen met een grote tentoonstelling en receptie. Sindsdien mochten we jaarlijks ca. 2000
bezoekers per dag verwelkomen. De partners bij het OMD-initiatief in Merksplas zijn: de cultuurraad CuRaM, de heemkundekring Marcblas, Gevangenismuseum vzw, het Platform
"Red Merksplas-Kolonie" vzw en Toerisme Merksplas. Zij krijgen hierbij de gewaardeerde hulp van het gemeentebestuur van Merksplas, de huidige eigenaar van de gebouwen en de
aanpalende gronden.

In 1999 werd de beschermingsprocedure met succes afgerond: zowel het landschap als de vijf voornaamste gebouwen zijn definitief beschermd. In dat jaar werd ook de vzw
Gevangenismuseum gesticht. Vanaf april 2007 kan de toerist een bezoek brengen aan het "Gevangenismuseum " in de landloperskapel en/of met een gids gaan wandelen langs het
Vagebondjespad.

In november 2005 verwierf de gemeente Merksplas de kapel, de Grote Hoeve en de aanpalende gronden. Met de deskundige hulp van professionelen onderzoekt de gemeente de
haalbare mogelijkheden m.b.t. herbestemming, beheer en financiering.

In de lente van 2007 nam de gemeente deel aan de Monumentenstrijd, waardoor de site van Merksplas-Kolonie in gans Vlaanderen met succes werd gepromoot.

Het groenpatrimonium, en het beheer ervan, is in de goede handen van het Vlaams Gewest. Het is belangrijk dat u en ik kunnen genieten van dit mooie domein. Moge onze brochure u
een beetje begeleiden op deze boeiende ontdekkingstocht...

Veel wandel- en fietsgenot namens het lokaal OMD-comité,

Frank Wilrycx, burgemeester,
Kristien Mangelschots, cultuurraad CURAM, Jan Dielis, Toerisme Merksplas
Karei Govaerts, heemkring "Marcblas " & “Gevangenismuseum vzw "
Joris Vranckx, Platform "Red Merksplas-Kolonie" vzw.

Eigen uitgave. OMD-comite Gemeente Merksplas/WortelCultuurraad CURAM;  
 

5. Boeknummer: 00040  
Inventarisatie cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in Noord-Brabant
Monumenten -- Boerderijen           (2007)    [F.W.van Dommelen, G.G. E. M. Dirven]
Inventarisatie cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in Noord-Brabant


VOORWOORD
De Boerderijenstichting Noord-Brabant presenteert later dan gepland, maar met trots deze Inventarisatie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, die in de jaren 2003 tot
en met 2006 in de provincie Noord-Brabant heeft plaatsgevonden. Dit enorme karwei, een uitvloeisel van “2003 Jaar van de Boerderij”, kon alleen uitgevoerd worden dank zij de
enthousiaste medewerking van tientallen Heemkundekringen in de provincie. Wij zijn hen zeer erkentelijk voor de investering in kennis en tijd.

Het betreft hier geen project dat op wetenschappelijk niveau is uitgevoerd. Het gaat hier om een telling, om een eenvoudige inventarisatie. Het gaat over aantallen en (een
indicatie van) kwaliteit van de historische boerderijen, zodat we weten waar we over praten als het gaat hoe boerderijenrijk Brabant nog is.

Uitgangspunt voor deze Inventarisatie was het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), zoals dat in het begin van de jaren negentig door de provincie is uitgevoerd. In de
tussentijd zijn in de hele provincie de gemeenten opnieuw ingedeeld en zijn er zgn. Reconstructie-/ Revitaliseringsgebieden gevormd. Bij de presentatie van de resultaten is
daarom uitgegaan van de huidige administratieve situatie en is de onderverdeling per gemeente gerelateerd aan de MIP om een vergelijking ‘toen/ nu’ mogelijk te maken.
De resultaten zijn getotaliseerd per Reconstructie-/ Revitaliseringsgebied extra toegevoegd en zijn bedoeld als aanzet voor de ontwikkeling van beleid op het gebied van
(her)gebruik en behoud van cultuurhistorisch belangrijke boerderijen.

Wij hopen dat de hier gepresenteerde gegevens de basis zullen vormen voor een voortdurend enthousiasme bij velen voor het behoud van de Noord-Brabantse
cultuurhistorisch waardevolle boerderijen en hun omgeving. Het resterende boerderijenbestand is tenslotte één van de dragers van een “Mooi Brabant”. Een
dergelijke waardevolle erfenis moet met kennis en kunde worden beheerd en daarvoor zal in de komende tijd nog veel werk moeten worden verzet.

Wij vertrouwen er op dat de “Aandachtspunten” bij de beleidsmakers en beleidsuitvoerders zoveel weerklank zullen vinden dat alle Brabanders met een gerust
hart toekomstige inventarisaties tegemoet kunnen zien.

Tenslotte willen wij de Provincie Noord-Brabant hier in het bijzonder bedanken voor de financiële steun, waardoor deze uitgave mogelijk is gemaakt.

het bestuur van de Boerderijenstichting Noord-Brabant
Oisterwijk, september 2007

Inleiding
Tijdens de voorbereiding van “2003 jaar van de Boerderij” kwam bij de daartoe ingestelde provinciale werkgroep de vraag naar voren /‘hoeveel cultuurhistorisch waardevolle
boerderijen zijn er in onze provincie aanwezig ?”.
Een eerste aanzet tot een telling is in 1941 uitgevoerd door leden van de toenmalige Jonge Boerenstand. In 94 gemeenten of kerkdorpen werden 6609 boerderijen geteld,
waarvan 4839 van het langgeveltype, 919 van het kortgeveltype en 370 T-huizen of krukhuizen. Mgr. Dr. G.P.J.Bannenberg rapporteerde daarover in Brabants Heem.

De Boerderijenstichting Noord-Brabant ging vanaf haar oprichting uit van ca 2500 boerderijen. Dit geraamde aantal is vermeld in de in 1997 uitgegeven video over de
Brabantse boerderijen en in de uitgave van de Commissie Boerderijenzorg van Brabants Heem (het zgn. zwartboek) In december 2001 verschenen de resultaten van een landelijke “onderbouwde raming”
van de Stichting Historisch Boerderijen Onderzoek (SHBO). In deze raming was becijferd dat in Noord-Brabant 37,4 % van alle MlP-boerderijen gebouwd voor 1940 verdwenen
waren en nog eens 22,6 % door bouwkundige ingrepen ernstig was aangetast. Het totaal aantal nog aanwezige boerderijen met een hoofdgebouw van voor 1940 werd daarbij
evenwel geraamd op 10.500. De SHBO constateerde in haar rapport dat in heel Noord-Brabant een zeer groot deel van het bouwbestand blijkt te zijn verdwenen sedert de MIP-
inventarisatie van de provincie (1988 tot 1993). ”De provincie loopt in dit opzicht aan de kop. Het verlies ligt hier tweemaal zo hoog als het landelijk gemiddelde”, was de
conclusie.

Niet lang daarna publiceerde de provincie de eerste versie van de CHW (cultuur-historische waardenkaart) met daarin 3850 opgenomen waardevolle boerderijen.
Hoeveel boerderijen waren opgenomen in de 131 MlP-rapporten was nooit nagegaan.

Als één van de eerste activiteiten in het kader van "2003 Jaar van de Boerderij” initieerde de provinciale werkgroep het voorstel om een inventarisatie per gemeente uit te voeren
van alle nog aanwezige waardevolle boerderijen van vóór 1950.
Het doel hiervan was het verkrijgen van actuele cijfermatige gegevens per gemeente over het aantal, soort, gebruik en onderhoudstoestand van de nog aanwezige cultuurhistorisch
van betekenis zijnde boerderijen in de provincie.
De inventarisatie werd mede ondersteund door de provincie, het Monumentenhuis, de Z.L.T.O. en de Stichting Brabants Heem.

Voor de uitvoering heeft als uitgangspunt gediend de registratie van alle boerderijen opgenomen in de MlP-rapporten. Daarnaast zijn tijdens de inventarisatie in een aantal
gemeenten nog aanvullingen op de MlP-lijsten voorgesteld.

Voor de uitvoering is de medewerking gevraagd van de lokale heemkundekringen en erfgoedinstellingen. Het grootste deel van de inventarisatie is door betrokken leden van
de plaatselijke heemkundekringen uitgevoerd. Naar schatting hebben meer dan 200 heemkundeleden hun medewerking gegeven. In enkele gevallen hebben leden van
gemeentelijke monumentencommissies, consulenten van de Federatie Noord-Brabants Monumentenoverleg en anderen de inventarisatie uitgevoerd. De inventarisatie is einde
2002 gestart en zo veel mogelijk uitgevoerd per Reconstructiegebied.

Voorafgaande aan de veldverkenning zijn voor de deelnemers per regio instructiebijeenkomsten gehouden, waarbij de door de provinciale werkgroep opgestelde
“Leidraad voor de inventarisatie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in Noord- Brabant” richtinggevend was (zie bijlage 1).

De afronding vergde meer tijd dan was voorzien. Eind 2006 zijn de laatste inventarisaties uitgevoerd en konden de resultaten met behulp van een database in beeld worden
gebracht. De ontwikkelingen binnen de land- en tuinbouwsector wijzigen de laatste jaren zo snel dat de inmiddels gereedgekomen inventarisatie een gedateerd beeld geeft van de
situatie tijdens de terreinopnames.

De heemkundekringen voelden zich zodanig betrokken bij de problematiek rond de instandhouding van interessante boerderijen in hun dorp of gemeente dat er
tentoonstellingen zijn ingericht, fietstochten werden georganiseerd en zelfs fotoboeken zijn uitgegeven.

Geconstateerd kan worden dat de inventarisatie op veel plaatsen extra aandacht heeft teweeggebracht voor de instandhouding van de voor Noord-Brabant zo belangrijke
historische boerderijen zowel in de kernen van steden en dorpen als in het buitengebied bij landerijen en rondom natuurgebieden. De nog aanwezige waardevolle boerderijen
vormen zodoende een belangrijk onderdeel van de identiteit van het Brabantse land.

Na de afsluiting van de activiteiten rond “2003 Jaar van de Boerderij” is de afronding, de verslaglegging en de publicatie van de inventarisatie overgenomen door de
Boerderijenstichting Noord-Brabant. Deze Stichting heeft zich ten doel gesteld om op die wijze bij te dragen aan het instandhouden van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen in
de provincie Noord-Brabant.

Boerderijenstichting Noord-Brabant;  
 

6. Boeknummer: 00044  
De stad, een fotograaf en zijn fiets
Historie -- Informatie Breda           (2008)    [P.Haverman, Wessel Keizer]
De stad, een fotograaf en zijn fiets en andere verhalen van mensen die Breda in hun hart dragen


Inleiding
De Stad der Vrouwen

Mensen, jong en oud, ze rollen en ze lopen. Straten, terrassen vol met opgewekte personen. Wat maakt hen toch zo anders? Wat verbindt hen?
Zo klein is de stad niet meer. Niet als een dorp. Hoe organiseren ze hun leven? Hoe behouden ze hun warmte, hun geborgenheid in een wereld die
om 'efficiency' vraagt? Hoe blijven ze elkaar kennen, in de grote massa?
Hoe houden ze hun groene landschap in en om de stad, hun historische gebouwen, hun ambachtelijke inborst? Hoe kan het dat ze daarnaast toch
innovatief en grootschalig kunnen denken? Amerikanen boeien? Chinezen!
Wat is dat, het Bredase geheim?

Hoe te leven
Wessel Keizer zoekt de antwoorden. Een fietsende fotograaf die langs lanen en door stegen stevent. Een zoeker die vanaf het zadel ziet. Hij verwacht de
verrassing, geniet van de verwondering, verdrinkt in de wereld die achter de foto ligt. Hij bewaart het voor ons en het nageslacht: het begeerde Ginneken
en het Westerpark, waar de wens wordt verwezenlijkt om 'een eigen huis' te hebben. De Knokkestraat waar een kind zijn eerste contacten legt die later
gouden herinneringen blijken te zijn. De goudkust van het Montenspark waar diversiteit zich niet in huidskleur maar in bouwstijlen uit.

De ongekroonde stadsfotograaf zoekt een antwoord zonder woorden. Bredanaars weten immers intuïtief wanneer het juist is. Ze denken in beelden.
Beelden van vroeger, het goede leven. Beelden van straks, de betere toekomst. Bredanaars groeien in balans. 'Niet te gek, eej kul.' Ze weten hoe te
leven, die 170.000 in het Haagje van het Zuiden. 'Breda, mijn stad,' zeggen ze. Maar niet alleen de stenen zijn de genen.

De bron van het Valkenberg
Eeuwen water vloeide door Aa en Mark. Eerlijk water, het schonk de bieren een goede smaak en daarmee wellicht de drinkers. Hun 'joie de vivre' ging
niet ten koste van verantwoordelijkheid. - De nieuwe haven is als een teruggevonden parel -. Het optimisme van de werkenden opende de weg naar
welzijn. Meer nog dan welvaart, een glimp van het geheim.

De genen van de stad zijn oud en voornaam. Ze zijn diplomatiek en diep ontwikkeld. De clerus, de magistraat, de prinsen van het kasteel, mijmerend
door de Reigerstraat kom je ze tegen. De vrouwen van het Valkenberg verankerden een feminiene bron die onvindbaar de Bredanaars voedt. De
chique zwanen in hun park boezemen de nieuwkomer vertrouwen in. Traag maar natuurlijk assimileert Breda.

Verantwoorde variatie
De fysieke stad is net als het leven, een avontuur dat beleeft mag worden. Voor de een een stratenpatroon als een Engelse tuin, voor de ander een
dwaal- en doolmilieu met vaste ankerpunten. Waar de Kwatta en de Etna zijn verdwenen, klopt iets niet. Het Klapcot en de Havermarkt daarentegen,
zijn Breda ten voeten uit. Sterk is de stad en kwetsbaar zijn haar kinderen.
Transparant is de high tech architectuur op het historische Chassé-terrein en mysterieus zijn de middeleeuwse sporen in de moderniteit. Die variatie
maakt het spannend.

De uitbreiding en inbreiding van de stad vraagt om rijpe reparateurs. De shuttle van de HSL meert aan waar eerder paarden fusten 3-Hoefijzers-bier
vervoerden. Via Breda loopt als een Romeinse heerbaan langs kolossale silo's, tentoonstellingen van industriële grandeur. Het is moeder Breda die de ver-
binding moet maken tussen de diverse karakters van haar kroost. Het is moeder Breda die zonder betuttelend te zijn haar verantwoordelijkheid moet
nemen voor de regio. Het palet van Van Gogh ligt immers in haar achtertuin.

Bredase beweging
Die bijzondere manier van leven, kunnen we die beschrijven? 'Bredanaars zijn Bourgondiër, Westerling en Belg tegelijk,' stelt Paul Schnabel, directeur
van het Sociaal Cultureel Planbureau, over zijn geboortestad.
Echt zijn ze, de Bredanaars en soms zelfs doortastend; in hun harten jong en vrolijker dan de buurman. Hun werkwijze kun je typeren als een 'familiair
professionalisme'.

Het geheim van de Bredase levenswijze ligt in de garnizoenen van weleer. Officieren mochten vroeger niet katholiek zijn. Protestanten vestigden zich
in de Nassau-stad. Uit de integratie van Belgen, Bourgondiërs en Westerlingen groeide geruisloos een nieuwe gemeenschap. Een gemeenschap die, hoe
militair masculien ook van buiten, zacht van binnen bleef. De officieren verbleven immers in de stad van hun vrouwen.

Is dat het geheim van Breda? Een vrouwelijke stad. Vroeg werd ze geteisterd door godsdiensttwisten. Toen elders de wereld zwart-wit was, lagen zowel
de Hollander als de Spanjaard in haar bed. Ze heeft ze van dichtbij leren kennen, hen ontdaan van hun wapengekletter en met zachte hand gevoeld
dat beide mannen mensen bleken. Dat onverbrekelijke geloof in de mens, zoals een moeder haar kinderen blind vertrouwt, dat is de Bredase beweging.

Vrouwelijke verbinding
Hoewel garnizoenstad hebben vrouwen hier altijd invloed gehad. Toonden mannen daardoor hun betere kant? Bovendien hield de 'gemene mensch
vant laant' al te hoge ambities aan de grond. Het is de x-factor van het Bredase chromosoom die doorslaggevend is. Een stad met een open en
sociale oriëntatie. Een stad voor wie de bloeitijd pas begint.

De druk van de wereldhavens Antwerpen en Rotterdam, de Chinese relaties, de Amerikaanse interesse, het Benelux-centrum; de vooruitgang dient zich,
soms opdringerig aan, als een ongeduldige jongeling.
Dan is het aan Breda om haar waardigheid te tonen. De vrijers mogen langskomen, mee-eten zelfs. Maar zij bepaalt hoe lang en waar ze slapen. Geen
industrie meer zonder duurzame uitgangspunten, geen plannen zonder beschouwing van het omgevingseffect. Geen besluiten zonder draagvlak.

Liefdevolle erflaters
Residuen van de oude beschaving vormen een netwerk met de futuristische bespiegelingen van de beleidsmakers van vandaag. Plannen krijgen als
kazen tijd om te rijpen. 'Pieken in de Delta' geven zicht op de weelderige wol die zonder veel geschreeuw aan de Zuid-Nederlandse 'schaopkes' groeit.
Het toerisme en de horeca kennen hier een on-Nederlandse gastvrijheid.
Kansen voor een economisch cluster van onderwijs en ondernemingen? De techniek en onderhoudsector zijn zo sterk dat ze duizenden mensen tekort
dreigen te komen. Zorg, 'food', 'visual design', logistiek lijken lokale brandstoffen voor de economie van de toekomst. Liefdevol worden ze geëxplo-
reerd, met aandacht gevoed en subsidiair gestimuleerd. Zo werkt het nieuwe Breda, de hoofdstad van de regio, met de liefdevolle visie van haar erflaters.

De derde weg
Is Breda dan niet ambitieus? Wil ze dan oud worden en verstoffen? Wie dat denkt, kent haar niet. 'Meta', zou haar koosnaam kunnen zijn. Soeverein,
staat ze boven de ambitie. Ze overtreft de hitsigheid van de dag met haar lange-termijn-visie van uitgebalanceerde groei. 'She's watching the game,
controlling it,' om het met een verwijzing naar de musical 'Chess' te zeggen.
Ze is een schaker, Breda, en een familiemens. Uit dezelfde genen ontspruiten heel verschillende telgen. Breda hemelt hen
niet op (naar de 'eerste' Amerikaan Adriaen van der Donck is nog steeds geen straat vernoemd) en verstoot hen niet (zelfs de voormalige drie werden
menswaardig behandeld). Ze houdt haar kinderen bij elkaar en zoekt de derde weg. Het mag 'goed toeven' zijn voor allen in deze regio.

La grande dame
Wessel Keizer heeft die familie van Bredanaars, bezoekers en buitenlui, bezield geportretteerd. Handwerkers en bankzitters zien we in dit boek, delicate
dames en 'hupse dingskes'; decente drachten voor het Nassaumonument, kleurrijke kinderen op de kermis in de herfstvakantie. De familie verpoost en
drinkt bier in deze brouwersstad, het bier dat overal bij past. En ze eten Vlaams: friet van Christ, die hier 'vroeger nog wel eens ooit, echt is gewist'.
Hun frivole feesten zijn geworteld in religie. 'La grande dame' op de Grote Markt, leeft in het hart van alle Bredanaars. De processie van Niervaert her-
innert aan pragmatische piëteit. Religie rendeert. 'L'église Wallon' is een waarzegster voor de intellectuele elite. Wie een kaarsje brandt in de Sint-
Joost-kapel kapittelt het consumentisme. Gebrandschilderde schetsen uit het leven van Onze Lieve Vrouwe verkondigen het Bredase geloof in een
duurzame, verdraagzame samenleving. Een geloof in de oneindige groei van de familie. Een geloof in de bron van de jeugd.

Toekomst aan de jeugd
Breda zou daarom het mooiste studentencomplex van de wereld moeten worden. Studenten als stadsambassadeurs. Met z'n tienduizenden zijn ze,
Breda's jong talent. Ze zwermen uit in de stad, naar de regio, het land, Europa. Ze steken met hun enthousiasme anderen aan. Die komen dan weer
van heinde en ver. Het is al heel gewoon dat je in de supermarkten Duits, Engels, Spaans, Chinees hoort spreken.
En het zijn niet alleen de HBO-ers van Avans en NHTV die sprankeling brengen. Het Vitalis-College vitaliseert de stad met kansen voor verzorgenden. Het
Florijn berekent de toekomst met de discipline van Ignatius. Voorbeelden van vooruitstrevende MBO-opleidingen.
Talloze jonge Bredanaars ontmoeten de vele professionele en hulpvaardige handen van middelbare scholen als OLV, Mencia, Newman en Nassau.
De Bredase genen brengen nog oorspronkelijke leraren voort die in het basisonderwijs de mentaliteit van de stad vermenigvuldigen. We mogen er
allemaal zijn, met respect voor elkaars variatie.

Bredase beelden
In plaats van de grote -ismen heeft een verzameling van kleine verhalen de vorming van ons wereldbeeld overgenomen. Zo is het ook met het stads-
beeld. Dat wordt gevormd door duizenden beelden per dag. Soms heb je niet eens in de gaten dat ze zich aandienen. Wessel Keizer ziet de stad als
plek om plezier te maken, de stad als atelier, als werkplaats, de stad als thuis!

Dit fotoboek is een innemende impressie van onze stad. Geen hokjes, geen dwangmatige scheidslijnen separeren de Bredase beelden. Het leven dient
zich immers ook in fragmenten en stadia aan. Sommige Bredanaars vertellen hun beelden van het Bredase geheim, als vrienden aan de keukentafel.
Keizer (fotografie), Homburg (vormgeving) en Haverman (interviews) maakten een fotoboek als een familie-album van de stad. Een album zoals alleen
zachtaardige mannen het kunnen samenstellen.
November 2008,
Wilbert van den Bosch

Uitg. Van Kemenade Breda;  
 

7. Boeknummer: 00080  
Cafévoetbal Prinsenbeek 1960-2010
Sport -- Café-voetbal           (2010)    [Theo Sprenkels, Sjef Machielsen]
Cafévoetbal Prinsenbeek 1960-2010
50 JAAR CAFÉVOETBAL PRINSENBEEK
Is dit een feit om bij stil te staan? Ja natuurlijk!
In Prinsenbeek wonen veel mensen (zowel dames als heren) die
leuke herinneringen aan het cafévoetbal bewaren. Het 50-jarig
jubileum kunnen we dan ook niet zomaar voorbij laten gaan; het is
een goed moment voor een reünie.
In 1960 was de speelplaats van de toenmalige Heilig Hart school (nu
De Horizon) de voetbalplek van de Prinsenbeekse jongelui.
Neergelegde jassen markeerden het doel. Het waren voornamelijk
families en vrienden die hier tegen elkaar voetbalden. Hier ontstond
bij Ben Poppelaars, één van de initiatiefnemers van het georganiseerd
cafévoetbal Prinsenbeek, het idee om buiten de KNVB om te
voetballen.
Ben heeft nooit kunnen vermoeden hoeveel dit los zou maken in ons
dorp. Zijn initiatief was wellicht de bakermat van het enorme
verenigingsleven waar Prinsenbeek inmiddels bekend om staat!
Het meest kenmerkende voor het cafévoetbal waren wel de hechte
vriendschappen die ontstonden. Er waren binnen de teams behoorlijk
veel onderlinge verschillen in voetbalkwaliteit, maar niemand maakte
daar een probleem van want juist de missers werden tijdens de 3e
helft breed uitgemeten.
Als herinnering aan de reünie is dit boekwerk gemaakt; het is tot
stand gekomen dankzij de ingestuurde foto's, anekdotes en
herinneringen van oud-voetballers en -voetbalsters, te weten (in
willekeurige volgorde):
Jan Beekers, Toon van Endschot, Rien Huijbregts, Christ van
Endschot, Pierre Wijnen, Nancy de Craen, Wim Nijhof, Ad Jansen,
Cees van Steen, Wil van Endschot, Frans Wildhagen, Luus Boeren,
Thérèse van de Riet, Mechteld Taks, Ad Nagtzaam, André Schipperen,
Sjack Vissers, Rien Franken, Toine Kleemans, Ingrid de Graaf, Piet
Nuiten, Jan en Ben Poppelaars.
Met dank aan allen die aan dit boekje hebben meegewerkt!
Theo Sprenkels & Sjef Machielsen

Eigen uitgave;  
 

8. Boeknummer: 00082  
Beekse Herbergen. Doesse nogges vol..
Ondernemers -- Algemeen           (2008)    [Kees Nagelkerke]
Beekse Herbergen

VOORWOORD
Zo oud als de mens is hebben er waarschijnlijk ook plaatsen bestaan waar men
samen komt. Een plek om elkaar te treffen, een gesprekje aan te knopen en ook
om gegevens en ervaringen uit te wisselen. Vrijwel ieder mens heeft behoefte
aan sociale contacten en zoekt graag de medemens op. Dan ligt het al snel voor
de hand om samen iets te drinken. En natuurlijk zijn er dan mensen die het gat
in de markt zien en zo’n plaats van samenkomst oprichten. Zij willen dan daar
-uiteraard tegen betaling- als een soort gastheer/vrouw wel zorgen voor de
benodigde drank en wat dies meer zij. Daardoor ontstaat een gezellige sfeer en
voelt de bezoeker zich een beetje thuis. En dan niet alleen de toevallige bezoeker
maar ook iedereen die op zoek is naar gezelligheid en vertier. Het samen beleven
van gezelligheid en het elkaar leren kennen in een informele sfeer, schept een
band en legt de basis voor het welbevinden in een gemeenschap.
Ik wil hiermee maar zeggen dat ontmoetingsplekken een niet te onderschatten
functie hebben. Immers zij bieden een plaats waar het individu een ander mens
wordt, onderdeel uitmakend van een gezelschap waarin men met elkaar praat,
naar elkaar luistert en samen plezier maakt.
Iedere gemeenschap heeft dan ook behoefte aan dergelijke gelegenheden en het
maakt dan in principe niet uit of dit de naam draagt van herberg, café, restaurant,
kroeg, disco of welke soorten er nog meer zijn.
Prinsenbeek maakte en maakt hierop geen uitzondering. En dat is maar goed ook,
want kunt u zich bijvoorbeeld kermis of carnaval voorstellen zonder cafés?
Dat er in de loop der jaren veel veranderde op horecagebied is logisch. Ook hier
stond de tijd niet stil en volgden de ontwikkelingen elkaar op. Van de vroegere
„stille knip” naar de huidige „bar” is een hele stap. En hoe dat in Prinsenbeek
allemaal in zijn werk ging kunt u lezen in dit boek.
We moeten erg blij zijn dat er mensen zijn die dit allemaal voor ons en ons
nageslacht op papier willen zetten en onze plaatsgenoot Kees Nagelkerke is een
van hen. Met veel kennis van zaken en uitermate goed gedocumenteerd heeft hij
een uniek stukje geschiedenis van ons dorp beschreven.
De omslag wordt gesierd met een erg fraaie en zeer treffende tekening van
eveneens onze plaatsgenoot Jan Tankink.
De dank van het bestuur van de Heemkundekring OP DE BEEK en zeker ook
van alle lezers gaat uit naar de auteur en illustrator en al degenen die hun
medewerking gegeven hebben.
Geniet - onder het genot van een glaasje - samen van dit boek. En...redt u het
niet met één glaasje dan roept u maar: „Doesse nogges vol....
Ad van Melis
Voorzitter Heemkundekring OP DE BEEK.

TER INLEIDING
Al zolang de wereld bestaat worden over heel diezelfde wereld al bier en
alcoholische dranken gedronken. Nooit en te nimmer nog weg te denken, het zal
dus altijd zo wel blijven. .
- Er bestaan talloze stokerijen, zowel grote als kleine.
- En zijn duizenden brouwerijen, waarvan ook veel regionale.
- Er zijn en worden miljarden liters gedronken.
- Er zijn vele boeken over geschreven.
- Er zijn diverse liederen over gecomponeerd.
- Er zijn verschillende musea voor opgericht.
- Er zijn ontelbare cafés, restaurants, hotels, cafetaria’s enz.
- Er verdienen massa’s mensen hun brood in de branche.
- Er zijn groothandels, gespecialiseerd op dit gebied.
- Er zijn duizenden soorten en nog meer merken.
- Er worden beurzen, tentoonstellingen en exposities voor gehouden.
- Er zijn, het getal mag u zelf invullen,...drinkers, zeg maar liefhebbers.
- Er is veel, heel veel vreugde aan beleefd.
- En...het heeft ook veel verdriet, ellende en armoede gebracht.

Al in eerdere schrijvens heb ik laten weten dat Prinsenbeek, maar zeker ook het
vroegere Beek, altijd en overal aan meedeed en meedoet. Op alle gebied en dat
geldt dan ook op horecagebied.
In dit boek gaat u daar veel over lezen, want één ding staat zo vast als een huis:

“ OP DE BEEK IS NOOIT DORST GELEDEN

In een ver verleden, we spreken dan over de jaren rond 1700, waren er in Beek
toch vijf kleine huisbrouwerijen en wel die van Jan Lips, Adriaen Jan Dirven,
Adriaen Boeren jan Melissen en Adriaen Poppelaars.
Er waren vroeger naast een groot aantal herbergen ook verschillende clandestiene
drinkgelegenheden en ook toen was er al de lokale concurrentie. Om u als lezer
toch een indruk te geven van het Beekse drankgebeuren, publiceren we hier als
voorbeeld de jaaromzet van bier in het jaar 1907. (eeuw geleden.)
Nuyten 1200 liter, Veehandelshuis 800 liter, P. Dircken 750 liter, Aartsen 670 liter,
Ch. Mouwen 600 liter, Frijters 600 liter, Sterkens 500 liter, G. Mouwen 450 liter, ’
J. Dircken 450 liter, C. Mulder 400 liter, van Dorst 180 liter, Ch. Schalk 160 liter
en tenslotte de wed. Leijs en H. Rops elk 120 liter.
Bij elkaar toch zo’n slordige 7000 liter op een aantal van ca. 2000 inwoners
Als we het hier over Beek hebben bedoelen we het gehucht, het kerkdorp Beek
want we behoorden toen nog bij de gemeente Princenhage en op 1 januari 1942
werd Beek zelfstandig. Per 1 januari 1951 is het Prinsenbeek gaan heten De
daarop volgende annexaties van 1976 en 1997 zijn genoegzaam bekend.
Beek groeide, er kwamen nog enkele cafés bij en er werden er diverse gesloten
en net voor de tweede wereldoorlog kende Beek, schrikt u niet, 25 herbergen en
diverse stille knipkes bij een inwonertal van om en nabij 4000 mensen en.......
het kan immers niet anders ook veel liefhebbers.

Veel dingen waren toen overigens wel effekes anders zoals:
Niet één uitbater, herbergier, kastelein kon met het café de kost verdienen.
Vrouwen kwamen toen nog niet (nauwelijks) in cafés. Er werden andere dranken
verkocht dan tegenwoordig. Toen een schilletje, een boerenjongen, Bossche
pop en veel donker bier om maar eens wat te noemen. Bossche pop was jenever
die gemengd werd met kruiden, die uit ’s Hertogenbosch afkomstig waren. Dit
mengsel moest dan wel in een stenen kruik een tijdje trekken. Het was goed voor
de maag en nog lekker ook! Limonade kende men natuurlijk ook, maar van cola,
tonic of spa had men nog nimmer gehoord.

Nu kan men een keuze maken uit tientallen verschillende bieren en talloze
inlandse en buitenlandse sterke dranken, likeuren en frisdranken. En natuurlijk
veel wijnen in allerlei prijsklasse en kwaliteiten.

Vroeger verkocht men in de kruidenierswinkels geen sterke drank en dronken we
in Beek thuis alleen met feest- en verjaardagen. En dan is het nu 2008.
Eenieder ervaart het drinken van alcohol op zijn of haar manier, drinkt het thuis
of buitenshuis en maakt hieromtrent de eigen keuze.
We kennen op de Beek overigens niet meer naar 30 cafés, maar nog slechts naar
11. Daarbij komt wel dat er nu gelegenheid tot drinken is bij de kantines van
voetbalvereniging Beek Vooruit, Tennisvereniging Prinsenbeek, Hockeyvereniging
H.C.P., Golfclub Albatross, de drie cafetaria’s, de Shoarma, de Wok, de Chinees en
de Zilverberk.

Toch is het interessant om meer te weten te komen van die vele cafés, waar
stonden ze, wie waren de verschillende uitbaters, wat deden zij nog meer en wat
gebeurde er zoal?
Elk café heeft immers toch “zijn" verhaal. Nog interessanter is om het met foto’s
en afbeeldingen te omlijsten. Er zijn enkele foto’s bij die kwalitatief niet al te
best zijn, maar wel aan het herbergverhaal verbonden als herinnering en daarom
verantwoord om ze toch te plaatsen.

Daarom is dit boek geschreven. Het is een vervolg op de boeken Beekse
Bakhuisjes en Beekse Negotie om zo op deze wijze te weten hoe het Beek
van vroeger was, hoe Bekenaren woonden en leefden en nu dus ook waar de
Bekenaren hun sociale contacten hadden en waar men een lekker borreltje of
biertje kon gaan drinken.
Het spreekt vanzelf dat van het ene etablissement meer te vertellen is dan van het
andere, maar u, lezer zult er een goed beeld van krijgen.
Dan nog dit. Ik zou tekort schieten als ik hierbij Ad van Melis, voorzitter van onze
heemkundekring, niet zou noemen om hem speciaal dank te zeggen voor het vele
werk dat hij heeft gedaan bij de voorbereidingen van dit boek. Verder wil ik ook
graag de diverse families hartelijk danken voor hun medewerking, het uitlenen
van hun (veelal dierbare) foto’s en de kopjes koffie die ik tijdens mijn bezoeken
heb gekregen.
Tot slot wens ik u veel leesgenoegen.
Kees Nagelkerke.

Heemkundekring Op de Beek;  
 

9. Boeknummer: 00083  
Langs de rand van het zand. Waterstaatsgeschiedenis in de Brabantse Delta
Natuur -- Waterstaat           (2009)    [Jan van den Noort]
Langs de rand van het zand. Waterstaatsgeschiedenis in de Brabantse Delta
Woord vooraf
Veel waterschappen zijn respectabele oude organisaties met wortels tot
in de middeleeuwen. Maar heden ten dage zitten er ook jonkies tussen,
zoals Waterschap Brabantse Delta, amper vijf jaar oud. Vergis u niet!
Achter dat jeugdige uiterlijk gaat een eeuwenoude geschiedenis schuil.
Zo’n tweehonderd waterschappen in het West- en Midden-Brabantse
gingen Brabantse Delta voor en hun DNA is nog duidelijk herkenbaar in
het nieuwe waterschap.
Waar vroeger het beheer van polderpeilen, dijken en sluizen een hoofdrol
speelde, ligt het accent vandaag de dag op de zuivering van afvalwater en
de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het waterschap wordt daarnaast
geacht in te spelen op klimaatverandering en verband te leggen met
uiteenlopende onderwerpen als milieu, landschap, ruimtelijke ordening,
economie, cultuurhistorie en recreatie.
Waterschap Brabantse Delta vroeg historicus en cartograaf dr. Jan
van den Noort om te onderzoeken hoe die lappendeken van polders
en poldertjes werd samengevoegd en welke rol het verlangen naar
voldoende schoon water daarbij speelde. Ik begreep dat Brabant zich niet
gemakkelijk liet kennen, maar het is een verbluffend rijke geschiedenis
geworden. Die rijkdom wordt nog onderstreept door verrassende foto's
van Joop Reijngoud, de heldere kaartjes van de auteur en een fris ontwerp
van Karin ter Laak.
Ik wens u veel leesplezier.
Joseph A.M. Vos
Dijkgraaf Waterschap Brabantse Delta

Waterschap Brabantse Delta;  
 

10. Boeknummer: 00088  
Toekomst religieus erfgoed in Noord-Brabant
Monumenten -- Monumentenzorg           (2005)    [drs. Harrie Maas]
Toekomst religieus erfgoed in Noord-Brabant
Voorwoord
De meeste kerkgenootschappen en religieuze instellingen in Nederland maken een woelige tijd door. Ontkerkelijking een
steeds kleiner wordend aantal kerkbezoekers, (dreigende) exploitatietekorten, nog slechts enkele kloosterroepingen...
menig bestuurder van een kerk of kloosterinstelling heeft het hoofdbrekens bezorgd. Ondanks de "zorgen" hebben tal van
kerken en kloosters de deuren inmiddels al gesloten, of zijn zelfs gesloopt. Elke keer wanneer dit zich voordoet, roept het veel
emotie en betrokkenheid op: bij de gelovigen, bij degenen die een band met het gebouw hebben (bijvoorbeeld omdat ze er zijn
gedoopt, of zijn getrouwd), bij de buurtbewoners, bij degenen die zorg hebben voor ons cultuurhistorisch erfgoed, bij het
kerkbestuur, bij het bisdom, bij het gemeentebestuur, of bij andere belanghebbenden. Elke keer wanneer dit zich voordoet
wordt religieus erfgoed "vervreemd", of -soms nog erger- onherstelbaar vernietigd.
Actieve opstelling nodig
De komende tijd zal de problematiek van de leegkomende kerken en kloosters en daarmee een dreigende teloor-
gang van het religieuze erfgoed in nog veel grotere mate zich aandienen. Deze landelijke ontwikkeling zal met
name in Noord-Brabant. waar het kerkgebeuren en het kloosterleven zo significant aanwezig is geweest, merk-
baar zijn. De vele kerktorens en kloostercomplexen in het Brabantse landschap getuigen daarvan. Maar voor
sommige tikt de tijd? Hoe lang hebben ze nog te "leven"?
Om een verdere teloorgang van het religieuze erfgoed te stoppen is een actieve stelling-name dringend nodig. Dat
vraagt in de eerste plaats om onderkenning van de problematiek. Vervolgens is het nodig dat oplossings-
gericht te werk wordt gegaan. Vanuit onze dagelijkse praktijk weet het Monumentenhuis Brabant dat er vele
belangen in het spel zijn en dat vanuit verschillende invalshoeken naar de problematiek wordt gekeken.
Ondanks dit gegeven is er een gemeenschappelijk belang:
de zorg voor hel behoud van het religieuze erfgoed in onze provincie. Op zich is dit een mooi vertrekpunt waar ieder
het mee eens is. maar wat Ie doen als een kerk of klooster op termijn leeg komt te staan en de vraag echt op tafel
komt? hoe wordt dan invulling gegeven aan de "zorg voor het behoud van het religieuze erfgoed"? Het gebouw leeg
laten staan, slopen... of is herbestemming een optie?
Deze vragen zullen de komende tijd vaak worden gesteld. Vragen die we niet uit de weg moeten gaan.
Doel brochure
Met deze publicatie wil het Monumentenhuis Brabant een bijdrage leveren aan de discussie rond de zorg voor het
behoud van het religieuze erfgoed in Noord-Brabant, in het bijzonder met betrekking tot het aspect herbestemming.
Daartoe zijn in deze brochure een aantal "stakeholders" aan het woord gelaten die hun mening hieromtrent geven.
Hopelijk draagt het ook bij aan een maatschappelijke attitude en betrokkenheid, gericht op de instandhouding
van het religieuze erfgoed.
Tenslotte willen we in deze brochure laten zien dat er vele varianten van herbestemming van religieuze gebouwen
mogelijk zijn en dat herbestemming een goede optie kan zijn voor de instandhouding van vrijkomende religieuze
gebouwen. Het Monumentenhuis Brabant heeft zeker niet de pretentie een compleet beeld te geven van de
verschillende varianten van herbestemming. Evenmin spreken wij ons uit vóór of tegen een bepaalde variant.
Wel is het onze mening dat herbestemming kansen biedt voor de toekomst voor het religieuze erfgoed in Noord-
Brabant. Dat spreken wij graag hierbij uit. Hopelijk biedt deze brochure hiervoor inspiratie.
Ir J.A J. Huijbregts
Voorzitter Stichting Monumentenhuis Brabant

Stichting Monumentenhuis Brabant;  
 

11. Boeknummer: 00099  
500 jaar Zwartenbergse polder
Natuur -- Zwartenbergsepolder           (2007)    [Ton van den Wijngaart]
500 jaar Zwartenbergse polder


Voorwoord
Voor u ligt het boekwerk ‘500 jaar Zwartenbergse polder’, een indrukwekkende
geschiedschrijving van de Heemkundekring ‘Jan uten Houte’ uit Etten-Leur waar-
in u ook de geschiedenis van het waterschap kunt herkennen.
Een polder wordt gemaakt en beheerd door mensen, zij leven in de polder en ge-
ven er zijn karakter aan. Zo ook de ingelanden van de Zwartenbergse polder. Na
ruim tweehonderd jaar van wateroverlast besloten zij in 1721 een watermolen met
stenen goot naar de Leurse Vaart te bouwen om het water uit de polder te pom-
pen. Deze houten poldermolen brandde in 1888 door blikseminslag af. Een jaar
later werd de huidige stenen molen, met een partij stenen die voor de bouw van de
plaatselijke kerk was afgekeurd, herbouwd.
In 1963 is de molen door het toenmalige waterschap overgedragen aan de ge-
meente Etten-Leur. Als gevolg van de ruilverkaveling daalde het grondwaterpeil
en verloor de molen zijn bemalingsfunctie, ook omdat het waterschap in het pol-
dergebied inmiddels het elektrische gemaal ‘Halle‘ had gebouwd dat de functie van
de molen overnam. Toch blijft de Zwartenbergse molen de enige windwatermolen
in Zuidwest-Brabant die nog volledig functioneert. De molen, met de status van
rijksmonument, is in 2004 opnieuw door het pas opgerichte waterschap Brabantse
Delta overgenomen. Het waterschap herstelt en renoveert de molen zodat deze
een educatieve functie kan gaan vervullen en het verhaal van 500 jaar Zwarten-
bergse polder tot in lengte van dagen kan blijven vertellen.
Het waterschap heeft onlangs de westzijde van de kade van de Leursche haven
vanaf de Zwartenbergse molen tot aan de Mark opgehoogd om de Ettense Beem-
den te beschermen tegen hoog water. Ook proberen we in de polder het waterpeil
voor de landbouw optimaal te maken en tegelijkertijd de kwaliteit van het water in
de landbouwsloten te verbeteren. Daarmee gaat de Zwartenbergse polder nog een
lange - en als het aan ons ligt - droge en schone toekomst tegemoet.
Joseph Vos, dijkgraaf waterschap Brabantse Delta

Inleiding
In het uiterste noorden van de gemeente Etten- Leur ligt de Zwartenbergse pol-
der. Deze polder is om meerdere redenen een uniek en bijzonder interessant ge-
bied.
Uniek, omdat het gezien de ligging de vraag oproept tot welke gemeente de polder
behoort. Is het Etten-Leur, Breda (Prinsenbeek) of Zevenbergen?
Uniek, omdat het een echte kleipolder is, die vrijwel exact ligt op de grens van
klei- en zandgronden.
Uniek, omdat de polder gemiddeld 70 cm onder de zeespiegel ligt.
Uniek, omdat de polder totaal ligt ingeklemd tussen rivieren of waterlopen. Dat
zijn de Mark in het noordwesten, de Leurse Vaart (de haven) in het zuiden en de
Halse of Leurse Vliet in het oosten.
Uniek, omdat de polder heel vroeger ten noorden van de Mark lag, maar sinds lan-
ge tijd al weer ten zuiden van diezelfde Mark.
Uniek, omdat de polder vroeger op de grens lag van het hertogdom Brabant en
het graafschap Holland.
Uniek, omdat de polder nog zo duidelijk de sporen draagt uit een ver verleden; dit
is elders vrijwel nergens meer te zien en zeker niet in deze mate.
Uniek, omdat in de polder de enige windwatermolen staat die West-Brabant nog
heeft.
Uniek, omdat het in 2007 exact 500 jaar geleden is dat van Zwartenberg een pol-
der werd gemaakt.
Het 500-jarig bestaan mag niet onopgemerkt voorbij gaan. Daarom heb ik dit
boek geschreven dat de lezer meer inzicht geeft in het poldergebied. Wie het leest
zal voortaan het door de polder wandelen, fietsen of autorijden met andere ogen
bezien en beleven dan voorheen.
Gaat u mee op reis door de tijd en de wording van Zwartenberg?
Het zal een reis zijn, die zich niet laat vastleggen in vastomlijnde periodes maar
wel een reis die u meeneemt naar momenten die voor Zwartenberg cruciaal, be
langrijk, interessant of van grote invloed zijn geweest.
De schrijver wenst u een bijzonder aangename reis toe.

Jan Uten Houte Etten Leur;  
 

12. Boeknummer: 00122  
De Oranjeboom Deel 57
Historie -- Informatie Breda           (2005)    [E.Dolne, M. Herben, A.Peele, T.Kappelhof, K.Schulten, Chr. Buikes,S. Vosters, W.Klinkert, H. Muntjewerff]
De Oranjeboom Jaarboek 2004. Deel 57
Bisschoppelijk Paleis Breda | Zwaluwse predikanten en pastoors |
Het fortuin van de Oranjes | Oorlog Geertruidenberg 1573-1593 |
Veldnamen in de Baronie | Justinus van Nassau en de opera Friedenstag |
Poolse bevrijders op weg naar Breda | Bierbrouwen door zes generaties Smits 1807-1968

Ten geleide
Het is een goede gewoonte om ook een “Ten geleide , geschreven door de
voorzitter" op te nemen. Ook daarin vinden we een deel van onze eigen geschied-
schrijving. Sedert het Jaarboek Lil (1999) werd dit door Arnold van den Berg gedaan
die van mei 1999 tot mei 2004 voorzitter van De Oranjeboom was. Hij was door
drongen van het nut van geschiedschrijving en heeft zich op buitengewone wijze
voor°onze Kring ingezet. Vriendelijk voor iedereen, maar zeer vasthoudend en sti-
mulerend. Hij was initiator van de website, de Nieuwsbrief en was vooral een krach-
tig ledenwerver. Voor zijn inbreng en inzet is hij door de Algemene
Ledenvergadering benoemd tot erelid van onze Kring. U zult zijn naam voor het
eerst onder de opsomming van ereleden aantreffen. Hopelijk nog vele jaren.

In dit Jaarboek treft u een In Memoriam aan van Joop Feikema, onze vorige se-
cretaris. Niemand kan hem beter gedenken dan Arnold van den Berg, die met Joop
zolang een prima tandem vormde.

In de huidige samenleving is veel belangstelling voor de historie. Dagelijks zien
publicaties het licht. De lezer is zich meer bewust van de eigen cultuur en de uitin-
gen daarvan. Hij ervaart dat cultuur in het algemeen, maar ook een gemeenschappe-
lijke geschiedenis een gemeenschap bindt. Hij heeft belangstelling voor de cultuur
van nu, van gisteren en voor die van eeuwen her. Wij willen hem daarbij ondersteu-
nen en onze bijdrage daaraan blijven leveren.

Dit jaarboek draagt het nummer LVII en het nummer LX komt in het verschiet
en daarmee ook ons 60-jarig bestaan. Voor dat jaar hebben we al grootse plannen en
één daarvan is de digitalisering van de vruchten van de Oranjeboom. De zeer grote
hoeveelheid wetenschappelijke publicaties van grote kwaliteit vraagt in deze tijd om
een betere toegankelijkheid. We hopen u dat over enkele jaren te kunnen bieden.

Ook dit jaar mogen de bijdragen aan dit jaarboek worden geroemd Mijn grote
waardering gaat uit naar de auteurs en de redactiecommissie die erin geslaagden
een leesbaar en wetenschappelijk verantwoord jaarboek re produceren Ik wens u
veel leesplezier met het jaarboek 2004.
Kees Machielsen,
voorzitter


Voorwoord
Dit jaarboek opent met een uitvoerige behandeling van de bewonings- en
bouwgeschiedenis van het Huis Montens van de hand van de kunsthistoricus Eric
Dolné. De auteur heeft zich zeer in de geschiedenis van het Huis Montens, thans het
bisschoppelijk paleis, verdiept en tal van onbekende zaken aan het licht gebracht.
Weinig voorbijgangers zullen tot nu toe bevroed hebben, welke rijke geschiedenis
achter de onopvallende gevel van het bisschoppelijk paleis aan de Veemarktstraat
schuil gaat.
Ton Kappelhof heeft in zijn bijdrage op een overzichtelijke wijze een aantal as-
pecten van de financiële handel en wandel van de Oranjes in de 17e en 18e eeuw be-
handeld. Hij laat zien dat grondig archiefonderzoek tot een boeiende publicatie kan
leiden.
Tijdens de reformatie was de benoeming van een predikant in de Lage Landen
een gecompliceerde aangelegenheid. Vaak was het voor de toenmalige kerkelijke
overheden moeilijk te beoordelen of een voormalige pastoor wel geschikt was om als
predikant verder door het leven te gaan. Ada Peele en Marti Herben hebben zich
verdiept in de benoeming tot predikant omstreeks 1600 in Hooge en Lage
Zwaluwe. Hun gedetailleerde bijdrage in het jaarboek betekent een verrijking van
onze kennis van de reformatie.
Aan de hand van een aantal belegeringen van Geertruidenberg in de 16e eeuw
geeft Kees Schuiten een fraai overzicht van de oorlogsgebruiken van de 16' en 17e
eeuw. In zijn bijdrage bestrijdt hij de algemeen geldende opvatting dat prins Maurits
op krijgskundig gebied een vernieuwer zou zijn geweest. Volgens hem voerde
Maurits de oorlog op precies dezelfde manier als de andere veldheren van zijn tijd.
Met zijn toponymische bijdrage wekt Christ Buiks terecht belangstelling op
voor deze weerbarstige en gespecialiseerde historische discipline. Deze en eerdere
publicaties van hem in dit jaarboek zullen in de toekomst, wanneer de gedigitaliseer-
de versie van de jaarboeken te raadplegen is, nog toegankelijker worden.
Simon Vosters laat in zijn bijdrage zien hoe Justinus van Nassau een rol in de
nazi-propaganda te spelen kreeg. Op verrassende wijze vergroot hij het hedendaagse
inzicht in de cultuurpolitiek van de nazi’s.
Naar aanleiding van het feit dat Breda zestig jaar geleden door de Polen bevrijd
werd, heeft Wim Klinkert op 18 oktober 2004 in de Grote of Onze Lieve
Vrouwekerk in Breda een voordracht gehouden. De schriftelijke weergave daarvan
vindt u in dit jaarboek.
Het jaarboek wordt afgesloten met een dorstlessende geschiedenis over ander-
halve eeuw bierbrouwen in Breda. De bedrijfshistoricus Henk Muntjewerff vraagt in
zijn bijdrage ook aandacht voor enkele gebouwen van de onlangs gesloten Brouwerij
De Drie Hoefijzers. Met die sluiting kwam niet alleen een einde aan een lange traditie
van bierbrouwen in Breda, maar bestaat ook het gevaar dat enkele gebouwen die tot
het Bredase culturele erfgoed behoren, afgebroken zullen worden. De redactie is de
auteurs dankbaar voor hun bijdragen en hun samenwerking. Veel steun bij de sa-
menstelling van dit jaarboek ondervonden de auteurs en de redactie van het
Stadsarchief Breda, het Bisschoppelijk Archief Breda, het Breda’s Museum, Generaal
Maczek Museum (Breda), de Koninklijke Militaire Academie, het Instituut voor
Militaire Geschiedenis (Den Haag) en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
(Zeist). In het bijzonder worden voor hun medewerking bedankt drs. C. Stevens
(Amsterdam), drs. W. Spapens (Ulvenhout), dhr. P. van der Pol, Rop Willems
(Breda), dhr. B. Zijhnans (Geertruidenberg) en last-but-not-least Marion Brugman van
Drukkerij Gianotten.
Namens de redactie,
Jan Schulten, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

13. Boeknummer: 00123  
De Oranjeboom Deel 58
Historie -- Informatie Breda           (2006)    [Ton Kappelhof, A.Peele, M.Herben,K. Bloem, Vr. Muntjewerff, J. Schulten, Fr. Gooskens]
De Oranjeboom Jaarboek 2005. Deel 58
Nassaudomeinen tot 1566 | Jan van Scorel en vinding Ware Kruis |
Magistraatsbibliotheek Stadsarchief | Crisistijd in Breda 1930-1940 |
Oosterhout in WO I | Inhoud jaarboeken De Oranjeboom 1948-2004

Ten geleide
Met ingang van het voorgaande Jaarboek vermeld ik in mijn Ten geleide be-
stuurlijke feiten, zodat deze daarmee geboekstaafd zijn. Ik had toen moeten vermel-
den dat het bestuur versterkt zou worden met drs. Frans Gooskens. Mediaevist, zoals
zijn geschiedkundig specialisme heet. Wij kunnen terecht verwachten dat u, lezer
van onze jaarboeken, vruchten van zijn werk in de toekomst zult tegenkomen.

In 2005 werd het bestuur verrijkt door de benoeming van Joop van Uijthoven
in de functie van secretaris. Na vervroegde pensionering bood hij aan zich voor onze
Kring te willen inzetten. Hij blaakt van energie en heeft al vele suggesties aangedra-
gen.

Onze Geschied- en Oudheidkundige Kring is in Breda redelijk bekend. Mij is
uit gesprekken met verschillende Heemkundige Kringen en hoofden afdeling
Cultuur van de gemeenten in ons werkgebied (Land van Breda) gebleken dat onze
bekendheid buiten Breda te wensen overlaat. Daar gaan we het nodige aan doen.
Mede door de inventieve en creatieve ideeën van de nieuwe bestuursleden worden
er initiatieven genomen. Komende jaren ondernemen wij meer activiteiten in de re-
gio.

Onlangs mocht ik een symposium “Kansen voor kerken en kloosters” bijwo-
nen. Kern was de vraag: hoe kunnen eigenaren van kerken en kloosters in goed
overleg met overheden beleid ontwikkelen om passende en waardige bestemmingen
te realiseren? Hoewel er door de tien sprekers vele suggesties werden gedaan, kwam
niemand op het idee dat ook onderzoek naar en beschrijving van de geschiedenis
van een kerk of klooster een waardevolle bijdrage kan leveren aan de keuze van een
toekomstige bestemming, een gemiste kans.

De auteurs en redactie van dit jaarboek hebben geen kansen laten liggen en
trakteren u wederom op interessante artikelen over geschiedenis van Stad en Land
van Breda. Ik wens u veel leesgenot toe.
Kees Machielsen,
voorzitter


Voorwoord
In dit jaarboek is het gebruikelijke vijfjaarlijkse register opgenomen met daarin
de auteurs en hun bijdragen aan het jaarboek sinds 1948. Er is niet alleen volstaan
met de vermelding van de auteurs en de titels van de bijdragen, maar van iedere bij-
drage is ook een korte samenvatting bijgevoegd. Daarmee is de bruikbaarheid van
het register aanzienlijk vergroot. Een en ander is hoofdzakelijk te danken aan de
noeste arbeid van Frans Gooskens, die veel werk verzet om het jaarboek ook digitaal
toegankelijk te maken.
Sinds het jaarboek 2000 zijn 39 bijdragen verschenen waarin allerlei aspecten
van de geschiedenis van Stad en Land van Breda nader belicht werden. Aan die bijdra-
gen werkten 23 verschillende auteurs mee, waardoor een grote gevarieerdheid van
de bijdragen ontstond. Het jaarboek 2001, dat in het kader van Breda 750 Jaar ver-
scheen, valt niet alleen door zijn ontvang op (387 pagina’s), maar ook door de vele
auteurs die er aan hebben meegewerkt. Maar liefst twaalf gerenommeerde auteurs le-
verden een bijdrage. De behaalde resultaten in de afgelopen vijf jaar betekenen voor
de redactiecommissie een grote stimulans om ook de komende vijf jaar een goede
bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk onderzoek van de geschiedenis van Stad
en Land van Breda
Dit jaarboek wordt geopend met een bijdrage van Ton Kappelhof over de
Nassause domeinen in westelijk Noord-Brabant en speelt zich hoofdzakelijk in de
middeleeuwen af. Op een inzichtelijke manier maakt hij duidelijk hoe in die tijd de
adel zijn fortuin vergaarde. Willem van Duivenvoorde, Jan van Polanen en Hendrik
III van Nassau, om er maar enkelen te noemen, maakten op een behendige manier
gebruik van de toenmalige mogelijkheden om hun beurs te spekken. De bijdrage
van Kappelhof sluit goed aan bij zijn studie die in het vorige jaarboek gepubliceerd
werd.
Ada Peele en Matti Herben hebben het aan Jan van Scorel toegeschreven altaar-
stuk, dat zich in de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk van Breda bevindt, tot onder-
werp gekozen. Het retabel of drieluik stelt de vinding van het kruis van Christus
omstreeks 325 voor. Keizerin Helena, de moeder van Constantijn de Grote, zou
volgens de legende deze memorabele vondst op haar conto hebben mogen schrijven.
Peele en Herben beschrijven de legende en gaan vervolgens op Jan van Scorel in. De
kunstenaar was kanunnik en zakenman, een combinatie die toentertijd wel meer
voorkwam, want geld verdienen won het vaak van bidden. Over de ontstaansge-
schiedenis van het drieluik, dat vermoedelijk tussen 1541 en 1543 gemaakt is, be-
staan verschillende opvattingen. Hoewel het vrijwel zeker in het atelier van Jan van
Scorel gemaakt is, bestaat onduidelijkheid over de vraag welk aandeel Van Scorel zelf
in het maken ervan gehad heeft. Peele en Herben gaan op al die vragen in en komen
tot de eindconclusie Van Scorel wel bij het maken van dat drieluik betrokken is ge-
weest, maar dat het meeste werk toch door een van zyn leerlingen verzet is
In de zestiende eeuw beschikten stadsbesturen vaak over een eigen bibliotheek
die een onmisbare vraagbaak was bij het oplossen van juridische en bestuurlijke pro-
blemen. Zo had ook Breda zijn eigen magistraatsbibhotheek, die niet openbaar was,
maar alleen ter beschikking van het stadsbestuur stond. In tegenstelling tot veel ande-
re steden is de Bredase magistraatsbibhotheek vrijwel ongeschonden in het Bredase
Stadsarchief aanwezig. .
Karel Bloem behandelt in zijn bijdrage de geschiedenis van de magistraatsbibho-
theek van Breda en maakt duidelijk dat in vergelijking met andere stadsbibliotheken
Breda een eigen ontwikkeling gekend heeft. Hoewel de geschiedenis van de magi-
straatsbibliotheek centraal staat, geeft Bloem door zijn benadering daarvan een inte-
ressante inkijk in het culturele leven van de 17e en 18e eeuw in Breda.
Hoewel in de collectieve herinnering de jaren dertig uit de vorige eeuw als
een tijd van honger en ellende voor de onderste klasse van de Nederlandse samenle-
ving haar vaste plaats heeft ingenomen, heeft het lang geduurd voordat een en ander
serieus bestudeerd werd. Voor Breda geldt zelfs dat tot nu toe daaraan nauwelijks
aandacht is besteed. Vroukje Muntjewerff-van den Hul heeft in haar bijdrage in die
leemte voorzien. Vanuit een sociaal-democratische invalshoek onderzoekt zij de
steunverlening aan de werklozen die het in die jaren zwaar te verduren hadden. Op
een boeiende manier beschrijft zij de dagelijkse gang van zaken bij de hulpverlening
en geeft zo een goed beeld van Breda in de jaren dertig van de vorige eeuw.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was in Oosterhout het hoofdkwartier van het
Veldleger gevestigd. Jan Schuiten geeft in zijn bijdrage een antwoord op de vraag
waarom nu juist Oosterhout als locatie van het hoofdkwartier werd uitgekozen. De
reacties van de Oosterhoutse samenleving op deze militaire invasie worden beschre-
ven vanuit de optiek om meer inzicht in de dagelijkse gang van zaken in deze
Brabantse plaats te krijgen. De eindconclusie is dat de Oosterhoutse samenleving
buitengewoon gelukkig met die onverwachte gasten was.
Bij de voorbereiding van dit jaarboek werd van een aantal personen en instellin-
gen veel hulp ondervonden. Drs. C. Stevens leverde met zijn taalkundige adviezen
een belangrijke bijdrage, terwijl drs. W. Spapens zich zeer verdienstelijk heeft ge-
maakt bij het corrigeren van de teksten. Dat er desondanks toch nog enkele taalkun-
dige ontsporingen mogelijk over het hoofd zijn gezien, moet de redactie worden
aangerekend. Verder werd veel steun ondervonden van de Koninklijke Militaire
Academie het Stadsarchief Breda, de Stichting Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk
Breda en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. En last-but-not least gaat
gaat onze dank uit naar de medewerkers van Drukkerij Gianotten met Marion Brugman
in de hoofdrol
Namens de redactie,
Jan Schulten, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

14. Boeknummer: 00124  
De Oranjeboom Deel 59
Historie -- Informatie Breda           (2007)    [G. Ootten, H. Koomanschap, Val. Paquay, Vr. Muntjewerff, T. Kappelhof,]
De Oranjeboom Jaarboek 2006. deel 59
Wilhelminapark | Oosterhoutseafvalkuilen |
Koren en Altaren in OLVkerk voor 1590 | Werkloosheidsbestrijding in Breda 1914-1941 |
Prot.gemeenten in Chaam.


Ten geleide
Het 59e Jaarboek van De Oranjeboom ligt voor u, terwijl het 60e Jaarboek in
voorbereiding is. Het jaar 2008 wordt voor ons een bijzonder jaar omdat dan De
Oranjeboom zestig jaar bestaat. Die heuglijke gebeurtenis gaan we vieren met een
symposium dat “de Nassau’s van meerdere zijden belicht” als onderwerp heeft
Bovendien worden in 2008 onze jaarboeken via internet digitaal ter beschikking ge-
steld. Daarmee wordt nog beter voldaan aan onze statutaire opdracht “tot het bevor-
deren van kennis van het verleden van Stad en Land van Breda.

Drs. Frans Gooskens, die ik u vorig jaar al voorstelde als bestuurslid en die u ook
al kent van verschillende publicaties, is nu toegetreden tot de redactiecommissie. De
verbinding tussen het bestuur en de redactiecommissie is daarmee weer hersteld.

Drs. E.M.J.C. Dolné heeft zich uit de redactie van het Jaarboek teruggetrokken.
Hij betreurt het dat zijn artikel over het Bisschoppelijk Paleis in Breda in het
Jaarboek 2004 tot commotie in historisch-wetenschappelijke kring geleid heeft. De
discussie, voornamelijk over het gebruik van enkele bronnen, raakte ook De
Oranjeboom. Het bestuur heeft begrip voor zijn besluit, bedankt hem voor de jaren-
lange samenwerking en hoopt nog veel van zijn grote kennis van zaken en zijn enga-
gement gebruik te mogen maken.

Door de Algemene Ledenvergadering is vorig jaar besloten onze bibliotheek, die
in beheer was bij het Stadsarchief in Breda, te verkopen. Er werd te weinig gebruik
van gemaakt en nam op het Stadsarchief te veel ruimte in. Velen van u hebben een
deel daarvan overgenomen. De opbrengst daarvan wordt gereserveerd voor de vie-
ring van ons 60-jarig bestaan. De archeologische standaardwerken die in de biblio-
theek aanwezig waren, zijn aan de archeologische dienst van Breda geschonken waar
zij van groot nut zijn. De archeologische dienst was overigens tot nu toe niet op de
hoogte van de aanwezigheid van deze boeken. Waar een toevallige actie toe kan lei-
den.

U heeft weer diverse uitstekende en interessante bijdragen over de historie van
“Stad en Land van Breda” voor u liggen.
Ik wens u wederom veel leesgenot.
C.M.M. (Kees) Machielsen
voorzitter


Voorwoord
De verschijning van een nieuw jaarboek is voor de redactie altijd aanleiding om
een zucht van verlichting te slaken, omdat een subtiel samenspel tussen auteurs en
redactie tot een mooi resultaat heeft geleid. De auteurs spelen hierbij overigens de
hoofdrollen, want zij hebben het meeste werk verzet. Daarmee is voor de redactie
de kou niet uit de lucht, want dan volgt de onvermijdelijke kritiek. De redactie stelt
die kritiek op prijs omdat die kritiek meestal een belangrijke bijdrage betekent tot de
verbetering van het jaarboek. En daar gaat het tenslotte om. Kritiek die de bedoeling
heeft om de reputatie van auteurs te beschadigen wordt door de redactie afgewezen,
omdat die kritiek geen positieve bijdrage tot het op peil houden van het weten-
schappelijk niveau van het jaarboek betekent. De redactie gaat uit van de integriteit
van de auteurs en streeft ernaar dat binnen zekere grenzen het eigen karakter van de
bijdragen behouden blijft.
Gerard Otten opent dit jaarboek met een bijdrage over het Wilhelminapark in
Breda en zijn omgeving. Het park met zijn watertoren en de huizen eromheen is
een echte Hen de mémoire of plaats van herinnering geworden door de manier waarop
Otten de ontstaansgeschiedenis van het park en zijn omgeving beschrijft. Daarnaast
besteedt hij veel aandacht aan de verdere ontwikkeling van het park en de plaats
daarvan in de Bredase stadsplanning. De ambtelijke besluitvorming zoals die tegen
het einde van de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste eeuw gebrui-
kelijk was, wordt gedetailleerd weergegeven, terwijl tegelijkertijd de rol van stad-
sparken in de Nederlandse samenleving nader belicht wordt. Opvallend is de rol van
Teteringen waarvan het grondgebied zich tot aan het park uitstrekte.
De lezer van de bijdrage van Gerard Otten zal het park en zijn omgeving bij een
bezoek, of wat meer voor de hand ligt bij het haastig passeren ervan, anders beoor-
delen dan voorheen. Kortom: het is een waardevolle bijdrage aan de Bredase ge-
schiedschrijving.
Voor wat betreft archeologische bijdragen is het jaarboek er tot nu toe bekaaid
vanaf gekomen. Nadat G. van den Eynde in de jaarboeken 1985 en 1986 aan opgra-
vingen in Breda aandacht heeft besteed, verdween de archeologie uit het gezichts-
veld. Wellicht hebben archeologen meer belangstelling voor het werk met schop en
spade dan voor het hanteren van de pen. Gelukkig is daar nu met de bijdrage van
Hans Koopmanschap een einde aangekomen. De reactie hoopt dat het geen een-
dagsvlieg is, maar dat andere archeologen zijn voorbeeld zullen volgen.
In zijn bijdrage beschrijft Koopmanschap het archeologisch onderzoek in
Oosterhout waarbij potscherven en afvalkuilen van pottenbakkers centraal staan. Hij
maakt duidelijk hoe arbeidsintensief archeologisch onderzoek is en hoe moeilijk het
is om op grond van het veldwerk tot conclusies te komen.
De Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda is ongetwijfeld het belangrijkste
en mooiste bouwwerk van Stad en Land van Breda. Zo’n prachtige kerk verdient het
om bij uitstekende historici en onderzoekers in de belangstelling te staan. Een van
hen is Valentijn Paquay, die in de jaarboeken van De Oranjeboom al vier publicaties
op zijn naam heeft staan. Zijn bijdrage in dit jaarboek was aanvankelijk bedoeld om
in het boek De Onze-Lievc- Vrouwekerk en de grafkapel voor Oranje-Nassau te Breda te
worden opgenomen. Capaciteitsproblemen en een koerswijziging tijdens de wor-
dingsgeschiedens van dat boek in een meer kunsthistorische richting waren de oorza-
ken dat de resultaten van het zeer grondige onderzoek van Paquay niet kon worden
geplaatst. Met als vertrekpunt de koren en altaren van de kerk geeft Paquay een
boeiend inzicht in de geloofsbeleving in de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw.
Hoewel zijn bijdrage op zich zelf staat, wordt de lezing ervan aanzienlijk veraange-
naamd. wanneer dat in samenhang met het bovengenoemde boek gedaan wordt.
Vroukje Muntjewerff-van den Hul heeft de werkloosheidsbestrijding van 1914
tot 1941 in Breda als onderwerp gekozen. Tot aan het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog was die bestrijding hoofdzakelijk een gemeentelijke verantwoordelijk-
heid. Volgens Muntjewerff-van den Hul liep het conservatieve Bredase gemeentebe-
stuur niet bepaald voorop bij het ontwikkelen van nieuwe ideeën. Bijzonder interes-
sant is de beschrijving van de Duitse maatregelen op het terrein van de werkver-
schaffing in 1941.
De behandeling van de bovengenoemde problematiek in Breda tijdens de
Duitse bezetting en de bevrijdingsjaren wacht nog op een auteur. Wellicht is
Vroukje Muntjewerff-van den Hul daarvoor de aangewezen persoon.
Dit jaarboek wordt afgesloten met een beknopte beschouwing van Ton
Kappelhof over het boek van Bram Vroom, Vier eeuwen protestantisme in het zuidoosten
van de Baronie van Breda. De geschiedenis van de Protestantse Gemeente te Chaam c.a Op
een helder en overtuigende manier schetst Kappelhof het belang van dit prachtige
boek.
Bij de totstandkoming van dit jaarboek werd in het bijzonder veel steun onder-
vonden van het Stadsarchief Breda en de Stichting Grote of Onze Lieve Vrouwe
Kerk te Breda. Het Architectenburo Van Stigt/Hans Kuiper stelde belangeloos een
aantal fraaie foto’s ter beschikking wat, afgezien van het materiële aspect ervan voor
de redactie een aanmoediging betekent met haar culturele werk door te gaan
Verder worden in het bijzonder voor hun medewerking bedankt drs W P van
der Vis, directeur van de Stichting Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk te Breda, drs.
W. Spapens (Ulvenhout) en Marion Brugman van Drukkerij Gianotten.
Namens de redactie,
Jan Schulten, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

15. Boeknummer: 00125  
De Oranjeboom Deel 60
Historie -- Informatie Breda           (2008)    [W. van Ham, T. Kappelhof, Fr. Gooskens,H. Koopmanschap, Karel Leenders, K. van Leer, J. Jonker, K. Schoenmakers, M. Herben, Vr. Muntjewerff-v.d. Hl, S.Plantinga 2x]
De Oranjeboom Jaarboek 2007. Deel 60
Wapens en vlaggen Breda sinds 1997 | Nazaten koopman C.de Wyse |
Magister Ans.Fabri en stichting gasthuis voor oudemannen (1) | Oosterhoutse afvalkuilen (II) |
Meester Arnoud | Familie Snellen en Spijtenburg | Lagere School voor meisjes Sint Catharinadal Oosterhout |
Kerkhof Niervaaart | Werkverschaffing in iterbellum | Evacue Antoine Sauter in Frankrijk 1940 |
Missie Meeus en repatriering Bredanaars 1940,

Ten geleide
U heeft een bijzonder jaarboek voor u liggen. En wel om drie redenen. Allereerst
omdat dit ons zestigste jaarboek is. Daar mogen we als Geschiedkundige Kring, opge-
richt in 1948, zeer trots op zijn. Niet omdat de zestig jaarboeken meer dan een meter
in onze boekenkast beslaan en er ook nog fraai uitzien, - behoudens een paar ver-
schoten exemplaren uit de beginjaren -, maar wegens de bijzondere inhoud. Meer
dan 525 artikelen over Stad en Land van Breda, geschreven door ruim 150 auteurs.
Het is daarmee dé bron voor elkeen die zich wil verdiepen in de historie van de stad
Breda en het Land van Breda. Hulde aan al diegenen die dit mogelijk hebben ge-
maakt.

Het betekent ook, de tweede reden dus, dat onze Kring zestig jaar bestaat en
hoewel dit geen echt jubileumjaar is, vieren we dit natuurlijk wel. In eerdere publica-
ties heeft u al vernomen dat we dit doen met een symposium over de Nassaus op 18
april 2008 in de aula van de Nassauscholengemeenschap in Breda.

De derde reden is gelegen in het feit dat dit jaarboek het laatste is dat tot stand is
gekomen onder het redactievoorzitterschap van dr.Jan Schuiten. Gedurende tien jaar
heeft Jan Schuiten op zijn bijzondere wijze de redactie geleid en verschenen tien
jaarboeken. Verder mochten we ook van vijf bijdragen van zijn hand genieten. Eén
hiervan schreef hij bij gelegenheid van ons vijftigjarig bestaan: de geschiedenis van
onze eigen vereniging. We hopen dat Jan Schuiten dit over vijftien jaar bij ons 75-ja-
rig bestaan kan aanvullen. Over de verdienste van Jan Schuiten behoef ik niet verder
uit te weiden omdat ik dat eerder bij de toekenning van het erelidmaatschap uitbun-
dig heb gedaan. Jan heel veel dank.

We nemen dit jaar ook afscheid van dr. Henk Muntjewerff als lid van de redactie
van ons jaarboek. Henk Muntjewerff was lid van de redactie sedert 1991. Henk was
de man van het afgewogen en relativerende oordeel. Hij was sterk op zijn specialisme,
het industrieel erfgoed. Henk, ook veel dank voor je prominente inbreng in het re-
dactieberaad, het meelezen van vele artikelen en uiteraard jouw eigen bijdragen over
het industrieel erfgoed.

Dit zestigste jaarboek is een omvangrijk jaarboek geworden. Jan Schuiten heeft
bij zijn afscheid als hoofdredacteur een prestigieus jaarboek aan de reeks willen toe-
voegen Het is hem gelukt en het is hem gegund. Elf bijdragen vullen dit jaarboek en
daar zult u als lezer niet rouwig om zijn.
U zult er met plezier veel leesuren mee vullen.
C.M.M. (Kees) Machielsen
voorzitter


Voorwoord
Door de grote inzet van de auteurs is de redactie erin geslaagd een gevarieerd
jaarboek samen te stellen waarin onderwerpen uit de verschillende tijdvakken van de
geschiedenis van Stad en Land van Breda’ behandeld worden. Van de elf bijdragen
behandelen er zes Bredase zaken, terwijl vijf zich met het ‘Land van Breda’ bezig
houden. Al met al weerspiegelt de samenstelling van dit jaarboek goed het arbeidster-
rein van onze vereniging.
De gemeentelijke herindelingen van de laatste jaren hebben een grote invloed
op de vlaggen en wapens van gemeenten, steden en dorpen gehad. Willem van Ham
heeft in zijn ‘kleurrijke’ bijdrage op een overzichtelijke manier niet alleen de huidige
stand van zaken weergegeven, maar ook inzicht verschaft in de symbolische betekenis
van de wapens en vlaggen van onze regio.
Dat een oorkonde uit de dertiende eeuw geen droge kost is, wordt door Karel
Leenders in zijn bijdrage duidelijk gemaakt. Met veel kennis van zaken heeft hij een
oorkonde van 1269 als vertrekpunt genomen voor een beschouwing over de bouw-
geschiedenis van de voorgangers van de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Breda.
De mediëvist Frans Gooskens heeft zijn licht op het leven van Anselmus Fabri
van Breda doen schijnen, de stichter van een gasthuis aan de Haagdijk te Breda. In
zijn bijdrage heeft Gooskens zich hoofdzakelijk beperkt tot de activiteiten van
Anselmus bij de curie in Rome. In latere bijdragen worden andere aspecten van het
leven van deze carrièregeestelijke aan de orde gesteld. Hoewel de ontwikkelingen bij
de Romeinse curie centraal staan, schetst Gooskens een zeer interessant beeld van de
godsdienstige praktijken tijdens de late middeleeuwen in de Lage Landen.
De archeologische bijdrage is van Hans Koopmanschap die de lezer meeneemt
naar de Oosterhoutse afvalkuilen die in 1986 blootgelegd werden. Het ging daarbij
om nader onderzoek van de Oosterhoutse pottenbakkersnijverheid na 1650. Het ar-
tikel, dat een aanvulling is op zijn bijdrage in het jaarboek 2005 van De Oranjeboom,
maakt duidelijk met welke moeilijkheden archeologisch onderzoek te maken heeft.
Matti Herben geeft in zijn bijdrage een aanvulling op een eerdere publicatie van
hem en Linze van der Mierden in het jaarboek 1995 van De Oranjeboom. Door analy-
sering van een akte uit de zestiende eeuw heeft hij de plaats van het kerkhof van het
oude Niervaart bij Klundert nauwkeuriger vastgesteld.
Na een eerdere publicatie over de Bredase koopman Cornelis de Wyse en zijn
familie heeft Ton Kappelhof in zijn bedrage in dit jaarboek de erfgenamen van De
Wyse voor het voetlicht gehaald. Op grond van goed bronnenonderzoek waarbij tes-
tamenten een belangrijke plaats innemen, laat hij de lezer op een aangename manier
kennismaken met de leefomstandigheden van een welgestelde koopmansfamilie in de
achttiende eeuw.
Van het Oosterhoutse slotje Spijtenburg is niet veel meer overgebleven dan een
vijver met omliggend struikgewas waarop sommige projectontwikkelaars en andere
cultuurbarbaren hun begerige ogen gericht hebben. Kees van der Leer en Jacob
Jonker tonen door hun reconstructie van de geschiedenis van Spijtenburg aan dat het
hier om een echte Oosterhoutse ‘lieu de mémoire’ gaat die voor het nageslacht be-
waard moet blijven. Spijtenburg werd eind zestiende eeuw gebouwd en in 1821 ge-
sloopt. De nadruk van deze bijdrage ligt op de bewoningsgeschiedenis van
Spijtenburg waarmee en fraai inzicht verkregen wordt in het dagelijkse leven van een
vooraanstaande familie in de zeventiende en achttiende eeuw. Als belangrijke bron-
nen daarvoor worden de afhandelingen van verschillende erfenissen gebruikt.
Kees Schoenmakers heeft het onderwijs aan meisjes in Oosterhout in de eerste
helft van de negentiende eeuw beschreven. Opmerkelijk daarbij is dat het onderwijs
door de Oosterhoutse norbertinessen werd verzorgd, die door de kloosterregels ver-
plicht waren hun lessen van achter de tralies van het slot te geven.
In eerdere publicaties heeft Vroukje Muntjewerff-van den Hul haar licht over de
sociale omstandigheden van de Bredase arbeiders laten schijnen. In deze bijdrage gaat
zij in op de arbeidsverschaffing aan de Bredase werklozen tijdens het interbellum en
het eerste oorlogsjaar. De redactie koestert de stille hoop dat zij in de naaste toekomst
ook de samenwerking tussen de Bredase gemeentelijke overheden en de Duitse be-
zetter voor zover dat de werkverschaffing betreft, in kaart brengt.
De evacuatie van de Bredase bevolking in mei 1940 mag tot een van de meest
dramatische gebeurtenissen van Breda tijdens de Tweede Wereldoorlog gerekend wor-
den. Hoewel daar al veel over gepubliceerd is, heeft Sierk Plantinga door zeer goed
bronnenonderzoek in twee bijdragen de kennis daarover uitgebreid. Hij beschrijft
uitgebeid de repatriëring van duizenden Bredanaars die in Frankrijk waren gestrand.
De redactie is drs. W. Spapens en drs. C. Stevens veel dank voor hun taalkundige
adviezen verschuldigd. Zoals vanouds was de samenwerking met het Stadsarchief
Breda en het Regionaal Archief Tilburg uitstekend. Daarnaast werd veel steun onder-
vonden van het Nationaal Archief in Den Haag en het Nederlandse Instituut voor
Oorlogsdocumentatie. De samenwerking met Drukkerij Gianotten verliep uitstekend
zoals dat overigens al vele jaren het geval is. Zonder iemand iets tekort te willen doen
gaat onze dank bijzonder uit naar Marion Brugman van Drukkerij Gianotten. Zij
weet ieder jaar weer de wensen van de redactie te vertalen in een opmaak van het
jaarboek die er wezen mag.
En zonder overmoedig te willen zijn, meent de redactie dat dit zestigste jaarboek
laat zien dat de De Oranjeboom nog springlevend is en dat nog vele jaarboeken zullen
volgen.
Namens de redactie,
Jan Schuiten, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

16. Boeknummer: 00126  
De Oranjeboom Deel 61
Historie -- Informatie Breda           (2009)    [Br. Vroon, A.S,Korteweg, C. van Beek, T. Kappelhof, S.A. Vosters, B. Teensma, J.Maassen, Chr. Buikes, L.Toorians, V.Paquay]
De Oranjeboom Jaarboek 2008. Deel 61
Brieven predikanten Hasebroek en Schotel 1843-1849 |
Anna van Lotharingen 1522-1568 | Anna van Mehetz | Strijenlegende |Hendrik van Nassau |
Lotgevallen VOC-soldaat H.C. Coenraeds | trommelspeelwerk in Breda |
Namen dorpen en steden Baronie van Breda | Legende H.Oelbert |
kerkelijke prominenten reizen naar Breda.


Ten geleide
We kijken met veel voldoening terug op het zestigste levensjaar van "De
Oranjeboom”. Blijkbaar moet je wat ouder zijn om de behoefte te hebben aan je
leeftijd aandacht te schenken.
Eerst na veertig jaar werd aan de behaalde leeftijd aandacht besteed toen het jaar-
boek als een Liber Amicorum werd opgedragen aan dr. F.A. (Frans) Brekelmans, toen
voorzitter van de redactie en in 1948 medeoprichter van onze vereniging. In het
“gouden jaar” werd de Oranjeboomgeschiedenis uitgebreid beschreven door drs.
J.W.M. (Jan) Schuiten. In ons zestigste jaarboek kon ik de verleiding niet weerstaan
om kort in te gaan op die mijlpaal.
Laten we hopen en er vooral aan werken dat De Oranjeboom nog een lang le-
ven beschoren is.

We vierden ons zestigjarig bestaan met een imponerend symposium over de
Nassaus en met het uitbrengen van de inhoud van alle verschenen jaarboeken op een
cd-rom. Beiden werden een groot succes.Vooral op de cd-rom - nog meer op de in-
houd uiteraard - zijn we bijzonder trots. Hiermee immers voldoen we op buitenge-
wone en aan de tijd aangepaste wijze aan onze doelstelling: “de studie en de bevorde-
ring der kennis van het verleden van de stad en het land van Breda....”.

We hopen in 2009 onze website te vernieuwen. Het blijk dat dit een goed medi-
um is om ook niet-leden te bereiken. Zij weten ons veelvuldig te vinden om vragen
te stellen en om jaarboeken of artikelen daaruit te bestellen.

Dit is het eerste jaarboek dat uitkomt onder de redactionele verantwoordelijk-
heid van drs. F.A. (Frans) Gooskens. Hij is ook lid van het bestuur en we kennen hem
als auteur.Wij wensen hem veel succes in de komende jaren.

Ook in bestuur zien we een nieuw gezicht en wel van de heer T.C. (Cor) van
Strijen, die onze financiën en de ledenadministratie gaat beheren. Ook Cor veel suc-
ces gewenst.

Helaas verloren we onze notulist en excursieorganisator H.J.M. (Bert) Piters Na
een ernstig ongeval eind november 2008 verloor hij op 11 februari 2009 de strijd om
het leven.
Ik mag u verwijzen naar het In Memoriam elders in dit jaarboek.

Veel dank wil ik overbrengen aan de bestuursleden, de redactiecommissie en de
auteurs. Tenslotte waren zij het die het product dat u in handen heeft gezamenlijk re-
aliseerden.
Ik wens u veel leesgenot met dit jaarboek.
C.M.M. (Kees) Machielsen
voorzitter


Voorwoord
Het ordenen van bekende feiten kan soms al nieuwe inzichten geven. Dit jaar-
boek is feitelijk thematisch-chronologisch ingedeeld. We hebben in ieder geval ge-
probeerd om de bijdragen over de Nassaus bij elkaar te houden. Dit om recht te doen
aan het symposium ‘Hofcultuur van de Bredase Nassaus’ dat we op 18 april 2008
hielden in de aula van de Nassau-scholengemeenschap te Breda. Een aantal sprekers
heeft hun spreekbeurt uitgewerkt tot een publicatie voor ons jaarboek. Andere au-
teurs sloten zich aan bij dit thema.
De bijdragen kunnen echter ook helemaal geografisch worden besproken. Het
beste startpunt hiervoor is natuurlijk de toren van de Grote kerk van Breda. Deze
verheft zich reeds 500 jaar met zijn 97 meter uit boven Stad en Land van Breda. De
toren is reeds vanuit diverse invalshoeken beschreven door diverse auteurs. Zo schreef
Scherft in 1959 een artikel over de financiering van de bouw van de toren. Rehm
schreef drie jaar later over het vergieten van de kerkklokken in 1626 en in 1968
schreef IJsseling over de restauratie van de toren tussen 1946 en 1969. In 1992 schreef
De Moor over Adam van Nispen en de eerste steenlegging van de kerktoren in het
jaar 1468. Over 59 jaar hebben we dus weer iets om te gedenken.
Als we de toren beklimmen en van daaruit de artikelen bekijken moeten we na-
tuurlijk beginnen met de bijdrage van stadsbeiaardier Jacques Maassen over de het
speelwerk in de toren. Met veel Eefde en vakmanschap beschrijft hij het oudst be-
waarde trommelspeelwerk ter wereld. Het mechanisme dateert van 1541 en bleef in
dienst tot het jaar 1908! Tegenwoordig bevindt het speelwerk zich in het Nederlands
Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum van Schoonhoven. Het speelwerk werd vervaar-
digd door Hendrik Vabrie uit Leuven.
De preekstoel van de Grote kerk was tussen 1843 en 1849 het podium van do-
minee Hasebroek. Er komt onder andere naar voren dat de predikant geacht werd ie-
dere dienst de hele preek uit zijn hoofd te leren. Centraal in deze publicatie van Bram
Vroon staat de correspondentie die hij voerde met zijn Chaamse collega Schotel. We
krijgen een goed beeld van de theologische stromingen binnen de Nederlands
Hervormde kerk. De predikanten moesten hierin partij kiezen. Daarnaast wordt een
levendig beeld geschetst van het dagelijkse leven van een dominee in een grotendeels
katholieke omgeving.
Als we verder lopen door de kerk richting de kooromgang en we goed naar de
vloer blijven kijken, dan komt de zerk in beeld van Anna van Mehetz, de gouvernan-
te van René van Chalon. Op een detectiveachtige wijze weet auteur Cora van Beek
aan te tonen dat zij gelieerd was aan het toonaangevende Franse, adellijke geslacht
van De Baufiremont. Het wapen op de zerk is hierbij de voornaamste aanwijzing.
René van Chalon kreeg tussen 1521 en 1529 van haar een grondige Franstalige op-
voeding.
We moeten nu terug de trap van de kerktoren op. Bij het lezen van de bijdrage
van Valentijn Paquay moeten namelijk naar beneden kijken, maar ook verder het land
in. Hij beschrijft hoe aan het einde van de middeleeuwen diverse kerkelijke hoog-
waardigheidsbekleders Breda en de omliggende plaatsen bezoeken. De Grote kerk
zelf komt in beeld bij de verkoop, pardon verstrekking, van aflaten. In 1471 bezocht
de pauselijke collectant Angelus de Cialfis de kerk om een aflaat aan de man te bren-
gen voor de financiering van een kruistocht tegen ketterse Hussieten in Bohemen.
De auteur geeft verder interessante informatie over de preekbeurten rond de grote
kerkelijke feestdagen van de Bossche dominicanen. Diverse kerken, ook in de kleine-
re plaatsen rond Breda, werden door hen aangedaan volgens een vast schema.
Voor de bijdrage van Ton Kappelhof moeten we het hele land rond Breda bekij-
ken, maar in het bijzonder naar Geertruidenberg. Hij beschrijft hoe rond 1600 een
groep van geleerde personen rond Filips Willem, de oudste zoon van Willem van
Oranje, een tweetal oorkonden van de abdij van Thorn vervalst. Dit om de oude
rechten van de Nassaus op Geertruidenberg kracht bij te zetten en de mythe te creë-
ren van een hertogdom Strijen.
Ook de bijdrage van Ton Buiks bestrijkt het hele gebied van de oude Baronie
van Breda. Hij gaat in op de oorsprong van de namen van de dorpen en steden. Een
groot aantal van deze namen stammen uit de vroege middeleeuwen (400 - 1000 n.
Chr.). Alleen voor Chaam valt aan te nemen dat er een oudere, Keltische oorsprong
is. Voor Zundert zijn er aanwijzingen in de richting de Romeinse periode. Bij elkaar
weer een aanwijzing dat West-Brabant na de volksverhuizing bijna helemaal opnieuw
bevolkt is door Germaanse volkeren.
Voor het volgende artikel moeten we naar het noordoosten kijken, naar
Oosterhout. Lauran Toorians ontrafelt, net zoals Ton Kappelhof, een mythe. In dit ge-
val de mythes rondom de lokale Oosterhoutse heilige Oelbert. Hij ziet sterke aanwij-
zingen voor een zogenaamde samengestelde heilige. Zo zou zijn naam afgeleid zijn
van de Kamerijkse bisschop Autbert, zijn afgehakte hoofd dat hij zelf draagt verwijst
weer naar de Parijse heilige St. Denis. Hij poneert de stelling dat Oosterhout (en
daarmee Breda?) in de middeleeuwen een tijdlang binnen de invloedssfeer lag van
het bisdom Kamerijk. Dat bisdom reikte zeker tot Hoogstraten en Turnhout.
Anne Korteweg dwingt onze de blik naar het zuiden. In eerste instantie naar
Lotharingen, waar in 1522 een schone dame geboren werd met de naam Anna van
Lotharingen. Op achttienjarige leeftijd trouwde zij met René van Chalon, heer van
Breda. Het artikel beschrijft haar boekencollectie. Uiteindelijk zijn van deze verzame-
ling vijf gedrukte boeken en drie handschriften bewaard gebleven. In het artikel
wordt de bewaargeschiedenis van deze acht documenten open gelegd. Uiteindelijk
zou Anna in 1568 te Diest sterven en er ook begraven worden.
Simon Vosters neemt ons verder mee naar het zuiden: naar het Spanje van begin
zestiende eeuw. Graaf Hendrik van Nassau trekt daar rond in het gevolg van zijn
baas’ Karel V. Hij geldt als zijn belangrijkste adviseur. Uit Spaanse bronnen worden
ooggetuigenverslagen verzameld over de graaf. Volgens sommigen was hij humeurig
door aanvallen van jicht. Volgens anderen was hij weer een levenslustige edelman
Vorm zelf uw mening door het artikel te lezen
Voor het artikel van Benjamin Teensma moeten we nog veel verder naar het zui-
den, zelfs naar de kust van Brazilië. Op 7 juli 1630 wordt daar op het strand vin hèt
tegenwoordige Cabo Frio de Bredanaar Hendrik Coenraads met elf anderen gevan-
gen genomen. Meer dan 100 matrozen werden afgeslacht op het strand. Dit tijdens
een poging om vers drinkwater in te slaan. Na een gedwongen verblijf in onder an-
dere Buenos Aires zou hij pas in 1636 terugkeren in Nederland. Het artikel is deels
gebaseerd op het ondervragingsrapport dat afgenomen werd bij Coenraads na zijn te-
rugkomst.
Conclusie is dat we de Bredase geschiedenis, zeker die tot 1600, alleen kunnen
begrijpen door naar het zuiden te kijken. Naar Diest, naar Leuven, naar Thorn, naar
Brussel, naar Lotharingen en zelfs naar Kamerijk. Dit jaarboek biedt hiervoor goede
handvatten.
Ten slotte wil ik alle leden van de redactie bedanken voor hun actieve in-
breng. Met een bijzondere woord van dank voor Jan Schuiten, die zijn waardevolle
ervaring toch nog blijft inbrengen. En dank voor Wim Spapens voor zijn waardevolle
laatste lezing van de bijdragen.
Namens de redactie,
Frans Gooskens, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

17. Boeknummer: 00127  
De Oranjeboom Deel 62
Historie -- Informatie Breda           (2010)    [G. Otten, T. Kappelhof, Fr. Gooskens, M. Arkema, J. Veerman, L. Toorians, K. Leenders]
De Oranjeboom Jaarboek 2009. deel 62
Brabantpark (Van Koolwijkpark) | de kooplieden J en C de Wyse 1586-1659 |
Speelhuis Belcrumbos 1610-1621 | twee huizen Begijhof |
Willem van Duvenvoorde en Willem van Oosterhout | Cultuurhistorische Landschapsinventarisatie


Voorwoord van de redactie
In dit jaarboek zijn de bijdragen chronologisch geordend
en wel van nieuw naar oud. Dit zou een archeologische volg-
orde genoemd kunnen worden. Archeologen vangen immers
altijd aan met de jongste laag en met het verdere graven en
schaven komen ze steeds oudere zaken tegen. Op deze manier
wordt men steeds dieper de geschiedenis in getrokken. De lezer
begint in dit jaarboek met de aanleg van een villapark ten oos-
ten van het centrum van Breda in de jaren dertig van de vorige
eeuw en eindigt aan het eind met de ontginningsgebieden bo-
ven Teteringen die zijn ontstaan rond 1300.

Gerard Otten beschrijft de ontwikkeling van het ‘oude’ Brabantpark en het Van
Koolwijkpark in Breda tussen 1930 en 1980. Hij past de ontwikkeling van dit nieu-
we stadsdeel in binnen de stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad. Nadat eerst
het Van Koolwijkpark gepland was als een villapark in het groen wordt er na de oor-
log een vierbaansweg dwars doorheen aangelegd: de Claudius Prinsenlaan. Deze laan
was geïnspireerd op de Amerikaanse parkways. Het stadsbestuur ging zich meer rich-
ten op het aantrekken van industrieën en daarbij hoorde een modern op de auto ge-
richt imago. Twee heel verschillende stedenbouwkundige visies komen hiermee in
één gebied bij elkaar.
We blijven met het volgende artikel in Breda, want Ton Kappelhof sluit zijn tri-
logie over het Bredase katholieke ondernemersgeslacht De Wyse af met een artikel
over hun voorouders. Deze voorouders kwamen tussen 1579 en 1586 vanuit Den
Bosch naar Breda. Deze verhuizing wordt geplaatst binnen andere migratiebewegin-
gen in deze periode. De Wyses starten in de stad een bierbrouwerij. In de zeventien-
de eeuw zullen nazaten hun inkomen verwerven met de productie van zeep.
Misschien heeft de eerste De Wyse - Jan die overleed na 1627 - vanuit zijn huis
aan de Lange Brugstraat wel eens een wandeling gemaakt naar de Belcrum om te
kijken naar het in aanbouw zijnde jachtdomein van de Nassaus. Prins Filips Willem
richt hier na 1612 een warandepark in voor het houden van wilde dieren. Bij deze
warande legt hij een maliebaan aan: de tegenwoordige Speelhuislaan. Midden in dit
park op een zandige heuvel bouwt prins Maurits na de dood van zijn broer rond
1620 een speelhuis. Hier kan hij in een informele omgeving zijn relaties op niveau
ontvangen. De auteur toont aan dat de twee broers zich lieten inspireren door soort-
gelijke adellijke parken in België, Frankrijk en Engeland.
De bijdrage van Arkema en Veerman over het begijnhof heeft ook een bouw-
historische invalshoek. Al eerder zijn in gebouwen die tegen het Bredase begijnhof
aanliggen restanten van bogen gevonden. Met een combinatie van bouwhistorisch
en archeologisch onderzoek kijken de twee auteurs of er aanvullend bewijs te vinden
is voor het bestaan op de plaats van het huidige begijnhof van een zogenaamd pand-
hof: de binnenplaats van een klooster. De opdrachtgeefster voor de bouw van dit
klooster en de daarbij behorende Wendelinuskapel in 1440 was Johanna van
Polanen.
Johanna handelde vanuit een rijke familietraditie op dit vlak. AI eerder stichtte
haar familielid Willem van Duvenvoorde, die honderd jaar eerder aan de basis stond
van het immense fortuin van de Polanens, twee kloosters. Dit waren het kartuizer-
klooster van Geertruidenberg en het klooster van de Rijke Klaren in Brussel. Zijn
bezit verwierf hij door het uitlenen van geld aan de hoge heren van zijn tijd, zelfs
aan de koning van Engeland. Hij deed dit tegen rentepercentages tot 20%.
Tegenwoordig zouden we hem een zakenbankier noemen. Toorians beschrijft in het
artikel zijn leven en dat van zijn kinderen in Oosterhout en Dongen.
Tussen Oosterhout en Breda ligt een oud en zeer gevarieerd landschap. Karel
Leenders geeft met behulp van vele kaarten aan welke waardevolle historische land-
schappelijke elementen nog zijn terug te vinden in de driehoek Teteringen,
Terheijden en Breda. Het is een gebied met moeren, dekzandruggen, oude wegen
en bolle akkers. De auteur gebruikt dit gebied als voorbeeld om uit te leggen hoe
een cultuurhistorische landschapsinventarisatie in zijn werk gaat.
Rest mij nog de 'oude rotten’ drs. W. Spapens en dr. J. Schuiten te bedanken
voor hun hulp. Dank voorts aan het Breda’s Museum en het stadsarchief van Breda
voor hun medewerking bij het beschikbaar stellen van de afbeeldingen.
Namens de redactie
Frans Gooskens, voorzitter

Geschiedkundige en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom;  
 

18. Boeknummer: 00136  
Conversaties.
Cultuur -- Gedichten           (2007)    [Danielle Lemaire]
Conversaties.


een gesprek van Danielle Lemaire met Ferdinand van Dieten in Breda, 22 juni 2006.

De Bespreking.
Ie kerstdag, Amsterdam, 28 december 2002
JaDa en V.O.F. ZijlmansIJongenelis over hun komen-
de gezamelijke expositie 'Het Absolute Nulpunt. ’ in
Lokaal 01 te Antwerpen, december 2003-januari 2004.

Vrouwen in hedendaagse muziek
een gesprek van Danielle Lemaire
met Mariëtte Groot in Delft, 10 juli 2006.

De Lichtwerker.
een gesprek van Danielle Lemaire met Lilian
Joosen in Breda, 22 augustus 2006.

Inner Landscapes;  
 

19. Boeknummer: 00143  
De eerste steen komt boven. Gevelstenen en geveltekens in Etten Leur
Historie -- Etten-Leur           (2009)    [Rene Konings]
De eerste steen komt boven

Voorwoord
Al sinds geruime tijd ben ik geïnteresseerd in monumentale en andere histori-
sche gebouwen. Vooral gevelstenen, geveltekens en bouwkundige versierin-
gen hebben mijn interesse. Na hier enkele boeken over gelezen te hebben be-
sloot ik om mijn opgedane kennis te delen met anderen door er een samen-
vatting van te schrijven. Ook heb ik met het fototoestel in de aanslag een
rondwandeling door de oude kernen van Etten-Leur gemaakt. Zo veel als
mogelijk heb ik ook met de eigenaren van de gevelstenen gesproken om meer
te weten te komen over de achtergronden van een steen. Je krijgt dan een
goed beeld wat er allemaal nog in Etten-Leur te zien is. Heel veel bijzondere
gevelstenen tref je hierbij niet aan omdat Etten-Leur nooit een bijzonder wel-
varende gemeente is geweest. Vooral in de oude handelssteden tref je veel en
hele mooie gevelstenen aan. Het boek is een goede gids om wandelend langs
de gevels de gevelstenen te bekijken. Maar ook van uit de luie stoel hoop ik
dat het een lezenswaardig geheel is geworden. Het boek heeft niet de preten-
tie om volledig te zijn, maar is vooral een oproep om eens met andere ogen
een gevel te bekijken en je niet alleen te beperken tot al het moois dat in de
etalages ten toon is gesteld. Ook als je naar boven kijkt is er vaak veel moois
te zien en nog gratis ook. Ik wens u veel lees-, kijk- en speurplezier toe.
René Konings

Heemkundekring Jan uten Houte Etten-Leur;  
 

20. Boeknummer: 00150  
Op de Beek zitte goed. Prinsenbeek 1935-1975
Historie -- Informatie Prinsenbeek           (2007)    [A. Verkooijen, P.van Hooijdonk]
Op de Beek zitte goed. Prinsenbeek 1935-1975

Voorwoord
Tot 1951 was Prinsenbeek eeuwenlang gewoon ‘Beek’. Dit boek gaat over de jaren 1935 tot 1975 en
we belichten daarin vele facetten van het dorp zoals de straten, het boerenleven, het verenigingsleven
en veel mensen. We hebben geprobeerd om zoveel mogelijk hamen te achterhalen en we zijn al die dorps-
genoten die ons hun foto’s hebben geleend en hebben meegezocht naar namen van personen heel dankbaar.
Natuurlijk laten we ook zien hoe het dorp zelf eruitzag. In de jaren dertig was ‘de Beek’ erg
klein en bestond maar uit een paar echte straten. Op de Markt stond een prachtige roomskatholieke kerk
met de pastorie en een zusterklooster. Rond de Markt lagen de Valdijk met de Coöperatieve
Stoomzuivelfabriek Sint-Gertrudis en de Beeksestraat met diverse rentenierswoningen en boerderijen.
In de Groenstraat vond je de winkels en in de Kapelstraat de school die toen de Heilig Hart- of
jongensschool werd genoemd, later De Horizon. Als je met de Bekenaren over vroeger praat, kom je
steevast over de Prinsenbeekse Markt te praten. Dan wordt ook steeds weer gezegd dat het toch jammer
is dat zo’n mooie kerk is afgebroken.
In april 2003 kwamen enkele Bekenaren bij elkaar om te zien of ze de Beekse Markt als model
konden nabouwen, vanaf het pand De Vergulde Bol op de hoek van de Beeksestraat en de Kapelstraat, tot
en met het Heilig Hartbeeld op de hoek van de Valdijk en de Markt. Na een zoektocht van een jaar naar
originele bouwtekeningen en foto’s van de gesloopte, maar ook van de bestaande gebouwen, zijn ze in
april 2004 begonnen met de bouw. De reconstructie geeft de situatie weer van tussen de twee wereld-
oorlogen. De panden zijn gebouwd op een schaal van 1:50. In oktober 2007 is de maquette een paar dagen
tentoongesteld. Dit boek laat ook iets zien van die bouwgroep en van het uiteindelijke resultaat van
hun werk. Zoals de maquette de Beekse Markt laat zien, zo laat dit boek ook de rest van het dorp zien.
Prinsenbeek dankt haar naam aan de Liesbosbeek, een ‘loop’ die in het Liesbos ontspringt, en aan een
beekje dat ergens in de Krekelpolder begint. Het oude dorp Beek ligt op de hogere gronden tussen
deze beide beken in. Dus zeggen wij gewoonlijk dat we ‘Op de Beek wonen en daar zitte goed!’
Kijkt u nu met ons mee?
zomer 2007
Anneke Verkooijen-de Graauw
Piet van Hooijdonk

Uitgeverij Aprilis;  
 

21. Boeknummer: 00152  
Liber Amicorum Ben Hennekam
Personen -- Personen m-n-o-p           (2006)    [Eddy Baldewijns e.a.]
Liber Amicorum

Eddy Baldewijns
Adjunct-Secretaris-Generaal
Benelux Economische Unie

VOORWOORD
16 jaar lang de verpersoonlijking van de Benelux-samenwerking en een
afscheid op een ogenblik dat het Benelux-project geëvalueerd wordt, gerevita-
liseerd wordt: hier horen wijze woorden bij en veel dank.

Voor het eerste, de wijze woorden, hebben wij een beroep gedaan op persona-
liteiten die de Benelux goed kennen en, die naar aanleiding van het afscheid
van de heer Ben Hennekam, hun ideeën over een samenwerkingsverband in
deze regio van West-Europa hebben willen neerschrijven. Ik dank hen allen
omdat zij door hun ervaring uit het verleden en door hun kennis van het
heden, een visie voor de toekomst hebben uitgetekend.

Voor het tweede, de dankwoorden, prijs ik mij gelukkig de tolk te mogen zijn
van alle personeelsleden, oud-personeelsleden en zovele Benelux-sympathi-
santen. Graag wil ik het beeld van de heer Hennekam, Secretaris-Generaal van
de Benelux Economische Unie, samenvatten in deze kortzinnen:
- een real-politicus met veel interesse voor de internationale politiek;
- een gedreven laborant bouwend aan het Europa van morgen;
- een leider met verantwoordelijkheidszin.

Een real-politicus met oog voor de wereld
Ben Hennekam weet wat mensen voelen, beseft dat er in een maatschappij
behoeften en noden bestaan waar de leiding van deze maatschappij oplos-
singen moet voor zoeken. De invalshoek waarlangs hij de politiek, de ordening
in de samenleving, benadert is deze van de christen-democratie. Zijn rotsvaste
overtuiging, zijn trouw aan de idealen die hij koestert, dwingen bij eenieder
respect af.

Overtuiging kent geen geografische grenzen. In het uitdragen van zijn over-
tuiging beperkt de Secretaris-Generaal zich dan ook niet tot de Benelux. Hij
verkneukelt zich steeds in een partijtje discussie over de oorlog in Irak en het
al dan niet inzetten van Europese troepen, over het terrorisme en de gevaren
ervan voor West-Europa, over de gevolgen van de val van de Muur, over het
politieoptreden tegen de jeugdcriminaliteit in de ene of de andere stad, over
het oprukkend rechtse nationalisme, over de gevaren van de Islam, over de
honger in Afrika, over de gevolgen van de Tsunami en over de nodige humani-
nitaire hulp...

Niemand kan zich derhalve erover verwonderen dat hij met veel inzet het
Benelux-samenwerkingsmodel toelicht aan de Visegradlanden of dat hij
bijzonder veel belang hecht aan goede contacten met de Nordic Council of
de Baltic Assembly. Uiteraard bleef de Benelux-samenwerking steeds zijn
eerste prioriteit. Dit is niet vreemd voor een real-politicus. Beter dan wie ook
weet hij dat met dromen men de wereld niet verandert, hooguit kan men
utopische beelden overdragen op enkelen. De realiteit, daar leven wij in, die
maken wij zelf.

Onder het motto: “Beter een goede buur dan een verre vriend”, introdu-
ceerde hij de “grensoverschrijdende samenwerking” als kerntaak van de
Benelux-samenwerking. Nog niet zo lang geleden werden milieu, verkeer en
infrastructuur, ruimtelijke ordening, natuurbehoud en landschapsbescher-
ming vooral door een nationale bril bekeken. Deze belangrijke beleidsterreinen
werden veelal - ook door de Beneluxlanden - met de rug naar elkaar ingevuld.
Daar is dankzij de niet aflatende inzet van Ben Hennekam verandering in
gekomen. Wat vroeger vaak bijna uitsluitend nationaal werd bepaald wordt
nu meestal grensoverschrijdend benaderd.

Ben Hennekam zette zich met kracht achter de medewerkers ruimtelijke orde-
ning wanneer zij, samen met de bevoegde ambtenaren van de Beneluxlanden
en -gewesten, werk maakten van de tweede Benelux-structuurschets. Liever
dat dan een vaag, nooit in te vullen beeld van een ruimtelijke ordening in het
Europa van de 25.

Een administratieve grens is ingebeeld. Zij werkt omwille van een verschil-
lende regelgeving en een andere aanpak, anders aan de ene kant van de grens
dan aan een andere. Ben Hennekam is van oordeel dat een grenspark, zoals
De Zoom-Kalmthoutse Heide, één geheel vormt en stimuleert de totstandko-
ming ervan. Hij staat aan de wieg van de Rijn-Schelde-Delta-projecten omdat
voor hem de grens geen belemmering mag zijn voor de economie in de grens-
regio of voor grote infrastructuurwerken.

Wie heeft met meer zin voor realiteit en respect voor de betrokkenen gepleit
voor de verdieping van de Westerschelde of voor de ingebruikname van de IJzeren Rijn?

Ik zou lang door kunnen gaan: grensoverschrijdend ambulancevervoer, samenwerking over
de grens heen van brandweerkorpsen en bij rampenbestrijding,
het openbaar vervoer, enz. De meeste projecten die vandaag de Beneluxlanden
en -gewesten/gemeenschappen binden, beantwoorden aan de criteria die een
real-politicus ervoor vooropstelde. Of wat gezegd van het besparende effect
van de dienstverlening door één land voor de twee andere partnerlanden in de
buitenlandse posten? Of over de vertegenwoordiging door één persoon van de
landen en de gemeenschappen in de internationale gremia die over jeudbeleid
handelen?

Een gedreven laborant, bouwend aan het Europa van morgen
Alleen al door nabuurschap bestaat er een veelheid aan samenwerkingsver-
banden tussen Nederland, België en Luxemburg. Deze samenwerking bestaat
van het hoogste politieke niveau tot de meest kleinschalige grensoverschrij-
dende projecten. De betrekkingen tussen onze drie landen kunnen met recht
zeer intensief worden genoemd. Het Secretariaat-Generaal Benelux speelt
daarbij een hoofdrol en Benelux vervult op die wijze een laboratoriumfunctie
voor Europa. Het is vanuit die optiek als het ware de proeftuin voor Europa
en een initiator van projecten van nauwere samenwerking met andere EU-
lidstaten.

Met enige realiteitszin, en voortgaand op het hoger vermelde, beseffen wij dat
de strijd tegen de carrousel fraude, of de controle op de reglementering van het
zwaar wegvervoer, of de strijd tegen de drugshandel, of de afstemming van de
elektriciteitsconnecties, of de ruimtelijke planning tussen twee grootsteden,
enz. niet voor gans Europa gelijktijdig en gelijkwaardig kan worden toegepast.
Hoewel de Europese richtlijnen een zelfde kader voor elke lidstaat tekenen, is
de implementatie ervan toch niet altijd hetzelfde.
Om deze reden heeft de heer Hennekam voortdurend het Benelux-kader voor-
opgesteld, om zodoende als Beneluxlanden en/of gewesten/gemeenschappen
vooruitgang te kunnen boeken.

Hoe het Schengen-akkoord zijn invulling kreeg, hoef ik niet te benadrukken,
tenzij deze toevoeging: de regeling van het vrij verkeer van personen was eerst
op enkele lidstaten van toepassing alvorens veralgemeend te worden. Ik hoop
dat niemand de voortrekkersrol van her Secretariaat-Generaal Benelux hierbij
vergeet.

Ook groeide de laatste jaren het besef dat de strijd tegen de grote fiscale fraude
door de drie Beneluxlanden samen moet worden aangepakt, soms ook samen
met de Duitse of de Franse buren. De Benelux+-idee, het samenwerkingsver-
band tussen de drie Beneluxlanden uitgebreid met Frankrijk en Duitsland
in de grensgebieden van deze buurlanden, groeide zienderogen. De samen-
werking op het gebied van energie, opgestart in 2005, is er een prachtige
illustratie van. Of wat gezegd van het project Euro Contrôle Route waar nu
reeds een tiental Europese landen aan meewerken en er op dit ogenblik nog
enkele als actieve waarnemers in de wachtkamer zitten. Dit project beoogt een
afstemming op de controle op het wegvervoer, de vorming van de contro-
leurs, de verbetering van de regelgeving.
Onder de drijvende kracht van Secretaris-Generaal Ben Hennekam is het
Secretariaat-Generaal een laboratorium gebleven voor Europa. Bovendien
kan de Benelux-zoektocht in de genoemde domeinen soms als een inktvlek
verbreed worden naar andere Europese landen.

Een leider met verantwoordelijkheidszin
Gedurende 16 jaren een bedrijfje leiden is geen sinecure. Tijdens de Schengen-
periode gebeurde dit zelfs met het dubbel aantal ambtenaren, waaronder de
meesten niet-Benelux-burgers. Deze ambtenaren kenden alleen hun eigen
statuut en hun eigen manier van werken. Ben Hennekam slaagde er toch
in allen in het gareel te laten lopen, volgens dezelfde regels te laten werken.
Hiervoor hanteerde hij slechts één vuistregel: iedereen gelijk in gelijke omstan-
digheden. Het management dat het Secretariaat-Genetaal jaren kende, heeft
ertoe geleid dat het Secretariaat-Genetaal geroemd werd om de juiste, objec-
tieve en neutrale verslaggeving en de hoogstaande vertaal- en tolkdiensten.
Omwille van het puike werk van het personeel, dreigde op bepaalde momenten
het Secretariaat-Genetaal alleen als goedkope dienst gebruikt te worden. Zo
verging het met de ambtelijke commissie Ijzeren Rijn, waar wij de nota-
risfunctie op ons namen maar geen stuurkracht hadden om tot een doel te
komen, om continuïteit in de werkzaamheden te leggen.

Zo leverde het Secretariaat-Generaal Benelux gedurende een lange periode de
Internationale Schelde- en Maascommissies goede en goedkope taaldiensten
zodat de vraag kan worden gesteld of beide commissies niet even efficiënt en
zeker budgettair voordeliger konden opereren binnen het Benelux+-verband.
Wanneer in de aangehaalde voorbeelden te zeer geprofiteerd werd van het
Secretariaat-Generaal greep de heer Hennekam in: hij nam zelf deel aan de
werkzaamheden van de commissies en stelde een financieel reglement op om
et verlenen van taaldiensten in de juiste banen te leiden zodat de Scheldeco-
missie afzag van de Benelux-diensten en de Maascommissie daarentegen ook
een beroep deed op de inhoudelijke deskundigheid van onze ambtenaren. Dit
vereiste verantwoordelijkheidszin
In 2006, op het einde van zijn beleidsperiode, werden de diensten van het
Secretariaat-Generaal geherstructureerd, met meer aandacht voor de actuele
politieke behoeften zoals ondermeer de veiligheid. Hiermede toonde de heer
Hennekam aan dat hij heikele en delicate aangelegenheden, zoals de herinde-
ling van werkvelden en de herschuiving van mensen niet aan de opvolger over
wou laten. Gezien de zorg om het werk van het Secretariaat-Generaal door-
zichtiger en efficiënter te maken, heeft hij deze operatie zelf geleid.

Daarnaast was de heer Hennekam 16 jaar lang het gezicht van het Secre-
tariaat-Generaal van de Benelux Economische Unie of noem ik het beter
van de Benelux-samenwerking. Hij was omnipresent. Zo camoufleerde
hij een beetje het zwakke punt van het Benelux-Secretariaat-Generaal: een
intergouvernementele instelling die logistieke diensten verleent maar geen
gemeenschappelijke standpunten kan naar buiten brengen. Hij compenseerde
door zijn publiek optreden vaak het gebrek aan profilering van het Secreta-
riaat-Generaal. Kortom, hij genoot een brede bekendheid.

Dit “liber amicorum”, met getuigenissen over de Benelux en over zijn uittre-
dende Secretaris-Generaal, laat toe terug te blikken op het verleden en door te
dromen naar de toekomst.
Voor de heer Hennekam is het een oprechte dankbetuiging, voor zijn opvolger
de introductie in een nieuwe wereld met nieuwe uitdagingen. Met veel vriend-
schap wens ik de eerste een goede gezondheid, veel genegenheid in zijn warme
gezins- en vriendenkring toe en veel succes in alles wat hij nog zal onder-
nemen. Aan de tweede verzeker ik dat de verwachting hoog ligt, maar dat een
team enthousiaste en deskundige medewerkers klaar staat ter ondersteuning
in de zware opdracht.

Eddy Baldewijns;  
 

22. Boeknummer: 00155  
Monument Brabantse gesneuvelden te Waalre
Oorlog -- Tweede wereldoorlog           (2009)    [Brennand Communciatie]
Monument Brabantse gesneuvelden te Waalre

Waalre’s oudste kerkje als Provinciaal Gedenkteken voor Brabants Gesneuvelden
Aan de zoom van de markt in Waalre ligt verscholen in het groen het
oude Sint-Willibrorduskerkje. Bezoekers ervaren direct al bij binnen-
komst een bijzonder gevoel. Het licht valt op een speciale wijze door de
gebrandschilderde ramen en speelt, zeker bij zonnig weer, een boeiend
spel op de rode plavuizen vloer, de tufstenen muren en de romaanse
raampjes met slingerglas. Het bakstenen altaar straalt eenvoud uit en
het kleine sierlijke pijporgel maakt de sfeer compleet. Dat bijzondere
gevoel heeft ongetwijfeld ook te maken met de monumentale grafsteen
in een verhoogd gedeelte van het kerkje, omringd door houten rouw-
borden. Hierin hebben twee plaatselijke kunstenaars alle namen uitge-
sneden van gesneuvelde Brabantse militairen en verzetsstrijders. Onder
de grafsteen ligt een Brabantse soldaat die bij Rotterdam is gesneuveld.
Hier, op deze plaats, komen de historie van dit kerkje en die van de 20e
eeuw samen. Wij bevinden ons in een monument ter nagedachtenis
aan de Brabantse militairen en verzetsstrijders die gevallen zijn in de
tweede wereldoorlog: de zwaarste aanval op onze beschaving die ooit
heeft plaatsgevonden.
Maar ook de gesneuvelden uit voormalig Nederlands Oost-Indië, Korea,
voormalig Nederlands Nieuw-Guinea en zij die stierven onder de vlag
van de Verenigde Naties worden hier herdacht. Hun namen zijn aan de
rouwborden toegevoegd.

Stichting Herdenking Brabantse Gesneuvelden/Provincie Noord-Brabant;  
 

23. Boeknummer: 00160  
Brabant bestaat niet. Fotoboek. Joyce van Belkom, Korrie Besems, Piet den Blanken, Jos Lammers
Historie -- Informatie Brabant           (2006)    [A.J. Bijsterveld A.J., Zoete H. e.a.]
Brabant bestaat niet

Brabant bestaat niet
Brabant zoals het in de hoofden van veel mensen nog leeft, bestaat niet. De provincie waar het landelijke en gemoedelijke de boventoon
voeren, waar het boerenbedrijf nog de drager is van de economie en waar de foto’s van Martien Coppens, weliswaar met enige aanpassing,
nog model voor zouden kunnen staan, bestaat niet meer. Het is de vraag, of dit romantische cliché ooit echt heeft bestaan, maar zeker
is, dat het nu geen realiteit meer is.
De westerse wereld gaat er bijna overal hetzelfde uitzien. Binnensteden worden gedomineerd door identieke gebouwen.
Warenhuisketens bepalen in de huiskamers en tuinen het beeld. Op allerlei plekken rukken de grote en middelgrote steden het landschap
in met voorspelbare of minder voorspelbare, bijna surrealistisch aandoende vinexlocaties.
Dorpen transformeren tot regiokernen met een autoloos winkelcentrum en een ringweg. Of ze raken alle voorzieningen en sociale
samenhang kwijt en verdorren tot geïsoleerde luxe slaapplekken. Tussen de zogenaamde regiokernen expanderen de bedrijventerreinen.
Wat eens land of tuinbouw was, is nu onderdeel van een groot industrieel complex.
Ook in Brabant identificeren jongeren zich met allerlei internationale muziekstromingen en subculturen.
Via internet communiceren ze met elkaar ver buiten de grenzen en oriënteren ze zich op levensstijlen en opvattingen over heel de wereld.
Op allerhande manieren en via de diverse media worden ze voortdurend geconfronteerd met een gigantische draaikolk van invloeden.
Eén grote, urbane en mondiale cultuur.
Een fotoproject
Ergens op een mooie zondagmiddag in de zomer van 2004 bedachten Jos Lammers en Piet den Blanken dat het geen slecht idee zou zijn,
om samen met andere fotografen uit Noord-Brabant te werken aan één project. Fotograferen is een eenzaam vak. Kans op reflectie is er
nauwelijks en de mogelijkheid om elkaar te stimuleren doet zich zelden voor. Na ruggespraak met Hans Zoete werden Joyce van Belkom
en Korrie Besems benaderd. Er werd een plan geboren: Brabant Bestaat Niet, een visueel onderzoek naar de vermeende identiteit van
Brabant.
Vier fotografen, met ieder een eigen invalshoek en een duidelijk eigen visie en signatuur, werkten van dat moment af samen
aan een reizende tentoonstelling en een fotoboek over de verandering van een voornamelijk agrarische provincie in een gebied waar
verstedelijking, industrialisering en technologie om de voorrang vechten.

Stichting Per Se;  
 

24. Boeknummer: 00166  
Beter laat dan nooit. 150 jaar spoorwegen in en om Breda
Spoorwegen -- Station Breda-Prinsenbeek           (2005)    [Marius Broos]
Beter laat dan nooit

Inleiding
Op 1 mei 2005 was het precies 150 jaar geleden dat Breda vanuit Antwerpen
over Roosendaal een verbinding kreeg met het zich sterk uitbreidende spoor-
wegnet in België. Met het oog op dit feit is het nuttig en interessant kennis te
nemen van de ontwikkelingen in het verleden en dat des te meer nu er in
2007 een rechtstreekse treinverbinding tussen Breda en Antwerpen zal worden
geopend. Was dit anderhalve eeuw geleden het geval geweest, dan had
Breda zich ongetwijfeld heel anders ontwikkeld. Nu bleef de stad op spoorweg-
gebied in de schaduw staan van Roosendaal. Terecht geldt hier het
spreekwoord 'Beter laat dan nooit', vandaar de titel van dit boekwerk. Het was
niet de eerste keer dat Breda geduld moest hebben. Het duurde ook een
halve eeuw, voordat in 1975 het project 'Breda Hoogspoor' compleet met een
nieuw stationsgebouw werd opgeleverd.
Wie over spoorwegen schrijft, ontkomt niet aan het belichten van politieke en
economische ontwikkelingen in binnen- en buitenland; zeker voor Breda is dat
het geval. Dat Breda in 1855 een spoorwegverbinding kreeg met Antwerpen,
lag aan het streven van de Belgische havenstad naar goede verbindingen
met het achterland. Dit initiatief bracht Breda het eerste station aan de westzij-
de van de Mark (1855-1866). Een stagnerende nationale economie noodzaak-
te de Nederlandse regering tot het in eigen beheer aanleggen van spoorwe-
gen; een eerste stuk Staatsspoorweg werd in 1863 tussen Breda en Tilburg
geopend. In 1866 volgde de lijn naar Moerdijk. Het ten oosten van de Mark
gelegen tweede station zou 110 jaar dienst doen (1864-1974). Aanvankelijk
was de lijn uit Roosendaal strikt gescheiden van die naar Tilburg en
Moerdijk; pas in 1866 is er sprake van één station.
Een verhaal over anderhalve eeuw spoorwegbedrijf is niet los te zien van
de andere middelen van vervoer. Vóór de opkomst van de trein waren dat
onder meer diligences, wagendiensten en vrachtkarren. Na 1880 zorgden paar-
den- en stoomtrams in goede harmonie met de trein voor het aansluitend ver-
voer, zodat het spoorwegbedrijf zo optimaal mogelijk kon functioneren. Veertig
jaar later kwamen autobussen en vrachtauto's als concurrent op de markt.
Pas na 1960 werd het spoorwegbedrijf in een marginale rol gedrongen, toen
ook particuliere auto's en vliegtuigen het heft in handen gingen nemen. Dit
alles ging niet aan Breda voorbij.

Gemeente Breda. Erfgoedreeks nr. 2;  
 

25. Boeknummer: 00169  
Van Vereniging Wit-gele Kruis naar zorgorganisatie
Zorg -- Wit-Gele Kruis           (2009)    [Stoffel Vermunt, Wout Timmers]
Van Vereniging Wit-gele Kruis naar zorgorganisatie

Inleiding
Oorspronkelijk was het de bedoeling een kort artikel te schrijven
bij gelegenheid van het gouden jubileum van het gebouw aan de
Julianalaan 9. De basisgegevens daarvoor werden verzameld en
opgetekend door Wout Timmers en bewerkt en uitgewerkt door
Stoffel Vermunt.
Toen zij ook de notulen lazen kwamen ze tot de conclusie dat de
voorgeschiedenis zeker zo interessant was. Dit had tot gevolg dat de
gehele geschiedenis nu is geschreven. Dit werd mogelijk door de vele
gesprekken met betrokkenen en door het gebruik van het archief van
het Wit-Gele Kruis (o.a. notulenboeken), het archief van de familie
Watzeels en Henk van Berkel. Ook informatie uit de boeken van: “Zij
die van wijken weten” van Toon Kortooms en “Het Wit-Gele Kruis
in Oudenbosch” van Kees Wijnen. De informatie is verzameld in
2007 en 2008. Latere ontwikkelingen zijn niet meegenomen. Uit de
notulenboeken zijn soms originele teksten opgenomen waardoor de
teksten wat afwijken.
N.B. De per I januari 2002 ingevoerde Euro-munt vertegenwoordigde ±fl. 2.20
Van ZUSTER tot ZORG
Zorg via de vereniging Wit-Gele Kruis Beek tot de zorg vanuit de
zorgorganisatie Thebe Mark en Maasmond. Van hulppost op Markt 3
via Wit-Gele Kruis gebouw in de nieuwbouw Julianalaan 9 in 1958
tot wijkgebouw nu na 50 jaar in 2008.
Het Kruiswerk ontstond in 1875. Om de tyfusepidemie in die dagen
te bezweren riep de Inspecteur Volksgezondheid, de heer Jac. Penn,
in de provincie Noord Holland het volk op mee te werken in de strijd
tegen die gevaarlijke besmettelijke ziekte. Uit deze gezamenlijke
actie ontstond Het Witte Kruis.
Men bouwde badhuizen waar mensen konden douchen,
ontsmettingsovens om kleren, gebruiksvoorwerpen, verpleegspullen
en dergelijke te zuiveren en men nam uitleenmagazijnen in gebruik.
In badhuizen hingen plakkaten op waar beleefd doch dringend werd
verzocht:
le Geen warm water te verspillen en de kraan dus niet te openen
voordat men ontkleed is
2' Niet langer dan voor mannen 20 minuten en voor vrouwen 25
minuten in de badkamer te blijven.
Onduidelijk is waarom dit verschil van vijf minuten.
In 1900 werd in Zuid-Holland Het Groene Kruis opgericht. Deze
vereniging had zijn basis bij de protestants-christelijke bevolking.
Het Limburgse Groene kruis steunde op strikt katholieke basis.
Bijna alle facetten van de gezondheidszorg werden door het
Kruiswerk behartigd zoals: bestrijding van besmettelijke ziekten met
als volksziekte nummer één de tuberculose. Verder zuigelingenzorg,
kleuterzorg, kraamverzorging, bestrijding van geslachtsziekten, zorg
voor lichamelijke en geestelijke misdeelden.
In 1911 gingen Het Witte Kruis en Het Groene Kruis samen onder de
naam Algemene Nederlandse Vereniging Het Groene Kruis.
In 1916 werd het Wit-Gele Kruis opgericht op katholieke grondslag.
Er kwamen provinciale bonden en diocesane federaties.
In 1967 kwam de Stichting Samenwerkende Landelijke
Kruisverenigingen tot stand.
In de loop der jaren verdween de naam Wit-Gele Kruis meer en meer.
De algemene aanduiding “Kruisvereniging” werd gebruikelijk. Het
kruiswerk ontkleurde. Centrum van de lokale gezondheidszorg is
“het wijkgebouw”. Het wijkgebouw wordt gebruikt voor spreekuren
voor “bureaus” van zuigelingen en kleuters onder leiding van huisarts
en of wijkverpleegkundige en als kantoor voor de medewerkers.
Daarnaast maakte ook de gemeente hiervan gebruik voor bv. het
geven van vaccinaties.
De Kruisverenigingen werken landelijk, provinciaal, regionaal en
vroeger plaatselijk. De provinciale verenigingen hielden zich bezig
met de bestrijding van volksziekten.
De naam Kruisvereniging komt als werkorganisatie bijna niet meer
voor. Door fusies zijn ze vaak opgenomen in grote zorgorganisaties
die naast de thuiszorg ook vele andere vormen van zorg aanbieden.
Daarnaast zijn er nog wel ledenorganisaties zoals de Ledenservice
Mark en Maasmond en hierin afgeleid het lidmaatschap van de
plaatselijke Kruisvereniging Prinsenbeek
Het staat als een paal boven water dat mede door het Kruiswerk,
Nederland een vooraanstaande plaats inneemt op de “wereldranglijst
van de georganiseerde gezondheidszorg”.

Heemkundekring Op de Beek;  
 

26. Boeknummer: 00170  
Dorpsgids Prinsenbeek 2005
Overheid -- Gemeentegids           (2005)    [ ]
Dorpsgids Prinsenbeek 2005

De Dorpsgids voor Prinsenbeek
De Dorpsraad van Prinsenbeek biedt u deze informatiegids
aan. Het is een handzaam boekje met de namen, adressen en
telefoonnummers van de talrijke stichtingen en verenigingen
die op velerlei gebied actief zijn in ons dorp. Wij hopen
hiermee tegemoet te komen aan een veel gehoorde behoefte
om belangrijke informatie snel bij de hand te hebben. Geef
het boekje een vaste plaats bij uw telefoon, want daar zult u
het toch het meest gebruiken.
Het samenstellen van de gids was geen gemakkelijke zaak. Het
heeft veel moeite gekost om de goede gegevens te
verzamelen. En als je er een punt achter zet, weet je al bij
voorbaat dat de inhoud niet 100% compleet en correct zal
zijn! De Dorpsraad heeft dan ook de intentie om op gezette
tijden de gids te vervolmaken en te actualiseren. Uw
aanvullingen en/of correcties zijn daarom altijd welkom.
Dit boekje is een zichtbaar product van de inspanningen van
de Dorpsraad. Zij is verder actief op een groot aantal
verschillende terreinen die het algemeen belang dienen, maar
dat is veelal onzichtbaar. Door de kleine verslagen in Modern
Prinsenbeek en door het houden van openbare vergaderingen
houden wij u daarover zo goed mogelijk op de hoogte.
Gelukkig weten steeds meer "Bekenaren" ons ook direct te
vinden en dat motiveert ons enorm. Uw belangstelling voor
de Dorpsraad is essentieel, wees daarvan overtuigd!
Gé Brogtrop
Voorzitter

PS Uw op - en aanmerkingen kunt u geven aan alle dorpsraadsleden.
Daardoor kan de volgende uitgave alleen maar verbeteren. In ieder
geval gaan we dan proberen ook de email gegevens erbij te
vermelden.

 ;  
 

27. Boeknummer: 00172  
Het nut ging voor de sier. Boerenerven in Noord-Brabant
Monumenten -- Boerderijen           (2005)    [George Dirven, Stan Elings]
Het nut ging voor de sier.


VOORWOORD
In 1986 gaf onze Boerderijenstichting een boekje uit met de titel "Boerenerven".
Kees Elings, tuin- en landschapsarchitect, beschreef hierin het gemiddelde
boerenerf, dat ook toen al nog maar sporadisch voorkwam. Inmiddels zijn we bijna
20 jaar verder. In die periode zijn de meeste van de nog resterende traditionele
boerenerven verdwenen. In die periode is echter ook meer studie gemaakt van het
boerenerf. Zo zag de Stichting Werkgroep Boerenerven het levenslicht.
O.a. het Nederlands Centrum voor Volkscultuur wijdde in 2001 een publicatie aan
het boerenerf.
Ook binnen onze Stichting ontstond de behoefte om op basis van de toegenomen
kennis over het traditionele boerenerf een nieuwe uitgave voor te bereiden.
Immers, naast de boerderij en de bijgebouwen behoort ook het erf tot ons cultureel
erfgoed. Veel boerderijen en nog meer bijgebouwen zijn in de afgelopen decennia
gesloopt of onoordeelkundig verbouwd. Maar ook bij de nog bestaande boerderijen
is het traditionele boerenerf verdwenen en vaak vervangen door een villatuin.
Met ons boekje "Het nut ging voor de sier. Boerenerven in Noord-Brabant." willen
we allereerst vastleggen uit welke onderdelen het boerenerf bestond en welke
de functies waren van die verschillende onderdelen. We willen ook verduidelijken
waarom verschillende van die functies door o.a. landbouwkundige en technische
ontwikkelingen veranderden of verdwenen. Daarnaast beogen we met de adviezen
en tips in het tweede gedeelte van het boekje te bereiken dat boerderijbewoners
toch iets van het traditionele boerenerf bewaren of terugbrengen en soms nieuwe
functies geven aan oude erfonderdelen. Eén van onze bestuursleden, George
Dirven, beschreef het traditionele boerenerf en de oorzaken van het verdwijnen
hiervan. Samen met tuin- en landschapsarchitect Stan Elings formuleerde hij de
aanlegadviezen. Stan Elings stelde de beplantingslijsten samen.
Via het Monumentenhuis Brabant ontvingen we uit het door de provincie voor het
Jaar van de Boerderij beschikbaar gestelde budget een subsidie, die deze uitgave
mede mogelijk maakte. De Stichting Historisch Boerderij - Onderzoek te Arnhem
(SHBO) stelde ons opgetekende boerenerven uit Noord-Brabant ter beschikking,
waarvan we er een aantal na bewerking in ons boekje opnamen.
We hopen zo een aantrekkelijk boekje te hebben samengesteld. We hopen echter
vooral dat we in de komende jaren hier en daar bij boerderijen in onze provincie
toch weer elementen van het traditionele boerenerf zien terugkeren of nog liever
totaal gereconstrueerde erven. Daarmee zouden de betrokken boerderijbewoners
zeker een bijdrage leveren aan de aantrekkelijkheid van het Noord-Brabantse
platteland.
Wij wensen u ook veel lees- en kijkplezier.
Oisterwijk, september 2005.
Het bestuur.

Boerderijenstichting Noord-Brabant;  
 

28. Boeknummer: 00179  
Van Alphen en aanverwante families
Personen -- Personen m-n-o-p           (2010)    [Johan van der Made]
Van Alphen en aanverwante families

Inleiding
Van Alphen was in het verleden ruim vertegenwoordigd in
Wagenberg en Terheijden. Ook in Made en op Zwaluwe is de
familienaam niet onbekend. Ze kwamen voor in alle lagen van de
bevolking. Opvallend is dat het merendeel van hen in staat was om
zijn of haar naam te schrijven, iets wat tot ver in de 19e eeuw niet
iedereen gegeven was.
De meest voorkomende beroepen waren aanvankelijk
wagenmaker en ook bouwman, de oude benaming voor land-
bouwer. Verder herbergiers, winkeliers, kleermakers, smeden, een
koetsier en uiteraard veel arbeiders en ook een fabrieksdirecteur.
Opvallend is dat zowel de harmonie van Wagenberg als die van
Made hun verenigingslokaal hadden bij een.... Van Alphen.
Dochters kregen bij huwelijk een andere familienaam. Ook veel
van hun nakomelingen zijn in dit boekje opgenomen. In die
familietakken zien we zoal een molenaarsknecht, een rietdekker,
een bakker, een strater, een pakdrager, een visser, een voerman,
een schuitenvoerder, een gemeentesecretaris, maar ook smeden,
metselaars, timmerlieden, vlasboeren, priesters en een
huisschilder.
Elk hoofdstuk is een aparte familie Van Alphen. De onderlinge
verwantschap is tot nu toe niet gevonden. Begonnen wordt met
de oudst bekende persoon. Vóór de namen van gezins- hoofden
staan Romeinse cijfers. Deze geven het nummer van de generatie
aan. Vanaf generatie II zijn daar letters aan toegevoegd om de
volgorde aan te geven binnen die generatie in de verschillende
familietakken. De overzichten zijn gegenereerd met Aldfaer versie
3-5-3-
Ter verduidelijking zijn aan het begin van elk hoofdstuk een of
meerdere schema's opgenomen. Met behulp van die schema's
kunnen personen worden opgezocht. Staat er in zo'n schema
bijvoorbeeld vóór de naam III c dan is deze persoon te vinden in de
derde generatie.
Achter in dit boekje is een namenlijst toegevoegd van aan-
getrouwde families met verwijzing naar de bladzijden.
Uit oogpunt van de privacy eindigen de overzichten ongeveer een
driekwart eeuw geleden. Toch zullen vele lezers er hun grootouders
in kunnen ontdekken. Helaas is een stamboom nooit volledig en zo
ook dit boekje, want steeds kun je weer nieuwe ontdekkingen doen.
Tot slot spreek ik mijn dank uit aan iedereen die mij tijdens mijn
onderzoek op de een of andere wijze van informatie heeft
voorzien.

Heemkundekring De Vlasselt;  
 

29. Boeknummer: 00214  
Cultuur Historisch Erfgoed 2009
Historie -- Informatie Brabant           (2009)    [Pim Kisjes communicatie]
Cultuur Historisch Erfgoed 2009

Geachte lezer,
Met veel genoegen verwelkomen wij u in de nieuwe editie van onze jaaruitgave 'Cultuur
Historisch Erfgoed'. In deze uitgave bieden wij u een keur aan artikelen over uiteenlopende, thans
in ontwerpkringen actuele, onderwerpen aan. De artikelen zijn met zorg geschreven en samengesteld
ondermeer aan de hand van vraaggesprekken met insiders als ambtenaren, beleidsmakers en
vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven. Wij bedanken hen voor hun medewerking aan de
totstandkoming van deze uitgave.

Nieuw is de indeling van de redactionele kolommen met een viertal landelijke thema's en een breed
scala aan regionaal spelende onderwerpen. Voorts vindt u in deze uitgave een groot aantal handige
adressen van bedrijven die daarvoor hebben betaald en graag voor u aan het werk willen gaan.
Wilt u reageren op de inhoud, of heeft u suggesties voor de volgende uitgave, dan verzoeken wij u
vriendelijk deze per e-mail te willen richten aan ons redactieadres: pim@kisjes.info
Wij wensen u veel leesplezier en goede zaken.
De uitgever.

Innovision Media Zutphen;  
 

30. Boeknummer: 00217  
Petrus van Schendel. Koopmanszoon en kunstschilder 2006
Personen -- Personen m-n-o-p           (2006)    [Wilma van Giersbergen e.a.]
Petrus van Schendel (1806 - 1870) koopmanszoon en kunstschilder
Zijn leven, werken en familie

Inleiding
Dat in Zundert de kunstschilder Vincent van Gogh werd geboren, die leefde van 1853 tot 1890, is wel bekend. Zijn vader
was dominee. Minder bekend is dat in Made de kunstschilder Godfried Schalcken (1643-1706) werd geboren; zijn vader was
eveneens dominee. In Hooge Zwaluwe zijn zeker drie kunstschilders geboren. Dat zijn: Pieter Kleijn (1785-1816), zoon van
een dichter; Johannes Vogel (1828-1915), zoon van de burgemeester en Hendrik Bakker (1843-1893), zijn vader was
dokter. Net als in Made met de naam van Schalcken vinden we in Hooge Zwaluwe de familienamen Kleijn en Vogel terug in
straatnamen. Door middel van ondermeer dit boekje willen we een Terheijdenaar onder de aandacht brengen, die ook kunst-
schilder is geweest en een straatnaam heeft gekregen.
Petrus van Schendel werd geboren in Terheijden en wel ter plaatse van Raadhuisstraat 91-93. Daar was zijn vader
herenboer en koopman in granen. Zijn voorouders van vaderskant waren landbouwers en woonden in Terheijden en op
Wagenberg. Hij verloor zijn vader al op 11-jarige leeftijd. Vanaf 1821 woonde Petrus in Breda. Zijn moeder ontwikkelde haar
zakelijk instinct en werkte in Breda als winkelierster en was kraamster op de markt Omdat Petrus zijn vader al op jonge
leeftijd verloor, kan de band met zijn moeder hechter zijn geworden. In elk geval was zij voor hem een duidelijke
inspiratiebron. Op een aantal van zijn schilderijen is namelijk een marktkoopvrouw afgebeeld. Een heel mooi voorbeeld is de
Jaarmarkt op de Grote Markt in Breda (afbeelding 23).
Toen Petrus 16 jaar was ging hij studeren aan de Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en kon er zijn talenten verder
ontwikkelen. Daarna woonde en werkte hij in Breda, in Amsterdam, in Rotterdam en Den Haag. Vanaf 1845 woonde hij met zijn
inmiddels grote gezin in Brussel.
Hij werd gezien als een meester op het gebied van minutieus uitgevoerde tafereeltjes bij kaars-, lamp- en maanlicht en ook
wel bij fakkellicht en open vuur. In deze stijl maakte hij historiestukken, portretten en heel veel markttaferelen bij avond.
Al tijdens zijn leven werd zijn werk zeer gewaardeerd. Hij maakte er in heel Europa naam mee. Hij won prijzen in
Amsterdam, Brussel, Parijs en Manchester. De Engelsen noemden hem “the Master of Candlelight”. In Frankrijk was hij
bekend als 'Monsieur Chandelle’, (meneer kaars), wat ook een verbastering is van zijn achternaam.
Naast kunstschilder wordt Petrus van Schendel ook genoemd als wetenschapper en schrijver. Zo heeft hij met zijn kwaliteiten
van werktuigkundige de voortstuwing van stoomvaartuigen verbeterd. Daarvoor werd hem octrooi verleend in 1841. Hij
heeft geschreven over het ontginnen van heidevelden in de Kempen en het zijdelings schudden van spoorrijtuigen. Voor
kunstenaars schreef hij een cursus perspectief en een met eigen etsen geïllustreerd boek over gelaatsuitdrukkingen. In
1869, een jaar voor zijn dood, schilderde hij nog een statig zelfportret, te zien in het Breda’s Museum. Het stapeltje boeken
onder zijn hand verwijst naar zijn activiteiten als schrijver en wetenschapper.
Hij heeft met zijn vele talenten ook een hoge plaats weten te bereiken op de maatschappelijke ladder en hij verkeerde in de
hoogste kringen. Zijn kinderen en kleinkinderen hebben die talenten meegekregen en daarmee functies op wereldniveau
vervuld.
Tot slot: Ook in Europese vorstenhuizen was Petrus geen onbekende. Dit bleek weer eens toen eind 2005 een kasteel in
het Duitse Hannover werd leegverkocht door het veilinghuis Sotheby's in Amsterdam. In de berichtgeving werd ondermeer
aandacht gevraagd voor de Vismarkt en een Appelkoopvrouw van Petrus van Schendel, de "King of Candlelight".
Zijn werken hangen in musea, in kerken en in particuliere verzamelingen, verspreid over de gehele wereld. En in
kunstenaarskringen is hij nog altijd bekend: Petrus van Schendel, die koopmanszoon uit Terheijden.

Heemkundekring De Vlasselt;  
 

 

Uitgebreid zoeken

Zoekresultaat verdeeld over 2 pagina's, met elk (max.) 30 publicaties:

1   2       Volgende       Eind

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 22 november 2021