HEEMKUNDEKRING
OP DE BEEK
PRINSENBEEK

Beeldbank Bibliotheek

   
 

Heemkundekring 'Op de Beek' Beeldbank Bibliotheek Zoekresultaat

Aantal gevonden publicaties : 23   (uit: 542)


Uitgebreid zoeken
Gesorteerd op:  Boeknummer

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 00003  
West-Brabant in de Gouden Delta
Ruimtelijke-ordening -- West Brabant, streekplan           (1969)    [Kees Bastianen, Hans Lutz]
West-Brabant in de Gouden Delta. Plan voor toekomst van West-Brabant. Samenvatting van het voorontwerp van een globaal streekplan

Inleiding
Boekje open over morgen, over de toekomst van West-Brabant in ’s-Werelds grootste zeehavengebied, de Gouden Delta van Schelde, Maas en Rijn. Dit boekje is een samenvatting van het voorontwerp van
een globaal streekplan voor West-Brabant, een studie die de provincie Noord-Brabant in de lente van 1969 uitgegeven heeft.

Geen morgen zonder gisteren. Aan dit ontwikkelingsprogramma voor de komende twintig jaar is twintig jaar welvaarts- en welzijnsbeleid vooraf gegaan. De hoofdlijnen daarvan werden uitgezet in het ontwikkelingsprogramma voor Noord-Brabant van 1950, Noord-Brabant in het nieuwe westen van 1959, en Noord-Brabant, welvaartsbalans en ontwikkelingsplan-1965. In laatstgenoemde publikatie werd aangekondigd, dat de ruimtelijke ontwikkeling der provincie in vier globale streekplannen zou worden uitgewerkt. Het eerste van de vier betreft West-Brabant. In opdracht van Gedeputeerde Staten heeft een stuurgroep van deskundigen, onder leiding van gedeputeerde C. J. van Lienden,
boekje open
het voorontwerp opgesteld na overleg met vier regionale gespreksgroepen van burgemeesters. De bouwstenen zijn aangedragen door de Provinciale Planologische Dienst, geholpen door het Economisch Technologisch Instituut en het Provinciaal Opbouworgaan.

Het werkstuk, een kijk op de toekomst, is voorgelegd aan de burgers. Met de resultaten van deze vorm van inspraak - een experiment - wordt rekening gehouden bij de opstelling van het definitief ontwerp. Eventuele bezwaren kunnen dan worden ingediend bij Provinciale Staten, de Brabantse volksvertegenwoordiging die over het plan moet beslissen.
Dit boekje is gemaakt om iedereen in staat te stellen mee te denken, mee te praten, mee te beslissen. U vindt er het streekplan in, en de overwegingen op grond waarvan de stuurgroep tot haar keus gekomen is.
Tenslotte zult u zien, dat het ook anders kan. Een open boekje dus.

Provinciaal Bestuur van Noord-Brabant;  
 

2. Boeknummer: 00076  
Gids voor Prinsenbeek 1961.
Overheid -- Gemeentegids           (1961)    [P.J.Baetens]
Gids voor Prinsenbeek 1961.VOORWOORD
De Gids voor Prinsenbeek, welke hierbij door het Gemeentebestuur wordt aangeboden, beoogt voor U een zo volledig mogelijke informatiebron te zijn omtrent al datgene wat de gemeente te bieden heeft.
Niet alleen kunnen wij onze middenstandsbedrijven voor al Uw bestellingen aanbevelen, ook het verenigingsleven geeft middels dit boekje een beeld van wat het te bieden heeft.
Daarnaast kon niet worden gemist een passend overzicht omtrent het meer openbare leven, zoals dit zich uit in Kerk,Gemeente,Charitatieve-en Standsorganisaties.
Tot slot zal de bijgevoegde plattegrond met stratenplan U de landschappelijke verkenning vergemakkelijken.
Het boekje is losbladig gehouden. Het ligt in de bedoeling op het einde van ieder jaar de gebleken wijzigingen en aanvullingen middels wijzigingsbladen op te geven.
Moge voor hen die zich nieuw in de gemeente vestigen deze Gids een spoedige oriëntatie mogelijk maken.
PRINSENBEEK, januari 1961. DE BURGEMEESTER,
P. J.A.BAETENS.

Gemeentebestuur Prinsenbeek;  
 

3. Boeknummer: 00104  
Rijks HBS Breda 1867-1967. 100 jaar
Onderwijs -- Algemeen           (1967)    [H.J.Bouwman e.a.]
Rijks HBS Breda 1867-1967. 100 jaar

zie ook boek 00098 Gedenkboek Rijks HBS Breda 1867-1952

Lustrum-Comité
Het Lustrum-Comité dat eensgezind met vreugde de feestelijke viering van het 100-jarig bestaan van de Rijks-Hogere-Burgerschool te Breda heeft mogen voorbereiden, heeft gemeend, dat naast
de meerdere manifestaties die beogen de jonge en oudere leerlingen alsmede hen die de school hetzij kort of lang geleden hebben verlaten, werkelijk in dit Eeuwfeest te betrekken, er ook
geen onderbreking van de geschiedschrijving over de school mocht komen.

Nu in november 1967, vijftien jaar na de door de bezetting van ons Vaderland uitgestelde, maar daarom niet minder luisterrijke viering in 1952 van zowel het 75- als het 85-jarig bestaan van
de Bredase R.H.B.S. heeft het Lustrum Comité wederom een gedenkboek het licht doen zien, dank zij de ook nu weer spontane medewerking van velen die het wel en wee van hun oude school nog
steeds zo zeer ter harte gaat.

Het is de oprechte wens van het Comité, dat dit gedenkboek 1867-1967 tezamen met het eerste, dat het tijdperk 1867-1952 boekstaaft, voor allen die hun Bredase H.B.S. een warm hart toedragen,
een bezit zal zijn, dat bij hen al lezende gevoelens van grote waardering voor alles wat deze school met haar zo bekwame docenten hen, die toen aan het begin van hun levensweg stonden, heeft
medegegeven, zal opwekken. Moge dit boek bij de lezers beelden voor hun jonge of alreeds oudere ogen doen oplichten die hen met vreugde, wellicht soms vermengd met weemoed, hun H.B.S.-tijd
doen gedenken.
A. J. KUSELBOS,
voorzitter van het lustrum-comité

100-jaar rijks h.b.s.
Als rijksinspecteur, door de Minister belast met het toezicht op de rijks-hogereburgerschool te Breda, sta ik voor de moeilijke vraag, wie ik met wat moet gelukwensen. Hoewel het een enkele
maal wel eens voorkomt dat men zichzelf mag gelukwensen, is dit toch meestal niet te doen gebruikelijk.
Het komt mij voor dat bij deze gelegenheid de gemeente Breda het meest valt te feliciteren met het feit dat zij zo’n bloeiende rijksschool nu al 100 jaar binnen haar grenzen mag huisvesten.
Misschien voelt de gemeente wel een beetje nostalgie omdat zij in 1917 deze school aan het Rijk heeft overgedaan!

Behalve de gemeente Breda wil ik ook graag allen die in en aan deze school werken, directeur, leraren, bedienend personeel en leerlingen met dit honderdjarig bestaan feliciteren.
Naast het „proficiat” voor het honderdjarig bestaan als hogere- burgerschool-B, wil ik daar nog aan toevoegen een schouderklopje voor de „pas” vijftigjarige rijks-school en een aanmoediging voor
de jeugdige afdeling h.b.s.-A die 30 jaar geworden is !
Al deze gelukwensen gaan met een beetje weemoed gepaard. Wanneer de vroede vaderen van Breda één jaar getalmd hadden met het oprichten van deze school, dan was er nooit sprake geweest van een
honderdjarige hogere-burgerschool, maar was ze nu als 99-jarige de geschiedenis ingegaan.

Op 1 augustus 1968 immers gaat deze Rijks-h.b.s. verdwijnen om over te gaan in een Rijks-atheneum annex een Rijks-h.a.v.o.- school. Deze overgang zal van allen die op deze school de leerlingen
leiding geven, in de komende maanden zeer veel inspanning en energie vragen.
Voor het zover is hoop ik dat U allen met veel plezier en enthousiasme het feest van de honderdjarige rijks-hogereburgerschool in Breda zult vieren.
Leve de Rijks-h.b.s.
Leve het komende atheneum.
J. Groen
inspecteur v.h.m.o.

Uitg. Rijks HBS;  
 

4. Boeknummer: 00146  
De verdwenen sleutel van kabouterstad
Cultuur -- Boeken           (ca. 1970)    [Leo Stevens]
De verdwenen sleutel van kabouterstad (7 jaar en ouder)

Leo Stevens is een schrijver uit Prinsenbeek

EEN VREEMDE ONTMOETING IN HET LIESBOS
In dit boek wordt het avontuur verteld van drie jongetjes. Het eerste jongetje heet Stan. Stan is acht jaar. Hij
woont in Prinsenbeek. Prinsenbeek is een dorp in de buurt van Breda. Het ligt lekker rustig tussen grote
bossen. Het tweede jongetje heet Rob. Hij is zes jaar.
Rob is het jongste broertje van Stan. Hij woont natuurlijk ook in Prinsenbeek. Als de grote vakantie voorbij is gaat
Rob naar de grote school. Hij komt dan in de eerste klas bij juffrouw Kroes. Het derde jongetje heet Marlijn.
Martijn is vijf jaar oud. Hij is een neefje van Stan en Rob.
Hij woont in Neer. Neer is een klein plaatsje in Limburg.
Dat ligt wel op honderd kilometer afstand van Prinsenbeek. Martijn logeert bij Stan en Rob. Als de zomer-
vakantie voorbij is, gaat Martijn ook naar de eerste klas van de grote school. Als de grote vakantie bijna afge-
lopen is, wordt Martijn zes jaar. Hij is dan even oud als Rob. Maar Rob zegt dat hij toch lekker ouder is dan
Martijn, omdat hij eerder zeven jaar wordt. En dat klopt.
Martijn is al een paar dagen bij Stan en Rob aan het logeren. Dat is wel dapper van Martijn. Hij is nu immers
zó ver weg van huis, dat je niet even naar je pappa en mamma kunt fietsen. Maar Martijn denkt niet aan zijn
mamma en pappa. Hij heeft het veel te druk met het bouwen van de lego-trein en het timmeren van een

Uitgeverij Schenk Maastricht;  
 

5. Boeknummer: 00147  
De ontvoerde elfenkoning
Cultuur -- Boeken           (ca. 1970)    [Leo Stevens]
De ontvoerde elfenkoning (7 jaar en ouder)

Leo Stevens is een schrijver uit Prinsenbeek

EEN ONVERWACHTE BRIEF
Het is al enkele dagen erg warm in Prinsenbeek. Overdag is dat wel lekker. Maar ’s avonds is het dan erg
moeilijk om in slaap te vallen. Ook Stan kon niet slapen van de warmte. Hij rolde van de ene zij op de andere. Na
een hele poos viel hij eindelijk in slaap. Maar Stan merkte natuurlijk zelf niet dat hij sliep. Hij droomde het
ene avontuur na het andere.
Hij droomde dat de deur van zijn slaapkamer zachtjes op een kier werd geduwd. En dat kabouter Stippel
binnenstapte en hem aan zijn neus trok. Stan schudde even met zijn hoofd en blies alsof hij een lastige vlieg
wilde verjagen. Stan droomde wel vaker over kabouter Stippel. Stippel was de boodschapper van Koning
Goudbaard, de koning van Kabouterstad. Door kabouter Stippel zijn Stan en zijn broertje Rob en, Martijn het
neefje van Stan en Rob, te weten gekomen dat kabouters écht bestaan. In Prinsenbeek, midden in het Lies-
bos, is de geheime ingang naar Kabouterstad. Niemand weet waar die ingang is. Alleen Stan, Rob en Martijn
weten hoe zij de onderaardse gang naar Kabouterstad kunnen binnengaan. Maar zij zullen dat echt aan
niemand vertellen. Het is een geheim dat zij alleen, samen met de kabouters kennen.
Weer voelde Stan het gekriebel aan zijn neus. En weer schudde hij met zijn hoofd en maakte hij een blazend
geluid en... sliep weer verder... Opnieuw leek het, of

Uitgeverij Schenk Maastricht;  
 

6. Boeknummer: 00148  
Heks Fiskalia wil een supertoverstaf
Cultuur -- Boeken           (ca. 1970)    [Leo Stevens. Ill. Joop Walenkamp]
Heks Fiskalia wil een supertoverstaf (7 jaar en ouder)

Leo Stevens is een schrijver uit Prinsenbeek

BIJ OUDE VRIENDEN OP BEZOEK
In dit verhaal worden de avonturen verteld van Stan, Rob en Martijn. Stan en Rob wonen in Prinsenbeek.
Stan is een broertje van Rob. Hij is acht jaar oud. Hij zit in de tweede klas van de lagere school. Zijn broertje Rob is
zes jaar oud. Hij zit op de kleuterschool. Daar hoort hij nu bij de oudste kleuters. Martijn is een neefje van Stan
en Rob. Hij is ook zes jaar oud, net als Rob. Hij woont in ’s-Hertogenbosch. Daar woont hij echter nog maar pas.
Enkele dagen geleden is Martijn verhuisd. Hij woonde eerst in Neer, een klein plaatsje in Limburg. Maar ja, zijn
vader kreeg ander werk, en... hup, alles ging de grote verhuiswagen in. Op weg naar hun nieuwe huis in de
grote stad.
Sommige dingen van verhuizen zijn wel leuk. Alles in je huis wordt ingepakt in grote dozen. Alle kasten worden
uit elkaar geschroefd. Zelfs de lampen worden van het plafond en de muren gehaald. Ooms en tantes of buren
en kennissen komen helpen met inpakken. Sommige dingen kun je natuurlijk niet inpakken, maar die gaan
toch mee: de goudvis in zijn kom, en het konijntje in zijn hok. En natuurlijk wordt het hondje Briks ook niet ingepakt.
Maar je kunt niet alles meenemen als je verhuist. Je vriendjes en vriendinnetjes van school en van de straat
kun je niet meenemen. Ook de juffrouw van de klas

Uitgeverij Schenk Maastricht;  
 

7. Boeknummer: 00178  
Streekverbetering Haagse Beemden
Ruimtelijke-ordening -- Haagse Beemden           (1965)    [Oyen, A. van; Smits, L.; Broek N. v.d.]
Streekverbetering Haagse Beemden

voorwoord
Bij de totstandkoming van dit boekje ter gelegenheid van de afsluiting van de streekverbetering Haagse Beemden hebben meegewerkt de Heren A. v. Oyen, bedrijfstakdeskundige voor
de vollegronds groenteteelt van het Consulentschap voor de Tuinbouw, L. Smits, bedrijfsvoorlichter in een gedeelte van de Baronie van Breda, N. v.d. Broek, veilingassistent van de RBT
veiling te Breda.
Wij hopen, dat dit boekje, dat U vanwege de streekverbetering wordt aangeboden, voor U een nuttig werkje mag zijn, waarin een aantal punten worden aangestipt die wellicht waardevol zijn
voor Uw bedrijf.
Laat het op deze wijze een blijvend aandenken zijn aan de periode die achter ons ligt.
De sekretaris,
Ir. W.F.S. Duffhues

Cie Streekverbetering;  
 

8. Boeknummer: 00185  
Alg. ambtenarenreglement. Gem.Prinsenbeek
Overheid -- Gemeentegids           (1969)    [ ]
Alg. ambtenarenreglement. Gem.Prinsenbeek

INHOUD.
Hoofdstuk A Algemene bepalingen Artikelen A 1 - A 9 bldz.1 t/m 4
Hoofdstuk B Aanstelling Artikelen B 1 - B 7 bldz.4 t/m 7
Hoofdstuk C Bezoldiging Artikelen C 1 - C 13 bldz.8 t/m 18
Hoofdstuk D Werktijd, vakantie, en verlof Artikelen D 1 - D 17 bldz. 19 t/m 32
Hoofdstuk E Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en aan spraken bij ziekte Artikelen E 1 - E 31 bldz. 33 t/m 51
Hoofdstuk F Overige rechten en verplichtingen Artikelen F 1 - F 30 bldz. 51 t/m 62
Hoofdstuk G Disciplinaire straffen Artikelen G 1 - G 5 bldz. 62 t/m 65
Hoofdstuk H Schorsing en ontslag Artikelen H 1 - H 16 bldz. 65 t/m 75
Hoofdstuk 1 Overgangs- en slotbepalingen Artikelen I1 - I15 bldz. 75 en 76

Gemeente Prinsenbeek;  
 

9. Boeknummer: 00206  
Leer mij ze kennen..de Brabanders
Historie -- Brabant, algemeen           (1967)    [Jan Naaijkens]
Leer mij ze kennen...de Brabanders

Woord vooraf
Bij wijze van waarschuwing;
in de derde persoon . . .

De schrijver van dit boekje is geen geoloog, archeoloog, psy-
choloog of historicus, noch munt hij uit in kennis van het
heem, van de diepste beweegredenen der menselijke natuur,
van de religies of van welk ander gebied dan ook. Bijgevolg
toont dit werkje ernstige gebreken. Het is niet volledig, het is
onwetenschappelijk, het graaft niet tot de kern en het laat veel
onbesproken wat zonder twijfel het bespreken meer dan
waard zou zijn. Daar staat tegenover, dat de man geboren is
in het land en is opgegroeid te midden van de mensen over
wie het hier gaat. Hij leeft nog altijd tussen hen. Zijn voor-
zaten woonden er tot in een ver en grijs verleden; zijn talrijke
nazaten zullen wellicht uitzwerven over de wereldzeeën; maar
hijzelf hoopt hier eenmaal het moede hoofd neer te leggen,
ofschoon hij evenmin als Multatuli weet waar hij sterven zal.
Het dorp waar hij woont is een oud en schoon dorp, vol fouten
en tekortkomingen die de keerzijden van zijn kwaliteiten zijn,
en het heeft grote mannen voortgebracht. Het zal u dus duide-
lijk zijn dat dit boekje niet uit wetenschap of kennis, maar uit
liefde geboren is, de meest natuurlijke geboorte, dat wel.
Maar de liefde tot zijn land, die eenmaal ieder aangeboren
was, is enigszins suspect in deze tijd. Waarom dan wel? Is
liefde blind? Integendeel. De liefde ziet scherp en voor zover zij
niet de mantel hanteert die alles bedekt, kan zij prikkelen
waar zij dat heilzaam acht. Wel dwingt de liefde tot een per-
soonlijke keus. Val daarom de schrijver niet hard als de keuze
die hij in dit boekje herhaaldelijk moest maken, niet de uwe is.
En tenslotte: er was eens een man, die trouwde met een
vrouw wier neus scheef was. Althans, dat zeiden al de anderen,
maar voor hèm was de neus recht, mijne heren.
Die man, dat is deze schrijver. En hij verzoekt u beleefd te
willen kijken door zijn ogen, en dan zult u zien dat de vrouw
zijner keuze inderdaad een rechte neus heeft, zo recht als het
volmaakt geschapen orgaan ener Venus van Praxiteles.
Jan Naaijkens

Sijthoff Leiden;  
 

10. Boeknummer: 00212  
Liefde als wapen
Religie -- Mgr. Bekkers           (1966)    [Ton Oostveen]
Liefde als wapen. Herinnering aan Mgr Bekkers

Voorwoord
Toen de aankondiging van de verschijning van dit boek gepubliceerd werd, vroeg een collega me waarom ik me
geroepen voelde dit werk te ondernemen, en welke onthullingen wellicht te verwachten zouden zijn. Op de
laatste vraag kon ik antwoorden, dat de persoon van mgr. Bekkers veeleer een open bock dan een mysterie
was, zodat over zijn leven weinig werkelijke onthullingen mogelijk schijnen. En wat de eerste vraag betreft:
ik meen de bisschop persoonlijk vrij goed gekend te hebben, maar er zijn er zeer velen die datzelfde,
en vaak met nog meer recht, kunnen zeggen. Mijn rechtvaardiging voor het schrijven van dit boek, zo kort na
het sterven van de geliefde bisschop, is vooral mijn bewondering voor mgr. Bekkers.
Ik mocht hem uit hoofde van mijn functie bij de Brabantpers vele malen ontmoeten en interviewen,
ik volgde als vele anderen geboeid zijn initiatieven ter bevordering van een werkelijke dialoog binnen de katho-
lieke kerk en naar buiten, en ik registreerde iets van de weerklank, die hij in en buiten zijn diocees wekte.
Dit bock, dat noch volledigheid, noch de objectiviteit van de afstand kan pretenderen, is geschreven vanuit een
oprechte bewondering, en wil de herinneringen vastleggen op een moment, dat nog gevuld is met de emoties
van een plotseling verlies. Mij dunkt dat het nuchtere feit, dat een bisschop bij zijn sterven zo’n golf van ont-
roering en bewondering lossloeg, op zich van niet onbelangrijke betekenis is voor toekomstige biografen.

klik op de pijlpunt links voor het volledige voorwoord
Ofschoon ik dus meer getracht heb de herinnering aan en de bewondering voor mgr. Bekkers onder woorden te
brengen dan een volledige en chronologische biografie te schrijven, heb ik toch met dankbaarheid gebruik ge-
maakt van de gegevens, die vrij talrijke interviews met plaats- en schoolgenoten, vrienden en medewerkers van
de bisschop mij opleverden. Met nadruk wil ik daarom mijn oprechte en grote dank uitspreken aan het adres
van al degenen, die mij met hun herinneringen hielpen.
Vooral de naaste medewerkers van mgr. Bekkers, de hulpbisschop mgr. drs. J. Bluyssen, de vicarissen-gene-
raal mgr. L. Rooijackers en mgr. M. Oomens, en de vriend en adviseur van de bisschop, prof. mr. dr.
J. J. Loeff zijn mij met veel gegevens en hartelijke steun zeer ter wille geweest. De meeste tijd en moeite heeft on-
getwijfeld de privé-secretaris van mgr. Bekkers, de heer J. Reinhard, aan mij besteed. Zonder zijn royale mede-
werking zou het in korte tijd voltooien van dit boek welhaast onmogelijk zijn geweest. Tenslotte geldt mijn dank
de leiding van de Brabantpers, die mij de tijd en mogelijkheden om dit boek te schrijven ter beschikking stelde,
en waarvan de hoofdredacteuren mij hielpen met nuttige adviezen.
Als inleiding is in dit boek opgenomen de openingstoespraak, die de aartsbisschop van Utrecht, kardinaal
Alfrink, tijdens de Uitvaartdienst in de St.-Jan hield.
De kardinaal, die door drukke werkzaamheden en gemaakte afspraken onmogelijk kon voldoen aan mijn ver-
zoek om in korte tijd een bijdrage voor dit boek te leveren, was zo vriendelijk zelf deze oplossing te adviseren.
Ik ben de kardinaal daar erg erkentelijk voor.
‘Liefde als wapen’ wil de herinnering levendig houden aan een bisschop, die voor de journalisten zo’n groot
vriend was. Ook daarom heb ik het graag geschreven.
TON OOSTVEEN



Openingswoord
van kardinaal Alfrink bij de uitvaart van mgr. W. M. Bekkers op 14 mei 1966.
De droefheid om het naar menselijke gedachten tragische einde van deze mens, die zoveel goedheid, zoveel hoop
en zoveel vertrouwen rond zich heeft gespreid, wordt overstemd door de dankbaarheid die ons vervult om de
zegen die God, de Gever van alle goeds, ons in hem geschonken heeft.
Na alle goede woorden, waarmee hij in zijn leven zoveel mensen heeft verkwikt, is door zijn vroegtijdig en smar-
telijk heengaan zijn laatste boodschap aan ons een getuigenis geworden van de broosheid en de onzekerheid
van het menselijk bestaan.

klik op de pijlpunt links voor het volledige openingswoord
Het is de boodschap van de profeet: ‘Alle vlees is als gras; heel zijn glorie als de bloem op het veld. Het gras verdort
en de bloem verwelkt als er Jahweh’s adem op blaast’ (Is. 40,6v.).
Maar we geloven dat Gods adem een levenwekkende kracht is. Gods adem brengt geen dood; Gods adem
schenkt leven. Zo is het getuigenis van de Heer: ‘Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven’ (Jo. 11,25).
Dankbaar voor het getuigenis van Gods levenwekkende liefde, dat de overledene ons heeft mogen schenken, dra-
gen wij hem ten grave, getroost door het intense meeleven van zo goed als heel ons volk.
En omdat we weten naar het woord van de Schrift, dat God ook van zijn trouwe dienaar verantwoording vraagt,
willen wij hem aanbevelen in Gods liefde en Gods barmhartigheid door deze eucharistische viering van het offer
van zijn Zoon, die door zijn dood ons het leven heeft geschonken in eeuwigheid.
In dat geloof heeft Wilhelmus Bekkers, bisschop van de Kerk, zijn leven aan zijn Heer teruggegeven. In dat ge-
loof aanvaarden wij Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit. En in dat geloof vertrouwen wij dat hij bij zijn
Heer leeft in eeuwigheid.

BERNARDUS KARDINAAL ALFRINK
Aartsbisschop van Utrecht

Malmberg Den Bosch;  
 

11. Boeknummer: 00213  
Bisschop Bekkers, vriend van ons allen
Religie -- Mgr. Bekkers           (1966)    [N. van Hees]
Bisschop Bekkers, vriend van ons allen. 2de druk

Ene doodgewone jongen uit Rooi
Maandag 9 mei 1966 sterft bisschop Bekkers in het ziekenhuis te Tilburg. Daags daarop wordt zijn dood lichaam overgebracht naar
Den Bosch. Dan worden de eerste regels geschreven voor dit boek.
Het is dinsdagmiddag half vier en ik dwaal alleen door het lege bisschopshuis aan de Peperstraat. In de tuin achter staan vier stoelen
schuin tegen de tafel geleund. De zon schijnt op wat tulpen en een bloeiende azalea mollis. Het is stil.
Ik stap de werkkamer binnen van de bisschop. De hangklok tikt. Aan de muur een groot wit paard met erop een vrolijk lachende
man. Een gekleurde prent van paus Jan en daaronder een koppel uit hout gesneden boerenpaarden. Langs drie zijden kijkt het por-
tret van een oude vrouw naar de werktafel. In alle vertrekken hangt een foto van Bekkers’ moeder, hier drie maal. Op de tafel staat een
rijtje boeken voor de hand. Het dagboek van paus Jan en vlak daarnaast ‘Frans voor het dagelijks gebruik’.
De grote kamer is hol en leeg. De laatste keer, dat ik hier binnen kwam, was ze geheel gevuld met de rollende lach van de bisschop,
die er middenin stond met een kop dampende, goudgele bouillon in de hand. Ik ga zitten in de stoel, waar hij me nog zo kort geleden
een glas schuimend bier inschonk. Meer dan in enig ander vertrek van dit huis voel je dat hij weg is, heel ver weg.
Een uur later zal zijn beste vriend, vicaris Lambert Rooyackers, die vijf jaar Dachau overleefd heeft te midden van opgestapelde doden,
en die daarbij zijn geloof in het leven geen moment heeft verloren, zeggen: ‘Ik ben nog nooit zo bij de dood betrokken geweest als nu.’
In de lege kamer, waar ik zit te mijmeren, slaat de klok vier koperen slagen. Ik sta op, ga naar boven en doe de deur open van de grote
slaapkamer, breed houten ledikant, telefoon naast het opgemaakte bed, aan de muur een fotostrip: in het midden de oude vrouw met
aan weerskanten naast haar de koppen van vier van haar dertien kinderen: drie kloosterzusters en een jonge priester, die lacht.
Ik loop terug de gang in en ga staan voor het raam, dat uitziet op de parade, het grote plein naast de kathedraal. Er hebben zich een paar
honderd mensen verzameld. Jongens zijn in de fris groene boompjes geklauterd aan weerskanten van de brede deur, die open staat.
In een halve cirkel staan de pastoors van Den Bosch opgesteld. Vijf minuten over vier beginnen de klokken van de Sint-Jan te luiden.

Becht Uitgeverij Amsterdam;  
 

12. Boeknummer: 00282  
Vademecum Breda en Baronie van Breda
Historie -- Informatie Breda           (ca. 1960)    [ ]
Vademecum Breda en Baronie van Breda

BREDA INTERNATIONAAL VERKEERSKNOOPPUNT
Breda is een stad van 117.000 inwoners, gelegen in het centrum van de Baronie van Breda op ongeveer 20 km. van de Belgische grens, aan een knooppunt van internationale wegen.
Komende van België langs de grote route is. Breda de eerste stad, welke men in Nederland aandoet; bij het verlaten de laatste grote plaats voor de Belgische grens.
De stad heeft de nodige voorzieningen getroffen om te voldoen aan de eisen, welke met de situatie verband houden. U vindt er goed geoutilleerde garagebedrijven met dealers voor
alle automerken. Bijkantoren van de voornaamste Nederlandse bankinstellingen belasten zich gaarne met de regeling van uw geldzaken.
Vele goede hotels, restaurants, bars en amusementsgelegenheden bieden stadgenoot en vreemdeling een aangename verpozing. De gezellige cosmopolitische sfeer in het stadscentrum maakt het voor
de vrouw aantrekkelijk om te winkelen. Vooral op de marktdagen - dinsdag en vrijdag - geeft Breda een duidelijk beeld van haar aantrekkingskracht. Vele Nederlanders en Belgen komen speciaal
op deze dagen naar Breda om hun inkopen te doen.
Een veelzijdige sportbeoefening is mogelijk. Breda kent haar golfterrein, maneges, tennisbanen, zwembaden en andere sportterreinen.
Een uitgebreid net van 170 km. rijwielpad doorkruist de ruim 8000 ha. bos en heide in en rondom Breda en maakt het een ideale verblijfplaats voor degenen, die bij een langer verblijf de stad
en omgeving willen verkennen per auto, fiets, bromfiets of te voet.
Om een goed beeld van Breda te krijgen zijn drie dingen noodzakelijk:
a) een wandeling langs de monumenten en parken van de binnenstad,
b) een autorit of fietstocht door de buitenwijken met hun moderne architectuur, hun plantsoenen, parkcomplexen en boulevards, c) één of meerdere tochten door de direkte omgeving van de stad,
vooral befaamd om de uitgestrekte boscomplexen.

VVV Breda?;  
 

13. Boeknummer: 00285  
Het Bredaboek
Historie -- Breda, algemeen           (ca. 1970)    [vele Bredanaars]
Het Bredaboek

Breda schreef een boek. Geen literair, hoewel er bijdragen van hoog gehalte in aan te treffen zijn. Ongepolijst, hoewel veel wegens plaatsgebrek geschrapt moest worden en aan de verzorging
aandacht werd besteed. Een ratjetoe van hele en halve waarheden, nuchtere constateringen aandoenlijke wensen, harde interviews, kinderlijke ontboezemingen, baarlijke nonsens en
nog veel meer.
De auteurs zijn Bredanaars jong, oud, links, rechts, man, vrouw.
Enfin, u leest het zelf maar

Creatie Breda;  
 

14. Boeknummer: 00301  
De Spindop: Algemene Kunstzijde Unie n.v. Arnhem
Ondernemingen -- Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI)           (1961)    [Jan H. de Groot en diverse auteurs]
De Spindop, AKU-blad jubileumnummer 50 jaar AKU

A.K.U. 50 jaar - een mijlpaal geplaatst!
Bij de viering van het 50-jarig bestaan, dus bij de vijftigste verjaardag van een onderneming, komen er allerlei gedachten naar voren bij degenen die er nauw bij betrokken waren.
De directie van de A.K.U. heeft daarom gemeend goed te doen een jubileumboek te laten maken, waarin het belangrijkste uit de geschiedenis van die 50 jaren is neergelegd.
Deze jubileum-Spindop wil daarvan geen herhaling zijn, maar zich bepalen tot het belichten van slechts enkele facetten zoals we die heden zien. Dit heden berust echter op
wat er in het verleden gedaan is en ik wil daarom uit de geschiedenis van ENKA en A.K.U. toch nog eens dié feiten noemen, die m.i. bepalend zijn geweest voor wat onze
onderneming thans is.
Ik begin dan natuurlijk met de oprichting van de Nederlandsche Kunstzijdefabriek in 1911, die in 1913 de eerste garens afleverde. Tijdens de eerste wereldoorlog bleef de
fabriek, hoewel met moeite, in stand. De bouw van de fabriek Ede, die in 1922 in bedrijf kwam, was de definiieve stap tot een grote industrie. Tot 1930 kwamen vervolgens
de grote uitbreidingen in Ede, Arnhem en in de talrijke buitenlandse vestigingen. Wat er sedertdien ook gebeurd is, we mogen nooit vergeten, dat zonder de toen
opgerichte pijlers onze positie van thans ondenkbaar zou zijn.
Van 1930 tot 1940 was het uit met de groei. Er vond een consolidatie plaats van het verkregene: verbetering van de kwaliteit en verlaging van de kostprijs, welke beide facto-
ren sedertdien al ons werk hebben geleid.
De oorlog 1940—1945 bracht verwoesting, ook van de Kleefse Waard, die als eerste uitbreiding sedert 1930 was bedoeld. Maar in 1945 begint de wederopbouw en daarna
een expansie in alle richtingen: vergroting van de fabrieken hier en bij onze dochterondernemingen in het buitenland, geheel nieuwe (synthetische) garens en vezels en ook nieuwe
produkten, die niet met textiel te maken hebben.
Het is een ontwikkeling die parallel loopt (hoe kan het anders) met het wereldgebeuren. De rustige gezapigheid vóór de eerste wereldoorlog met het verwonderd bekijken
van zo iets als „kunstzijde”, de nieuwe oriëntering na 1918 met het snel toenemende gebruik van „kunstzijde” gestimuleerd in de crisisjaren na 1930 door de betere kwaliteit en
lagere prijs en tenslotte in 1945 het verschijnen van de nylon, voorbode van de stormachtige groei van de chemische industrie met geheel nieuwe mogelijkheden voor het pro-
duceren van stoffen, ook garens en vezels voor de textielindustrie, met nieuwe, waardevolle eigenschappen. Ik zeg stormachtig, omdat nog dagelijks nieuwe mogelijkheden op
dit gebied worden gemeld en niemand weet waartoe deze ontwikkeling uiteindelijk zal leiden.
Wanneer wij nu als A.K.U. ons 50-jarig bestaan gaan vieren, overheerst allereerst een gevoel van grote dankbaarheid, dat wij dit mogen en kunnen doen. Wij mensen van
deze generatie mogen nu het feit herdenken, dat onze onderneming een halve eeuw practisch ononderbroken haar produkten kon afleveren en met kunnen bedoel ik dat onze
onderneming in deze jaren een periode van bloei doormaakt, die een viering ook alleszins rechtvaardigt.
Onze gedachten gaan echter vooral uit naar de personen, die deze 50 jaren ontwikkeling hebben gedragen. Allereerst dan naar Dr. J. C. Hartogs en Dr. F. H. Fentener van
Vlissingen, die als oprichters van de ENKA de visie hebben gehad om deze onderneming te beginnen en zoals hiervoor al vermeld, de fundamenten voor de tegenwoordige struc-
tuur hebben gelegd.
Maar met hen en na hen zijn er velen geweest, die mede hun beste krachten aan het kleine begin en aan de grote uitbreidingen hebben gegeven. Helaas is het zó, dat ze niet
allen dit 50-jarig feest met ons mee kunnen vieren. Zij hebben echter tijdens hun leven, in welke functie dan ook, hun deel ertoe bijgedragen om de A.K.U. te maken tot
wat zij nu is.
Het verheugt mij anderzijds, dat een groot aantal werknemers met 40 en meer dienstjaren nog in actieve dienst is en in hun werk vele jongeren ten voorbeeld strekt.
Trouwens wij mogen er trots op zijn dat zovelen onder ons personeel de AJK.U. al tientallen jaren trouw zijn en het is niet zonder reden, dat wij elk jaar alle 25-jarige jubilaris-
sen een bijzondere ontvangst bereiden en de 40-jarige jubilarissen ieder individueel huldigen.
Want het mag bij een gelegenheid als deze nog wel eens worden gezegd: de successen van de A.K.U. zijn ondenkbaar zonder de medewerking van zovelen, die zich steeds
weer bereid toonden tot aanpassing aan de eisen die de onderneming stelde, die wijzigingen in de produktiemethoden de baas werden, die in moeilijke tijden niet versaagden
en in goede tijden niet verslapten.
Dit is belangrijk en in het heden nog meer dan vroeger, juist omdat de onderneming zo groot is geworden.
Vóór de oorlog hadden we in Nederland twee fabrieken, de Edese maakte spoelengaren, de Arnhemse potgaren, alleen voor de textielindustrie, heel eenvoudig en overzichte-
lijk. Nu hebben we vele fabrieken en nog veel meer produkten, wat het steeds moeilijker maakt om een overzicht te krijgen en zich een deel te voelen van zo’n groot geheel.
Het is dan ook een voortdurende zorg van de directie en van de centrale afdelingen deze bezwaren naar vermogen op te heffen. Enerzijds wordt er meer dan vroeger voor ge-
zorgd dat ieder zich op de hoogte kan stellen van de belangrijkste gebeurtenissen, resultaten en plannen, anderzijds trachten wij iedere fabriek zoveel mogelijk als een eigen
eenheid te laten werken aan en te zorgen voor haar eigen taak.
Dit laatste is ook voor de onderlinge verhoudingen goed.
Is het voor ons als directie helaas onmogelijk geworden alle 13.600 employés te leren kennen, voor allen die op één fabriek werkzaam zijn is dit nog wel te bereiken.
Ikzelf b.v. denk altijd nog gaarne terug aan de tijd dat ik in Ede, in de Centrale Technische Dienst, en later in de Kleefse Waard met velen onder u persoonlijk contact had.
Het samen beleefd hebben van vreugdevolle ogenblikken en van moeilijkheden — soms op merkwaardige plaatsen en tijden — hebben een band gesmeed, die ook nu nog
telkens aanwezig blijkt te zijn als ik vrienden uit die vroegere perioden op onze A.K.U.-bij een komsten ontmoet.
Ik weet, dat deze gevoelens bij velen van u leven en hoe zeer ze de samenhang in de onderneming bevorderen. Door gemeenschappelijke ervaringen in vroegere perioden tot
vrienden geworden, zult u in andere functies in verschillende afdelingen geplaatst, elkaar ook buiten de organisatorische regelen om gemakkelijk kunnen vinden en raad-
plegen.
En al zal een onderneming als de onze soms zakelijk zijn in haar optreden naar buiten, wij realiseren ons bij voortduring hoe afhankelijk we zijn van de hartelijke medewer-
king van alle personeelsleden en we willen daarom gaarne de voorwaarden scheppen om die te verkrijgen.
Ik ga er van uit, dat het de plicht van ieder mens is om de gaven die zijn Schepper hem heeft geschonken, zo goed mogelijk te gebruiken ten bate van zijn medemensen. Hier-
onder vallen uiteraard allereerst zijn gezinsleden, maar als hij zijn werkkracht en zijn verstand in dienst gaat stellen van een onderneming mag ik verwachten, dat hij zich ook
daar die plicht bewust is. Maar omgekeerd zal dan ook de onderneming er toe moeten medewerken, dat een ieder de gelegenheid krijgt te laten zien wat in hem zit.
We zullen hierin nooit het volmaakte bereiken, doch de aanwezigheid van chefs personeelbelangen en psychologen helpt ons daarbij, en zeker niet minder de medewerking
van de leden van het toezichthoudend personeel, die door hun dagelijks contact zoveel tot een juiste beoordeling kunnen bijdragen. Op het belang hiervan wordt hun op de cur-
sussen voor voorlieden en meesters dan ook speciaal gewezen.
Het resultaat moet dan zijn, dat onze mensen zich in hun werk op hun plaats voelen, want dan ontstaat ook de mogelijkheid dat zij vertrouwen hebben in hun chefs en in
de hogere leiding van de zaak. De goede samenwerking in een onderneming en in elke afdeling berust tenslotte op vertrouwen. Vertrouwen in elkaars oprechtheid in het stre-
ven naar een goede taakvervulling, bereidheid van een ieder naar vermogen bij te dragen tot het welzijn der onderneming, vertrouwen ook in eikaars bekwaamheid en geschikt-
heid voor de toegewezen taak.
Waarom ik nu bij dit jubileum dit alles vermeld? Omdat de afgelopen 50 jaren ons thans alle reden tot feestvreugde geven en we met gepaste trots dat tijdperk mogen over-
zien; ook omdat we vanuit dit ogenblik weer vooruit moeten kijken en dan beseffen dat we nog midden in een stormachtige ontwikkeling staan. 1960 heeft hiervan wel
het bewijs geleverd door de talrijke beslissingen die genomen zijn om de activiteit van de A.K.U. te verbreden.
Hebben we in de vervlogen jaren alleen door samenwerking van hoog tot laag onze taak kunnen vervullen, de verdere groei — noodzakelijk in deze tijd — maakt die
samenwerking onmisbaarder dan ooit.
Jammer is het daarom, dat we niet met zijn allen tezamen de jubileumfeesten kunnen vieren, zoals dat in 1938 met het 25-jarig jubileum mogelijk was. Toen konden allen
tegelijk worden verenigd in Musis Sacrum en later op het Esca-terrein. Dit heeft op de toen aanwezigen een zodanige indruk gemaakt, dat men er nu nog over spreekt, en ik zou
niets liever hebben gewild dan dat wij deze zelfde opzet bij het 50-jarig jubileum weer zouden hebben gevolgd.
Bij overweging bleek echter al spoedig, dat zulks met meer dan 13.000 mensen ten enen male uitgesloten was.
Uit het feestprogramma zult u echter hebben gezien, dat wij in ieder geval aan ieder persoonlijk de gelegenheid hebben kunnen bieden deel te hebben aan de feestvreugde
en dat op bescheiden schaal ook gezamenlijke manifestaties zullen plaats vinden. Aan de officiële bijeenkomsten in Arnhem zal echter slechts een beperkt aantal vertegen-
woordigers uit de fabrieken en afdelingen kunnen deelnemen. Die bijeenkomsten zijn trouwens in het bijzonder bedoeld om de 50-jarige A.K.U. in contact te brengen met
de overheden van Rijk, Provincie en Gemeente, met afnemers, leveranciers en wetenschappelijke instellingen. Al eerder hebben we de aandeelhouders van A.K.U. speciaal
ontvangen.
Maar de meeste voldoening zullen we smaken, geachte medewerkers, als gij allen met vreugde aan de voor U bereide festiviteiten zult kunnen deelnemen en daaraan ook
in de toekomst goede herinneringen zult bewaren.
Een 50-jarig jubileum is een ogenblik van terugzien, maar ook van vooruit zien. Ik hoop, dat U uit deze inleiding zult hebben begrepen, dat de directie hoopt, dat het jubi-
leumfeest zal bijdragen tot de saamhorigheidsgedachte in onze gehele organisatie en dat deze gedachte onze A.K.U. ook in de volgende jaren zal schragen.

AKU;  
 

15. Boeknummer: 00302  
Nieuwe Tijden Nieuwe Schakels
Ondernemingen -- Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI)           (1961)    [Max Dendermonde]
Nieuwe Tijden Nieuwe Schakels. De eerste vijftig jaren van de AKU

INHOUD
1911-1961 Van tuinstad tot ‘hoofd’-stad 1

Hoofdstuk I
1911-1920 Van proeffabriek naar industrie 19
voor 1914 De kunstzijde in een nieuw modebeeld 43
na 1918 Nederland in een nieuwe wereld 49

Hoofdstuk II
1920-1930 De eerste expansieperiode 53
na 1930 Dalende welvaart 77
Modern times 81

Hoofdstuk III
1930-1940 Stabilisatie 93
na 1940 Nood breekt neutraliteit IIO

Hoofdstuk IV
1940-1945 Neergang 117
na 1945 Een nieuw Nederland 127

Hoofdstuk V
1945-1961 De tweede expansieperiode 131
Vijftigduizend maal a.k.u. 169


1911-1961
Arnhem, gelegen in de delta van de Rijn - machtigste Europese verkeersader - schijnt omstreeks 1900 behaaglijk verzonken in landelijke rust, met aan de rivierkant weinig
meer rumoer dan wat het gehamer oplevert van slechts één scheepswerf. Het is er s avonds even stil als in Dokkum of Zierikzee. Of op een veranda in Buitenzorg, want
iets - neen, véél - heeft Arnhem toch wel te maken met de gordel van smaragd. Arnhem is een geliefd oord voor die zich aan de evenaar hebben gewend aan al wat gepeperd is.
‘Het Geldersch Lustoord’, noemt men Arnhem en het is niet verwonderlijk, dat suikerlords en heren van de echte adel zich inderdaad thuis voelen aan de sappige oevers van
de Rijn.
De Indische suikercrisis van 1883 brengt weliswaar een grote terugslag, maar desondanks blijft de bevolking groeien en niet door een industriële zuigkracht. In het begin
van de twintigste eeuw is Arnhem de zevende stad van Nederland met zo’n 60000 zielen - ruim zes maal zoveel als honderd jaar daarvoor. Een groot deel van die 60000
leeft ‘stil’ en een nog groter deel maakt hun dat tot een pleizier als gedienstig middenstander, ijverig bouwvakarbeider, koetsier, dienstmaagd, tuinman. Als ambtenaar en
bankbediende ook. Arnhem is een fraaie tuinstad en wil dat zijn. Zo wordt nog in de negentiende eeuw het grote landgoed ‘Sonsbeek’ door de gemeente aangekocht, een
vérziende daad. Niemand minder dan Zocher had er een fraai park van gemaakt, een landschappelijk monument, dat uniek is in geheel Nederland. Op warme dagen kunnen
zij van de tropen er zich bijna voelen als in de schone Preanger. En niet enkel de suikerlords. Zitten sinds 1862 op Bronbeek niet de gepensioneerde koloniale militairen? Ook
écht schitteren daar de sabels nog, in Sonsbeek. Het zijn de Gele Rijders, de leden van het keurkorps van het garnizoen.
Duitsland bouwt een vloot, maar wie debatteert daarover in Sonsbeek? Er worden in Arnhem geen kanonnen gegoten; men voedert de duiven en telt zijn schapen op het
droge. Oók letterlijk gaat dit laatste gebeuren: in 1911 zijn de Arnhemmers de Utrechtenaren voor en staat de gemeente terreinen en geld af aan de Nederlandsche Heide-
Maatschappij. Zo zetelt zich een nationale zaak in Arnhem, een instelling die zich - naar hun voorbeeld - werpt op de modernisering van nog altijd een agrarisch land. Doel was
en is steeds gebleven de verhoging van de produktiviteit van de bodem. Later kan men zich terecht afvragen waar de Nederlandsche Heide-Maatschappij beter thuis hoort dan
in die landelijke, groene stad.
Industrie... Het woord heeft geen prettige klank in de parken aldaar. .Als zo iets al nun of meer spontaan kan beginnen, waarom zou het dan juist daar zijn? Voor waarlijk
zware industrie is maar sporadisch bestaansgrond in Nederland; ijzer en kolen daarvoor moeten van verre bijeen worden gebracht. Nee, mijne heren, een industrie stelt haar
voorwaarden, delfstoffen bij voorbeeld, zoals in Zuid-Ltmburg, een gunstige ligging, zoals in Rotterdam, een traditie, zoals in Twente, een agrarisch arsenaal, zoals in oostelijk
Groningen. Zo is het, mijne heren.
Nu ja, in steden als Breda mag er ook wel leven in de brouwerij komen, maar ga nu eens - over het Brabantse gesproken - naar Steenbergen bij voorbeeld. Wat doet men er an-
ders als agrarische produkten verwerken: suikerbieten en vlas? En dan de zandgronden!
Neem Ede. Wat is het méér dan een doodstil dorpje, dat vér, vér weg ligt van het sissend rumoer van Europa. Of neem de kleigronden van de Rijn, neem een willekeurige plek
als de Kleefse Waard. Welzeker, men ruikt er schoorsteenroet, een geur van wording, de eeuwenoude geur van klei die baksteen wordt. Niets nieuws. Of ga hogerop, waar
Groningen grenst aan Drente, naar Emmercompascuum, om zo maar een verloren gat te kiezen. Men haalt er geen baksteen maar brandstof uit de bodem, armelijke turf. En
ook dat is een oud handwerk. De twintigste eeuw wil er nog niet beginnen en de nieuwe welvaart ligt vér, vér weg. Ach, mijne heren, hoe kan er daar nu sprake zijn van een
industriële revolutie? Dat is immers volstrekt onmogelijk, voor nu en ooit!
Maar zo is het dan al niet langer in 1911. Is in Eindhoven de lamp reeds niet gaan branden, zo maar op de hei? Nieuwe ontwikkelingen hebben mogelijk gemaakt, dat men, als men de
voorwaarde genaamd wetenschap in zijn mars heeft,bijna overal een industrie kan beginnen.

Anderhalve maand, nadat in de stad van parken en tuinen de eerste proefrit met de elektrische tram wordt gehouden, besluit de Arnhemse Gemeenteraad om tot aankoop over
te gaan van een terrein aan de Vosdijk, ten einde dat terrein in erfpacht te geven aan de N.V. Nederlandsche Kunstzijdefabriek. Het maakt slechts weinig indruk in de stad, de
dominee, de dokter en de notaris zullen er niet ééntje meer op nemen, niet eentje minder ook. Het is 1911, zo maar een jaar, het gaat goed in Europa en in Nederland eigenlijk ook
heel aardig. De eerste symptomen van de concentratietendens in het bedrijfsleven dienen zich aan. Steeds meer komt de naamloze vennootschap in gebruik, steeds groter wordt
het aantal emissies. Daar is iets gaande in de wereld. Maar op het Velperplein in Arnhem is het nog stil op de uren, waarop in de industriesteden de fabriekssirenen hun arbeiders
loslaten. Een paar notabelen kijken om naar een vreemdeling, een kleine man, die met een tas onder de arm kwiek voorthinkt in de richting van het station. Hij heeft niets van
een vakantieganger. Het zal wel zo’n handelsreiziger zijn. En zij vervolgen hun dagelijkse weg, zelfbewust, onaantastbaar. Over een uitgestorven Velperplein. En wat zij verder
doen, heeft een dichter genoteerd:

Zij gaan zich nu voorzichtig laten scheren,
Om daarna, met ervaring en verstand,
Een glas te drinken op het heil van 't land:
De dominee, de dokter, de notaris.
’k Weet geen probleem dat hun na zes te zwaar is.
Maar ’t kan verkeren.


In welk Nederlands stadje men ontwaakte zo omstreeks 1960, in zijn hotelkamer miste de vreemdeling in het ochtendlijke klankbeeld vrijwel overal het geluid, dat een mythe
hem had beloofd. In plaats van het grappige geklots van klompen, hoorde hij het knetteren en denderen, het brommen en het grommen van een groot motorisch geweld, een
losgebroken dierentuin vol soorten en rassen. Tussen het olifanteske, miskende dreunen van zwoegende trucks klonk het hoge, felle en spreeuwensnelle knetteren van brom-
fietsen, en terzijde daarvan gleed het soepele, zelf overtuigde pantergeneurie van zachtschakelende personenauto’s en de avontuurlijke, sportieve en kangoeroe-achtige debrail-
lagesprongen van scooters. Een nieuwe jungle, die verre lag van de voorbije wereld van holklotsende, gebarsten klompen, handkarren over harde keien, het rustieke gebel van
de paardetram. Hoe heette die stad, waar in dat land van mooie tulpen en trage molens de nieuwe eeuw was losgebarsten? Hoe was de naam? Waar was Nederland zo anders
geworden? Waar? Het was een vraag met maar één antwoord: vrijwel overal.
Bijna alle steden, grote en kleine, ja, vele dorpen zelfs, boden aan het eind van de vijftiger jaren van de twintigste eeuw een geheel andere klank en kleur, een geheel ander
beeld van welvarende en algemene kracht dan ze hadden gedaan om de eeuwwisseling, of in de bloeiende twintiger jaren zelfs. Wat Essen al lang had gekend, en Manchester,
een industrieel rumoer, wat er al in Detroit tijden gaande was, in Pittsburgh, in Luik, in Lyon, in Lodz, in Birmingham en Breslau, dat duizendvoudig optrekken naar fabrieken,
die aanblik - maar beduidend minder grauw, zonder grijs kolengruis, kleurig welhaast, welvarend in ieder geval - toonden nu Nederlandse dorpen en steden, die slechts enkele
decennia daarvoor roemloos op de heide hadden gelegen, of op de rand van het armoedige veen. Was Nederland in de wereld gedegradeerd tot een rijk zonder koloniën, in
Europa was het opgekomen tot een land met een moderne industrie, overal, in een kleine historische stad als Breda, in een zanddorp als Ede, in een boerencentrum als Emmen, in
een tuinstad als Arnhem.
Die greep is niet willekeurig. Zeker, we hadden ook Eindhoven kunnen noemen, Drachten en Roermond. Of Loosduinen, Doetinchem en Enschede. En andere reeksen van
plaatsen, andere namen, Uithoorn of Velsen of Pernis. Elke reeks en elke naam zou zijn eigen historie verhaald willen hebben, maar elk verhaal zou het eendere motief bezitten,
onwillekeurig. Bepalen we ons voor dat motief tot de draden, die lopen door de eerstgenoemde reeks: Arnhem, Breda, Ede, Emmen, ‘hoofd’steden.

Het begint met het hoofd en zonder dat gaat het nooit meer, integendeel, denkwerk is de voornaamste grondstof. Kolenbranden, turfsteken en kolen uit de grond graven kan
in den beginne geschieden met een geëelte hand en wat makkelijk gereedschap. Ga je gang maar jongens, knoestige knapen kunnen het op hun klompen af. Er komt denk-
werk bij te pas, later, maar daar begint het niet mee. Het begin is de materie zoals die daar ligt, en de energie, die zichtbaar in de natuur is, in een waterval, een paardedij, een
mannenvuist. In de rollende boom zit het wiel, in de wuivende bladerkruin het zeilschip, de molen. Maar wie energie ziet in vredige, bijna abstracte stoom denkt om een nieuwe
hoek. Op alle kaarten liggen ineens nieuwe werelden. Alles is mogelijk. Een land arm aan materie en arm aan energie kan ineens een nieuwe wereld worden. Wie de denkers
heeft, de mannen en vrouwen die het andere zien, nieuw, kan zich een weg banen naar ongekende perspectieven. Wie rijkdom onder zijn bodem tekort komt, kan de rijkdom
onder zijn hoofdhuid exploreren en met nooit vermoed succes. Achter het makke, eenvoudige en ietwat vertederende affiche van windmolens en houten klompjes kan
ineens een revolutie ontstaan, die het leven barstend vol energie, gecompliceerd en militant-zelfbewust maakt. Wat is er anders gebeurd in de Nederlandse ‘hoofd’steden?
Hetgeen in 1960 in Nederland opviel aan de vreemdeling, die het land in tientallen jaren niet had bezocht, was de enorme uitbouw der steden, de veelheid van nieuwe industrie-
ën, de perfectie van het spoorwegensysteem, het grote getal van fraaie rivierbruggen, de ruimtelijkheid in de woningbouw, het geweldige autoverkeer op de betonbanen
alom. Maar nóg meer viel hun op de verandering van de mens in de straat, niet van de man alleen, vooral van de vrouw ook. In het begin van de eeuw, ook tussen de eerste
en de tweede oorlog nog, was het niet moeilijk klasse of stand van man of vrouw te schatten naar kleding en gang. Wellicht was het in 1960 nog wel zo, dat men de aristo-
craat of de academicus gemakkelijk kon onderscheiden van de opgekomen landarbeider of de plattelandsonderwijzer, maar men moest wel zeer voorzichtig zijn met zijn oordeel.
Ging de wisselloper-ouderling niet precies zo gekleed als zijn moderne dominee, droeg de ziekenbroeder in zijn vrije uren niet hetzelfde kostuum als de dokter, hulde de kan-
toorklerk zich niet in een modieuze regenjas gelijk aan die van de notaris? Men moest inderdaad wel zeer voorzichtig zijn: de ietwat tobberige man op een eenvoudige fiets
kon een directeur zijn, de zelfbewuste bestuurder van een nieuwe auto zijn ondergeschikte. Klasse, stand, prestige werden minder dan daarvoor gemerkt door uiterlijk
vertoon. De kleding maakte niet langer de man.
Maar de vrouw? Hadden vele eenvoudig-gesalarieerde meisjes hun zelfbewuste houding niet juist te danken aan het feit, dat zij met hun kleding dezelfde furore konden maken
in het stadsbeeld als zij, die hun zomerjurken uit Parijs hadden gehaald? Het was niet de toch tamelijk uniforme herenkleding, die het beeld van de algemene welvaart in de
steden het sterkst accentueerde, maar het waren de grote verscheidenheid en de frisse fleur van de vrouwenkleding, en vooral de vanzelfsprekende, geëmancipeerde onbe-
vangenheid, waarmee die door het kantoormeisje en het meisje voor dag en nacht werden gedragen. De kleren maakten de vrouw. Een enorm uitgebreide en betaalbare
keuze had vrijwel elke vrouw de vrijheid geschonken zich in haar kleding uit te leven naar haar eigen ideaalbeeld. Ze was vrij geworden te zijn die ze wilde zijn. De vrijheid
had haar zelfs een andere houding gegeven, een fiere loop. Kortom, het geslof van de onderworpenen der aarde was als markant geluid verdwenen, het militante tikken van
pumps en naaldhakken was ervoor in de plaats gekomen.
Het is waar, dat de revolutionaire veranderingen in de textielindustrie en de enorme vlucht daarvan het kleding-assortiment geweldig hebben verbreed, en het kledingprijs-
peil zo heeft doen dalen, relatief, dat men zich inderdaad over het gehele land, in Loppersum en Lage Zwaluwe, in Schagen en Schin op Geul, in Borculo en Boskoop, voort-
durend beter heeft kunnen kleden, en dat gold voor iedereen, absoluut. Maar dat was niet alleen een zaak van betere distributie der textielgoederen, van een grotere keuze-
mogelijkheid uit kwaliteiten en eigenschappen, en van lagere prijzen in vele gevallen, maar eerst en vooral ook van een grotere koopkracht. Die koopkracht was dan weer een
gevolg van een steeds intensiever en effectiever inschakelen van de beschikbare arbeidskrachten en daarmee was de gouden cirkel van de welvaart op toeren gekomen. Uit die
cirkel is textielindustrie en alles wat daarmee samenhangt niet weg te denken, integendeel, maar andere sectoren, nieuwe zowel als oudere, hebben er hun eigen onmisbare
plaats in. Voor het geïndustrialiseerde Nederland van na de tweede wereldoorlog geldt stellig, dat het geheel méér is dan de som der delen. Elk deel van die wonderlijk-inge-
wikkelde som heeft zijn duidelijke of minder duidelijke, zijn boven- of ondergrondse verbindingen met vele, zo niet alle andere. Het is een mysterieus en uitermate boeiend
legwerk van delen, waarvan men in ieder geval kan zeggen, dat de textielindustrie-als-geheel er volstrekt onmisbaar in is.
Een onderdeel daarvan is het, waarzonder dit boek nooit geschreven zou zijn. Een bijzonder onmisbaar onderdeel, dat in het begin der twintigste eeuw nauwelijks bestond.
Het moderne leven is zonder die sector volkomen ondenkbaar geworden. En dat is alles gekomen in vijftig jaren, en in minder. Omdat één man ging denken om een
nieuwe hoek. Zonder hem zouden die hechte schakels tussen Arnhem, Ede, Breda en Emmen er niet zijn. ‘Hoofd’steden.

Was ‘de Nederlandse wetenschap’ in het begin van de negentiende eeuw nog vrijwel uitsluitend te vinden in de universiteitssteden, de ‘hoofd’steden van toen, vijftig jaar
later was er geen stad aan te wijzen van enige omvang, waar wel niet een kern van weten-schapsmensen aanwezig was buiten de dominee, de dokter en de notaris. Aan de oude trits
arbeid, materiaal en kapitaal was omstreeks 1960 de vierde schakel ‘wetenschap’ onmisbaar geworden. Met of zonder koloniën, met of zonder bodemschatten, met of zonder
een strategische ligging, met of zonder een transitoverkeer, een handel, een landbouw, een veeteelt, een visserij, met of zonder dat alles zou Nederland nooit de modern-
Europese staat geworden zijn als het niet in ieder geval die wetenschap had bezeten.
Nog ver voordat Nederland in de dertiger jaren in de wereldstromen aan lager wal raakte, waren er buiten de universitaire centra om heel wat academici her en der over
het land verspreid geraakt. In de industrie. Dat voelden velen van hen in die tijd nog niet als iets om trots op te zijn. Het is dan ook waar, dat de industrie zich vaak minder een
deel van die gemeenschap wist te betonen dan in later tijden. Hoe dan ook, het woord ‘hoofd’stad was - buiten de universiteitssteden - een gevaarlijk ding om mee te spelen,
men kon zich er dadelijk mee belachelijk hebben gemaakt. Toch bestonden er voor 1940 wel degelijk een aantal nieuwe ‘hoofd’steden in Nederland, en ver daarvoor ook al. Een
zo rustige tuinstad als Arnhem bij voorbeeld is het eigenlijk al geworden in 1911, toen een kleine man over het Velperplein ging, alleen, en terzijde van de dominee, de dokter en
de notaris. Een halve eeuw later was in Arnhem een groot aantal academici in een der grootste Nederlandse industrieën werkzaam. Zij werkten in 1960 voor een internatio-
nale werkgemeenschap van dertig fabrieken, waarin meer dan 50000 personen hun arbeidzaam aandeel hebben. Vijftigduizend personen in een groot aantal landen: Neder-
land, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Engeland, Spanje, U.S.A. en Mexico. Dat grote verbond van de 50000 zou niet hebben bestaan, als niet in 1911 die kleine man om een
andere hoek was gaan kijken, en - min of meer toevallig - in Arnhem was beginnen te experimenteren met een bedrijf, dat in de eerste jaren vrijwel uitsluitend een proeffabriek
was, een onderzoekingswerkplaats. Die kleine man deed daar een gooi naar het grote, want van meet af aan heeft hij zijn werk groot gezien, en bedoeld voor over de grenzen.
Voor hem was Arnhem dadelijk al een internationaal centrum, meer nog dan een centrum verbonden met dorpjes van toen als Ede en Emmen en met een stadje als Breda. Die
dorpen en dat stadje hadden geen plaats in zijn hoofd. Hij fantaseerde niet over wat daar later voor wonderlijke welvaart zou komen. En hoe ver hij dan ook wel keek in andere
richtingen, hij niet, maar nog veel minder zijn generatie - met alle dokters, dominees en notarissen incluis - hebben ooit kunnen vermoeden welk een geheel andere stad Arnhem
zou kunnen worden. En welk een andere wereld hij mede zou scheppen. Hij begon niet zo maar een fabriek, een proefbedrijf, hij begon een nieuwe welvaart voor een nieuw
type mensen. Hij was een nieuwe schakel naar een nieuwe tijd.

Nog ver voordat Nederland in de dertiger jaren in de wereldstromen aan lager wal raakte, waren er buiten de universitaire centra om heel wat academici her en der over
het land verspreid geraakt. In de industrie. Dat voelden velen van hen in die tijd nog niet als iets om trots op te zijn. Het is dan ook waar, dat de industrie zich vaak minder een
deel van die gemeenschap wist te betonen dan in later tijden. Hoe dan ook, het woord ‘hoofd’stad was - buiten de universiteitssteden - een gevaarlijk ding om mee te spelen,
men kon zich er dadelijk mee belachelijk hebben gemaakt. Toch bestonden er voor 1940 wel degelijk een aantal nieuwe ‘hoofd’steden in Nederland, en ver daarvoor ook al. Een
zo rustige tuinstad als Arnhem bij voorbeeld is het eigenlijk al geworden in 1911, toen een kleine man over het Velperplein ging, alleen, en terzijde van de dominee, de dokter en
de notaris. Een halve eeuw later was in Arnhem een groot aantal academici in een der grootste Nederlandse industrieën werkzaam. Zij werkten in 1960 voor een internatio-
nale werkgemeenschap van dertig fabrieken, waarin meer dan 50000 personen hun arbeidzaam aandeel hebben. Vijftigduizend personen in een groot aantal landen: Neder-
land, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Engeland, Spanje, U.S.A. en Mexico. Dat grote verbond van de 50000 zou niet hebben bestaan, als niet in 1911 die kleine man om een
andere hoek was gaan kijken, en - min of meer toevallig - in Arnhem was beginnen te experimenteren met een bedrijf, dat in de eerste jaren vrijwel uitsluitend een proeffabriek
was, een onderzoekingswerkplaats. Die kleine man deed daar een gooi naar het grote, want van meet af aan heeft hij zijn werk groot gezien, en bedoeld voor over de grenzen.
Voor hem was Arnhem dadelijk al een internationaal centrum, meer nog dan een centrum verbonden met dorpjes van toen als Ede en Emmen en met een stadje als Breda. Die
dorpen en dat stadje hadden geen plaats in zijn hoofd. Hij fantaseerde niet over wat daar later voor wonderlijke welvaart zou komen. En hoe ver hij dan ook wel keek in andere
richtingen, hij niet, maar nog veel minder zijn generatie - met alle dokters, dominees en notarissen incluis - hebben ooit kunnen vermoeden welk een geheel andere stad Arnhem
zou kunnen worden. En welk een andere wereld hij mede zou scheppen. Hij begon niet zo maar een fabriek, een proefbedrijf, hij begon een nieuwe welvaart voor een nieuw
type mensen. Hij was een nieuwe schakel naar een nieuwe tijd.

AKU;  
 

16. Boeknummer: 00309  
In het spoor van kruis en ploeg
Belangenverenigingen -- Aartsdiocesane R.K. Boeren- en tuindersbond (A.B.T.B.)           (1967)    [Drs W.F.P. Boshouwers]
IN HET SPOOR VAN KRUIS EN PLOEG VIJFTIG JAAR AARTSDIOCESANE R.K. BOEREN- EN TUINDERSBOND (A.B.T.B.) 1917-1967


INHOUD
Ten geleide...................................................... 5
Uit de nood der tijden geboren................................... 7
Naar een principiële organisatie................................ 10
Provinciale boerenbonden ....................................... 14
De Provinciale Gelderse Boerenbond.............................. 15
De Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond....................... 27
De periode 1917-1930 ........................................... 37
Het Boeren- en Tuindersblad..................................... 51
De Handelsraad van de A.B.T.B................................... 54
Verkoopvereniging............................................... 56
De Verzekeringsinstellingen..................................... 57
De Gelderse eierveiling......................................... 59
Het Landbouwboekhoudbureau van de A.B.T.B....................... 60
De Inspectiedienst van de A.B.T.B............................... 61
De organisatie der jongeren..................................... 62
De periode 1930-1940 ........................................... 64
Het organisatieleven............................................ 68
Het koperen jubileum............................................ 70
Het onderwijs................................................... 73
Het Boeren- en Tuindersblad..................................... 77
De Handelsraad van de A.B.T.B................................... 78
De Verzekeringsinstellingen..................................... 79
De Gelderse Eierveiling......................................... 80
Het Landbouwboekhoudbureau...................................... 81
De Inspectiedienst.............................................. 82
De organisatie der jongeren..................................... 83
De Boerinnenbonden van de A.B.T.B............................... 86
Oorlog en bezetting (1940-1945)................................. 87
De nieuwe tijd.................................................. 97
Statutenwijziging...............................................101
Groei in ledental...............................................102
Bezoek van de Kardinaal.........................................103
Zij, die heengingen.............................................105
De A.B.T.B. in opmars...........................................108
Via de stichting voor de Landbouw naar het Landbouwschap ...... 118
Nieuw leven in een nieuw land....................................121
Emigratie........................................................124
Het Deken van der Waardenfonds...................................126
De Imkersbond....................................................128
Het onderwijs in de A.B.T.B......................................130
Sociaal en cultureel werk........................................138
De Landelijke Rijverenigingen van de A.B.T.B.....................142
Het Bondsorgaan..................................................146
De Handelsraad van de A.B.T.B....................................147
Het Landbouwboekhoud- en Accountantsbureau van de A.B.T.B....... 155
De Coöperatieve Eierveiling van de A.B.T.B.......................159
DejiVerzekeringsinstellingen van de A.B.T.B......................162
De Coöperatieve Verkoopvereniging van de A.B.T.B.................166
De Inspectiedienst van de A.B.T.B................................171
De tuinbouw in de A.B.T.B........................................173
Katholieke Paedagogische Beroepsvoorlichting.....................176
De Boerinnenbonden...............................................176
De organisatie der jongeren......................................181
De Meisjesbeweging van de A.B.T.B................................185
De Plattelandsjongerenorganisatie (K.P.J.).......................188
Besluit..........................................................189

Ten geleide
Het gouden jubileum van de A.B.T.B. en zijn instellingen betekent het bereiken van een mijlpaal en stemt tot vreugde en dankbaarheid, ondanks
de rampen en wisselvalligheden die er in dit tijdsbestek plaatsvonden.
Dankbaar op de eerste plaats jegens de goede God die al die jaren Zijn zegen schonk aan het werk van onze standsorganisatie en zijn instellingen,
dankbaar aan alle medewerkers, die in de loop der jaren hun beste krachten hebben gegeven om dit werk te stimuleren, te progageren en uit te bouwen.
Dankbaar in het bijzonder aan de pioniers, de werkers van het eerste uur, die zich geheel pro Deo volledig hebben ingezet om deze boeren en tuin-
ders standsorganisatie op te richten en door de eerste moeilijke jaren, met al zijn kinderziekten heen te loodsen.
Het spreekt wel haast vanzelf dat, met het 50-jarige bestaan in het verschiet, bij het hoofdbestuur van de A.B.T.B. de gedachte opkwam om ter
gelegenheid van het gouden jubileum een gedenkboek uit te geven, om daarin voor het nageslacht de geschiedenis van de eerste 50 jaren van de
A.B.T.B. en zijn instellingen vast te leggen.
Aanvankelijk hadden wij gehoopt onze geachte en bekwame algemeen secretaris Ir. Everts, die daar zo bij uitstek toe in staat zou zijn geweest,
na zijn pensionering in 1962, met de samenstelling van dit boek te mogen belasten hetgeen door hem ook reeds in principe was geaccepteerd.
Helaas heeft zulks door het spoedig en naar onze begrippen te vroeg verscheiden van hem niet zo mogen zijn.

Gelukkig vonden wij daarna de heer drs. W. Boshouwers uit Nijmegen bereid dit werk op zich te nemen. Naar mijn mening is hij daarin goed
geslaagd, ondanks de handicap van de totale vernietiging van ons bondsgebouw met het gehele archief, bij de slag om Arnhem in 1944.
Duidelijk komt, meen ik, in dit gedenkboek naar voren, de gunstige invloed die de A.B.T.B. en zijn instellingen hebben gehad op de geestelijke,
maatschappelijke, culturele en stoffelijke verheffing van de leden van onze Boeren- en Tuindersbond en van het gehele platteland.
Gaarne wil ik dit voorwoord besluiten met de wens, dat ook in de toekomst onze Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond met al zijn instellingen,
nuttig en vruchtbaar werkzaam mogen zijn voor het algemeen welzijn en voor de belangen van onze leden in het bijzonder.
A. T. Hettinga, voorzitter

Aartsdiocesane R.K. boeren- en tuindersbond;  
 

17. Boeknummer: 00345  
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 1 Voorspel
Oorlog -- Tweede wereldoorlog, algemeen           (1969)    [dr. L. de Jong]
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 1 Voorspel

Voorwoord
Toen de minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen mij in 1955 op voorstel van het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opdracht verleende, een uit ver-
scheidene delen bestaand geschiedwerk te schrijven, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, was ik mij bewust, een taak ter hand te nemen welker voltooiing min-
stens vijftien jaar in beslag zou nemen. Nu dan thans van de serie die ik mij voorstel te schrijven, het eerste, inleidende deel verschijnt, weet ik dat het (als mij gezondheid en werkkracht
gelaten worden), van ‘55 af gerekend, niet vijftien maar minstens vijf-en-twintig jaar zal duren voor ik, dankbaar en opgelucht, onder het manuscript van de laatste bladzij van het
laatste deel het woord ‘einde’ schrijven kan.
Dat besef noopt tot terughoudendheid in dit Voorwoord.
Er zou omtrent de voorbereiding al van dit eerste deel veel te berichten zijn; te getuigen ook van diepe erkentelijkheid jegens de overheid die dit werk mogelijk maakte en jegens
allen (in de eerste plaats het bestuur van het Rijksinstituut en de vele anderen die bij zijn wetenschappelijke arbeid betrokken zijn) die de gestage groei van dat werk met hun waakzame en
kritische belangstelling volgden en steunden: het ware alles prematuur. Zulk een terugblik heeft eerst zin en is, dunkt mij, eerst gepast, maar dan ook geboden, wanneer het gehele
werk voltooid is.
Intussen heeft de lezer recht op een enkele opmerking, een enkele toelichting.

klik op de pijlpunt links voor het volledige voorwoord


Laat ik dan vooropstellen dat ik het schrijven van dit uitvoerig Voorspel (eerste deel uit een serie van acht of negen delen) als een enerzijds noodzakelijke, anderzijds moeilijke,
ja hachelijke taak ervaren heb. Van die noodzakelijkheid zal, naar ik vertrouw, de lezer overtuigd raken. Immers, de sleutel voor het begrip van hetgeen in de tweede wereldoorlog
met en binnen het koninkrijk geschiedde, ligt in de voor- oorlogse gebeurtenissen. Maar waarom moeilijk en waarom hachelijk? Om geen andere reden dan dat het hier beschreven
tijdvak (goeddeels samenvallend met de periode tussen de twee wereldoorlogen) hier te lande in zijn onderdelen en samenhangen nog maar nauwelijks object geweest is van weten-
schappelijk onderzoek. Ik had er eigenlijk nog een jaar of twintig op moeten studeren voor ik de pen ter hand nam; die tijd ontbrak. Wat ik dan bied, is in de eerste plaats een schets
van het geheel der politieke, economische, sociale en militaire factoren die stuk voor stuk en tezamen de achtergrond vormen voor het bewogen relaas dat nog in volgende delen te ont-
vouwen valt. Enkele belangrijke aspecten van het culturele leven (kunsten en wetenschappen bijvoorbeeld) heb ik geheel terzijde gelaten. Niet dat ik hun betekenis onderschat! Maar
ik wist mijn specialistische kennis te gering en kon, wat ik wist, in dit Voorspel niet invoegen. Op sommige punten kom ik intussen in latere delen terug.
Daar zij dan aan toegevoegd dat ik mij voorstel, in die latere delen ook de positie van Suriname en de Nederlandse Antillen binnen het koninkrijk te behandelen; voorts, dat de geschiede-
nis van Nederlands-Indië in de jaren ‘20 en '30 breder beschreven zal worden in een apart deel van deze reeks dat geheel aan Indië gewijd zal worden.
Eindelijk dan dit: de staatkundige verantwoordelijkheid voor de verschijning van dit deel zo goed als van de overige delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereld-
oorlog ligt (dat vloeit uit de positie van het Rijksinstituut voort) bij de minister die tot dat verschijnen machtiging gaf.
Ik wil aan die verantwoordelijkheid niet tornen en evenmin aan de waarde van de bemoeienissen die anderen (alweer: bestuur en medewerkers van het instituut in de eerste plaats)
met de door mij geschreven tekst hadden, wanneer ik er van getuig dat ik mij als auteur zelf verantwoordelijk beschouw voor hetgeen hier wereldkundig gemaakt wordt.
Ik heb, mij zettend tot het schrijven van dit werk, geen enkel falen met de mantel der liefde willen bedekken. Ik had, ik heb, slechts één behoefte: in dit relaas alles op te nemen wat mij
historisch relevant lijkt. Serieuze geschiedschrijving is zonder die volstrekte openhartigheid, zonder politieke en geestelijke vrijheid, ondenkbaar. Welnu, wanneer één ding mij kracht
gegeven heeft, het in '55 ondernomen waag- en werkstuk te brengen op het punt waarop het thans beland is, dan wel het besef, in volledige vrijheid te arbeiden aan een taak waarvan
ik dan de lengte onderschat mag hebben, maar niet de zwaarte.
Dat mij die taak werd toevertrouwd, heb ik gevoeld als een
dure verplichting en als een kostelijk voorrecht.
L. DE JONG



Inhoud
Hoofdstuk i - Paleis Noord einde 1
    Overgang 6

Hoofdstuk 2 - Negentiende eeuw 11
    Thorbecke 14
    Doorbraak van het kapitalisme 16
    Kuyper en de Savornin Lohman 23
    Schaepman en de katholieken 26
    De socialisten 30

Hoofdstuk 3 - De eerste wereldoorlog en zijn gevolgen 35
    November ’18 40
    De nawerking 47
    ‘Nooit meer oorlog!’ 52

Hoofdstuk 4 - Een conservatief land 64
    Modernisering der productie 79
    Sociale tegenstellingen 85

Hoofdstuk 5 - De diepe crisis 105
    Eerste ordening 110
    De werkloosheid 114

Hoofdstuk 6 - Hitler’s opkomst 131
    Van Braunau naar München 136
    Van München naar Berlijn 144
    Nederland en de Machtübernahme 151

Hoofdstuk 7 - ‘De Zeven Provinciën’ 156
    Nederland en Indië 163

Hoofdstuk 8 - Colijn en de ‘aanpassing’ 178
    'Aanpassing' en ordening 186
    Effect op Indië 198

Hoofdstuk 9 - Het protest van links 202

klik op de pijlpunt links voor de volledige inhoud


Hoofdstuk 10 - Het rechts-autoritair protest 216
    Mussolini 219
    Nederlandse bewonderaars 224
    Rechts-autoritaire organisaties 229
    ‘Landbouw en Maatschappij' 232
    Katholiek fascisme 235
    Fascisten-van-de-daad 242
    De NSNAP’en 247

Hoofdstuk 11 - Mussert en de NSB 254
    Opmars 265
    Mussert naar Indië 276
    Het karakter der beweging 279
    De NSB en het antisemitisme 295
    Mussert tussen Mussolini en Hitler 302
    De NSB wordt teruggedrongen 309
    Mr. M. M. Rost van Tonningen 336
    Na de nederlaag van '37 342

Hoofdstuk 12 - De andere fascisten 349
    Terugblik 362

Hoofdstuk 13 - ‘Das dritte Reich’ 365
    Van der Lubbe en de Rijksdagbrand 372
    Gelijkschakeling 387
    Jodenvervolging 408
    De voorbereiding der aggressie 416

Hoofdstuk 14 - Nederland en Duitsland 428
    De politiek der grote mogendheden 430
    De Spaanse burgeroorlog 436
    Economische betrekkingen met Duitsland 438
    Publieke opinie 442
    De eerste vluchtelingen 446
    Een internationaal vraagstuk 452
    Nederlands beleid 455
    Het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen 462
    Prof. dr. D. Cohen 465
    Het Joodse Vluchtelingencomité 469
    Na de Anschluss 477
    De Reichskristallnacht 481
    De eerste kampen 489
    De politieke vluchtelingen 493
    Duitse nationaal-socialisten in actie 506
    Prins Bernhard 518

Hoofdstuk 15 - De defensie 530
    De bezetting van het Rijnland (maart '36) 536
    Achterstand 543
    Anschluss en Sudetencrisis (1938) 555
    De crisis van lente '39 564
    Het debat over het krijgsbeleid 571
    Andere vormen van verdedigingsvoorbereiding 580

Hoofdstuk 16 - Van Colijn naar De Geer 590
    De zaak-Oss 595
    De val van Colijns vierde kabinet 597
    Zes weken crisis 600
    De SDAP 603
    De Geers formatie 607
    De minister-president 612
    De overige ministers 617
    Het Duits-Russisch bondgenootschap 632
    De CPN 636
    Mobilisatie 641
    Oorlog 651

Bijlage - De Nederlandse kabinetten 1918-1939 655

Lijst van illustraties 661

Lijst van kaarten 664


Rijksinstituut Voor Oorlogsdocumentatie / Staatsuitgeverij Den Haag;  
 

18. Boeknummer: 00346  
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 2 Neutraal
Oorlog -- Tweede wereldoorlog, algemeen           (1969)    [ dr. L. de Jong]
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 2 Neutraal
voor het Voorwoord zie ook boek 00345

Inhoud
Hoofdstuk i - Koningin Wilhelmina    1
    Jeugd en. vorming van de Koningin    14
    Koningin der Nederlanden    26

Hoofdstuk 2 - De eerste weken    45
    Op wacht    53
    Hitler heeft haast    62

Hoofdstuk 3 - Het Venlo-incident    73
    Voorgeschiedenis    84
    De overval    95
    Gevolgen    97

Hoofdstuk 4 - Het eerste alarm    105
    Effect    120

Hoofdstuk 5 - De neutraliteit als probleem    129
    Regeringsbeleid    140

Hoofdstuk 6 - Tussen twee vuren    150
    Scheepsverliezen    158
    Oorlogseconomie    103

Hoofdstuk 7 - De conflicten met generaal Reynders    171
    Het dispuut over het krijgsbeleid    182

Hoofdstuk 8 - Het tweede alarm    199

Hoofdstuk 9 - Generaal Winkelman treedt op    211
    De contacten met België, Frankrijk en Engeland    227

Hoofdstuk 10 - April '40    242
    De ‘Vijfde Colonne’    249
    Staat van beleg    267

Hoofdstuk 11 - ‘Fall Gelb'    283
    De Duitse spionage    286
    Het aanvalsplan    296
    ‘Sport en Spel’    308
    De Militarverwaltung    315
    Wat wist men aan Nederlandse kant?    321

Hoofdstuk 12 - De Nederlandse krijgsmacht    324
    Uitrusting    325
    Kader en manschappen    343
    De stellingen en de opstelling    349
    Slotsom    361

Hoofdstuk 13 - De ‘boze droom’    364
    Het vooruitzicht van langdurige strijd    365
    Het vooruitzicht van een Duitse bezetting    378
    Balans    388

Hoofdstuk 14 - Codewoord ‘Danzig'    395
    Het Duitse memorandum    399
    De missie van Kiewitz    402
    Voorzorgsmaatregelen    406
    'Fall Gelb'    414
'Morgenvroeg bij het aanbreken van de dag’    417
    Naar de bruggen    432
    Koningin en ministers    450

Lijst van illustraties    457

Lijst van kaarten    460

 Rijksinstituut Voor Oorlogsdocumentatie / Staatsuitgeverij Den Haag;  
 

19. Boeknummer: 00347  
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 3
Oorlog -- Tweede wereldoorlog, algemeen           (1970)    [dr. L. de Jong]
Het Koninkrijk der Nederlanden in WO II deel 3 MEI 1940

Inhoud
Hoofdstuk 1 - Vrijdag 10 mei        1
       De strategische verrassing       3
        ‘Een vlammend protest’       35
       In Berlijn        51
       Algemeen Hoofdkwartier       54
       Zuid-Limburg       65
       Maaslinie en Peel-Raamstelling       70
       Van Mook tot Arnhem       82
       De IJsellinie       87
       De noordelijke provincies       94
       De evacuaties       97
       Het begin van de Vijfde Colonne-paniek       103
       De eerste arrestaties en interneringen       115
       Tussen Haarlem en Hoek van Holland        119
       Rotterdam       129
       Van Nieuwe Waterweg tot Hollands Diep       136
       De komst der Fransen       143
       Londen       148
       Balans       157

Hoofdstuk 2 - Zaterdag II mei       168
       De Vijfde Colonne-paniek       169
       Arrestaties en interneringen       181
       De Grebbelinie       185
       Noord-Brabant       196
       Vesting Holland       207
       Optimisme       224

Hoofdstuk 3 - Zondag 12 mei       228
       De val van de Wonsstelling       229
       Grebbelinie       232
       Vesting Holland       248
       Militaire Luchtvaart       258
       Het prinselijk gezin vertrekt       260
       De ministerraad       264
       Avond        272

Hoofdstuk 4 - Maandag 13 mei       275
       Bezuidenboutseweg 30       277
       De koningin vertrekt       279
       De ministers       282
        ‘Tot de laatste man standhouden’       292
       Komwerderzand       294
       Vesting Holland       296
       De val van de Grebbelinie       306
       Terugtocht       322

Hoofdstuk 5 - Dinsdag 14 mei       336
       Colijn       338
       Doorvechten!        341
       Rotterdam: ultimatum       343
       Rotterdam: bombardement en brand       354
       Rotterdam: overgave       367
       Winkelman capituleert       385
       Landmacht       398
       Marine       413
       De vluchtelingen       398
        ‘W ij hebben de strijd gestaakt’       413
       IJmuiden       418

Hoofdstuk 6 - Londen       423

Hoofdstuk 7 - De strijd in Zeeland en zijn nasleep       433
       De Zeeuwse eilanden.        436
     België en Frankrijk       445

Hoofdstuk 8 - Balans       460
       De verliezen       460
       De Duitse buit       462
       De ‘Vijfde Colonne’       464
       De nederlaag       469
       De krenking       476

Lijst van illustraties       482

Lijst van kaarten       487

Rijksinstituut Voor Oorlogsdocumentatie / Staatsuitgeverij Den Haag ;  
 

20. Boeknummer: 00411  
Bijdragen tot de geschiedenis zuiden van Nederland 1849-1903
Historie -- Brabant, algemeen           (1966)    [J.F. Vlekke]
Bijdragen tot de geschiedenis zuiden van Nederland 1849-1903 Deel VI

VOORWOORD
Bij het schrijven van deze biografie heb ik aan den lijve ervaren, dat de objectiviteit een van de moeilijkste problemen is waarvoor de
historicus zich gesteld ziet. De meeste hedendaagse historici zijn het er over eens, dat de geschiedschrijving gebonden is aan tijd en per-
soon. In de geesteswetenschappen is een mechanisch, onpersoonlijk onderzoek een onbereikbaar ideaal. P. Geyl noemt de geschiedenis
een discussie zonder einde, die niet tot de enige, algemeen aanvaarde conclusie zal leiden. J. Romein gaat in zijn 'Theoretische Geschie-
denis' nog verder en komt tot de paradoxale formulering, dat de verdienste van de geschiedschrijver is gelegen niet in wat hij als
historicus, maar in wat hij als niet-historicus waard is. Hij bedoelt hiermee te zeggen, dat het subjectieve element, de verklaring der
historische feiten vanuit een bepaalde levensvisie, minstens even belangrijk is als die feiten zelf, het objectieve element.
Niet als louter vakman moet men de geschiedenis tegemoet treden, maar ook als mens. Geschiedenis is kennis van de mens door de
mens en kan alleen bestaan door samenwerking van subject en object. Maar tegelijkertijd eist geschiedenis een kritische beschouwing
van de mens uit het verleden, zodat een objectieve stellingneming van de historicus een logisch gevolg is. De eerste norm voor de ge-
schiedschrijving is wetenschappelijk, niet ethisch. Wie echter met J. Nota gelooft, dat de geschiedenis als wetenschap ontstaat uit de
dialoog tussen geschiedvorser en de 'stemmen” uit het verleden die hij beluisteren wil, legt voor een verdere fundering ethische normen
aan, waaraan hij zijn oordelen toetst'. Het schrijven van een biografie wordt pas dan tot een bevredigend einde gebracht als dit geschiedt
vanuit een motief.
Ik heb hieraan vaak moeten denken sinds Broeder Theophile Nijman mij opmerkzaam maakte op het leven van Jan Frederik Vlekke.
De sociale bewogenheid van deze man appelleerde aan mijn levendige sociale belangstelling, die mij van huis uit werd meegegeven. Mijn
vader wijdde een belangrijk deel van zijn leven aan allerlei sociale aktiviteiten in mijn geboortestad Roosendaal. Als wethouder van
Sociale Zaken gedurende zeventien jaar, heeft hij mede vorm gegeven aan het sociale leefklimaat van West-Brabant. Als zodanig mag
ik hem de inspirator noemen van dit werk. Het geslacht van wijlen mijn moeder stamt uit dezelfde streek als het geslacht Vlekke. Aan
haar rustige toewijding en taaie vasthoudendheid dank ik mijn wetenschappelijke opgang.
Met grote voldoening kan ik terugdenken aan de medewerking die ik mocht ondervinden van Prof. Dr. B. H. M. Vlekke. Hij heeft
niet alleen de documentatie van zijn vader zorgvuldig bewaard, geordend en te mijner beschikking gesteld, maar ook mijn studie met
grote belangstelling gevolgd en mij voortdurend geholpen, zonder daarbij enige invloed uit te oefenen op de waardeoordelen die ik
over zijn vader heb geformuleerd. Het geregeld contact dat ik met hem mocht hebben, is uitgegroeid tot een warme vriendschap.
Veel dank ben ik verschuldigd aan mijn promotor Prof. Dr. P. H. Winkelman onder wiens leiding ik deze studie heb kunnen voltooien.
Zijn constructieve op- en aanmerkingen hebben het jeugdwerk doen uitgroeien tot de mannenmaat.
Verder gaat mijn dank uit naar mijn collega’s en vrienden die de tekst van taalkundige ongerechtigheden hebben gezuiverd, naar de
typiste en naar degenen die mij op allerlei manieren hebben geholpen. Een niet geringe steun ondervond ik van de archiefambtenaren
H. Zandbergen en A. Buijsen bij het opsporen en hanteren van archivalia en literatuur en van de manier waarop zij mijn talloze
werkuren op het Roosendaalse Gemeentearchief hebben veraangenaamd.
Het heeft mij voorts aangenaam getroffen, dat verschillende gemeentebesturen, standsorganisaties en bedrijven, vooral de suiker-
industrie, reeds vóór de verschijning van het boek blijken van belangstelling hebben getoond.
Tenslotte ben ik het bestuur van de Stichting Zuidelijk Historisch Contact erkentelijk voor het opnemen van deze biografie in de
Serie.
De schrijver


INHOUDSOPGAVE
Voorwoord V

Lijst van afbeeldingen XIV

Geraadpleegde bronnen XV

Geraadpleegde literatuur en gedrukte bronnen XVI

Inleiding 1
De opkomst van de grootindustrie in Nederland rond 1870 — Malaise in de landbouw — Liberale crisis-therapie — Ontstaan beetwortelcultuur en
suikerfabricage — Verandering in de ondememersactiviteit — Massificatie van de arbeid en begeleidingsverschijnselen — Individualistische karakter-
trekken in sociale en economische ordening tweede helft negentiende eeuw — Jan Frederik Vlekke model voor nieuw ondernemerschap — Genealogie
familie Vlekke — Biografische notities J. F. Vlekke, onderwijzer, boekhouder, directeur suikerfabriek te Oud Gastel — Periodisering van zijn
werkzaamheid als industrieel — 1889 Begin sociale bedrijfsvoering — 1898 Aanvang sociale activiteit buiten de fabriek — Christelijk beginsel —
Geestverwanten — Theorie en praktijk — Onverwachte dood — Grafrede van Ariëns — Verantwoording over indeling van het boek.

Hoofdstuk I
DE INDUSTRIEEL
22
Suikerfabricage in West-Brabant — Overzicht fabrieken — Suikerbereiding — Technische vooruitgang — Het verkrijgen van de grondstof — Con-
tractsystemen — Protectie suikerindustrie — Accijnsheffing — Invloed accijnsheffing op beetwortelcultuur — Afschaffing protectie — Suikercon-
ventie 1902.

Gastelse Beetwortelsuikerfabriek 35
Oprichting — Maatschappelijk en bedrijfskapitaal — Eerste directeur J. J. van Sprangh — Optreden van J. F. Vlekke in aandeelhoudersvergadering
— Zijn benoeming tot directeur 1881 — Expansie fabriek — Statistiek Gastelse Beetwortelsuikerfabriek en Fa. de Ram en Co., Roosendaal —
Overzicht dividenduitkeringen — Goede en slechte campagnes — Bedrijfsconcentratie — Nevenindustrie — Vlekke contra oprichting Zuid-Neder-
landsche Spiritusfabriek — Overzicht fabrieksexpansie onder Vlekke.

Andere industriële activiteiten 59
Directeur St Antoine — Opbouw van deze fabriek — Reorganisatie andere fabrieken — Financieel expert — Bekendheid in het buitenland — Coöpe-
ratieve weverij De Eendracht te Haaksbergen — Commissaris van deze weverij __ Liquidatie — Plan Ruijs de Beerenbrouck en Vlekke partici-
patie in metaalfabriek te Maastricht.

DE KOOPMAN 72
Wedijver om de grondstof — Verhouding teler-fabrikant — Tegenstrijdige belangen — Algemene Vereniging van landbouwers contra Bond van
Suikerfabrikanten — Suikergehalte en gewicht — Partidpatie-contract — Bladen voor Suikerbietenteelt — Voor en tegen van het partidpatie-contract
— Buiten Oud Gastel weinig in toepassing — Rijkspremie en participatie — Credietvoorziening — Rederij Oud- en Nieuw-Gastel.

DE COÖPERATOR 94
Vormen van coöperatie — Coöperatie in de suikerindustrie — Eerste plannen mislukt — Sas van Gent — Vlekke voorstander van coöperatie —
Voorbereider coöperatieve suikerindustrie West-Brabant — Supervisor plan coöperatieve suikerfabriek Steenbergen — Coöperatieve suikerfabrieken
1900-1910 contra Algemene Suikermaatschappij — Verkoop Gastelse Beetwortelsuikerfabriek — Oprichting, opzet en ontwikkeling coöperatieve
suikerfabriek Dinteloord — Andere coöperaties — Bundeling — Machtsverhouding Centrale Suikermaatschappij en Bond van Coöperatieve Suiker-
fabrieken.

Hoofdstuk II

DE WERKGEVER 106
Oude gezagsverhoudingen — Verzakelijking menselijke verhoudingen in de grootindustrie — Sociaal conservatisme in Brabant — Stemmen uit
Tilburg — Vlekke contra Van Spaendonck — Streven naar gelijkberechtiging — Sociale en economische opvattingen in het liberale tijdvak — Op-
komst vakbeweging — Tegenwerking werkgevers — Oude en nieuwe elementen in Vlekkes patroonschap — Het patriarchalisme van Le Play __
Vlekke en de arbeidersorganisatie — Scheiding sociale actie en politiek __ Gewijzigde visie op staatsbemoeiing — Gerechtvaardigde werkstaking —
Modelwerkgevers — Invloed van Van Marken en Stork.

Arbeidsloon 133
De vrije economie — De natuurlijke prijs van de arbeid — Loonvorming volgens economische of ethische norm — Katholieke visie op het loon-
systeem — Het begrip sociale rechtvaardigheid — Loonregeling te Oud Gastel — Omschrijving familieloon — Loonsystemen bij Van Marken en
Stork — Weeklonen op Gastelse Beetwortel suikerfabriek — Winstdeling — Daglonen in West-Brabant, Tilburg en Maastricht.

Arbeidstijd en zondagsrust 148
Arbeidsduur in Nederland — Experiment Van Besouw inzake verkorting arbeidstijd — Vlekke over de arbeidstijd — De normale arbeidsdag —
Arbeidstijden in Tilburg — Zondagsrust — Wetsontwerp-Lely op arbeidsen rusttijden — Zondagsarbeid in Brabantse suikerindustrie — Advies aan
de bisschop over arbeid op zondag in verband met dispensatieverlening.

Verhouding directie - personeel 162
Patronale zorg — Opvoeding tot volwassenheid — De Kleine Courant — Erekruisen voor trouwe dienst — Reglement voor de Arbeid — Arbeidsraad.

Instellingen ter voorziening in materiële behoeften 169
Coöperatieve inkoopvereniging voor kolen en graan — Strijd over consumptie-coöperatie — Coöperatieve aspiraties van Vlekke — Arbeiders-
woningen — Fabrieksspaarkas — Pensioenfonds — Invaliditeitsverzekering — Ziekenfonds — Fondsen bij Hovy, Van Marken, Stork, Regout —
Weduwen fonds — Hygiënische verzorging — Fabrieksveiligheid.

Godsdienstig leven, ontwikkeling en ontspanning 190
Armetierig volksleven — Brabantse geloofstrouw — Een kerk te Stampersgat — Clericale bekrompenheid — Schoolbezoek — Tekenschool — Fa-
brieksbibliotheek — Geordend gezinsleven — Kroegleven — Muziek en toneel — De Hollandse Harmel.

Hoofdstuk III

DE DRANKBESTRIJDER 201
Alcoholisme in de 19e eeuw — Oorzaken en omvang — Eerste bestrijding — Amerika — Natte en droge deelstaten — Drankweerapostelen in Europa
— Het falen van het persoonlijk appèl — Nieuwe wegen in de drankbestrijding — Studie van het alcoholisme — Drankbestrijdingsverenigingen —
Innerlijke tweespalt geheelonthouders contra matigen — Prohibitie in de Verenigde Staten — Overheidsbemoeiing in andere landen —Local option
— Gothenburgerstelsel.

NEDERLAND 215
Eerste beweging — Heldring en Herckenrath — Ned. Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank — Eerste drankbestrijding in katholieke kring
— Volksbond tegen Drankmisbruik — Overzicht drankgebruik — Andere drankbestrijdingsverenigingen — Vakbeweging en drankbestrijding.

De katholieke drankbestrijding 221
Achterstand in organisatie •— Weerstanden tegen onthouding — Schaepman en de drankwet 1881 — De kwestie van de twee borrels.

Eerste Organisatie 225
Ariëns als centrale figuur — Een belofte van drie vrienden — Ontstaan en groei Kruisverbond — Drankbestrijding een arbeiderszaak — Drank-
weeractiviteiten van J. F. Vlekke — Eenling in het gewest — Drankmisbruik en hoger loon — Bestrijdingsmethodiek — Anti-alcoholpedagogie
— Invloed arbeidstijd op drankgebruik — Voorbeeld hogere standen — Onthouding en karaktervorming — Contacten met gewijde sociale werkers.

Het eerste katholieke matigheidscongres 239
Ariëns op jacht naar kopstukken — Plan voor een congres — Gematigd standpunt — Samenstelling comité — Vlekke als congresspreker — Schaep-
man huldigt — Taak werkgever in de strijd tegen drankmisbruik — Sociale voorzorg beste drankbestrijding — Oorzaak en gevolg tussen sociale
misère en drankmisbruik.

Vruchten van het congres 248
Drankbestrijding zaak van het hele volk — Organisatie — Comité van actie — Versplintering St. Paulusbond — Brabant propageert matigheid —
Sobriëtas Drie secties — Program voor werkgevers — Dagelijks bestuur Sobriëtas.

Propaganda-voordrachten 257
Vlekke als propagandist in Limburg — Alcoholisme onderdeel sociale kwestie — Strijd tegen de jenever — Rede te Deventer — De vrouw en
het Kruisverbond — De gave van het woord.

De Paulusbond 263
Strijd tussen Paulisten en Kruisverbonders — Groei Paulusbond — Jenevercandidaten.

In Eigen Kring 270
Melkdrinkende bietenlossers — Een anti-alcoholische burcht — Clericale bedilzucht — De eerste Paulusvereniging in het bisdom Breda— Een
alcoholarm dorp — Jenever op het werk — Filippica in Dongen — Alcoholvrije olievlek — Drankbestrijding op de Katholiekendag.

De eerste jaren van Sobriëtas 278
Nationale organisatie mislukt — Federatie diocesane bonden — Centrale raadsvergadering — Openbare actie — Criminaliteit en drankmisbruik —
Ariëns verdedigt geloofsgenoten — Criminaliteit en immoraliteit — Drankbestrijding is sociale arbeid.

Hoofdstuk IV

DE VOORTREKKER 286
Afwachtende houding kerkelijke overheid — Rerum Novarum — Conservatieve en progressieve bisschoppen — Oude en nieuwe ideeën over staats-
en gemeenschapsvormen — De school van Angers en de school van Luik — Christelijke democratie naast politieke democratie — Veuillotisme rem
op de sociale actie — Naar syndicale organisatie — Progressief-concervatief op politiek gebied — Politiek karakter sociale kwestie in België —
Adolf Daens — Daensisme.

Sociale evolutie in katholiek Nederland 297
Minderheids-katholicisme — Negatieve elementen in beginnende christelijke sociale actie — Afwending liberalisme — De Tijd en het integralisme
— Het Centrum bazuin van progressieven — Vlekke als publicist.

Openbare actie 305
Sociale rhetorica — De christen-democraat J. F. Vlekke — Utramontaan — Het Daensisme in Nederland — Aanval op Daens — Begripsverwarring —
Het neo-liberalisme — Polemiek rond de Arbeidswet — Een strijder tegen economisch liberalisme.

Centraal Bureau voor Sociale Adviezen 316
Doel — Dagelijks bestuur — Commissies — Ledenbestand — Adviezen — Katholiek Arbeidskantoor — Activiteiten van een bestuurslid.

De Klarenbeekse Club 325
Het koperen priesterjubileum van Gisbert Brom — Progressieven bijeen — Schaepmanianen zonder Schaepman — Chronica — Ledenlijst — Reünies
— Discussiëren en spelevaren — Initiatieven — Te-Kort der Katholieken.

Van Onzen Tijd 331
Gemêleerd gezelschap — Actie voor nieuw tijdschrift — Plan-Kalf mislukt — Toch een nieuw tijdschrift — Kwestie Kalf-Molkenboer Klaren-
beek en Van Onzen Tijd — Nieuwe wegen in literatuur en kunst.

Katholiek Sociaal Weekblad 338
Verwezenlijking van een ideaal — Aalberse redacteur Katholiek Sociaal Weekblad — Nolens supervisor — Twee Brabantse raadgevers — Finan-
ciële regeling — Doelstelling — Een gewaardeerde medewerker.

De Katholieke Sociale Actie 343
Een belangrijke staking — Comité van Actie — Katholieke Sociale Actie — Actieve leden in het Comité — Verzet tegen dericalisme — Vlekkes
visie op de priesterlijke taak.

Politieke opvattingen 351
Het gouden kalf — Sociaal werker is geen politicus — Een weigering aan Aalberse — Ergernis over het politieke spel — Politieke denkbeelden van
Vlekke — Democratische gezindheid — Kiesverenigingen in West-Brabant — Verkiezingsperikelen — Kloek optreden — Politieke vrienden — Een
burgemeestersbenoeming — Brabantse visie op de Limburgse Mijnwerkers- bond.

Diocesane Katholiekendagen 359
Algemene Katholiekendag naar Duits model — Episcopaat achter Schaepman — Ariëns kiest andere weg — Geen' succes voor Ruijs de Beeren-
brouck — Dood doorkruist een plan — Vlekke op de Limburgse Bondendag — Boerenorganisatie — De boerenapostel zoekt bondgenoot — Onder-
steuningsfonds voor onderwijzers — Spreker gezocht voor Venlo — Onderonsje bij de burgemeester — Vlekkes visie op de katholieke sociale
actie Evolutie in denkbeelden — Diocesane congressen als forum voor problemen van de dag — Katholiekendagen in Bossche bisdom — Weige-
ring om persoonlijke redenen — Les extrèmes se touchent — Van conservatief naar progressief — Merkwaardige coïncidentie — Eerste Katholie-
kendag te Breda — Ontwerpers — Ontkrachte conclusie — Te weinig progressiviteit.

Bij zijn dood 373
De veldheer sneuvelt — Liquidatie fondsen — Bestaanszekerheid op te zwak fundament Een moedige dorpsarts — Arbitragecommissie __
Dood kwam te vroeg — In memoriam van Aalberse — Begrafenis __ Roddel en laster — Opnieuw ontdekt — Monument — Onthulling.

BIJLAGEN

I Brief M. J. G. Kuypers aan Dr. Gisbert Brom, I-9-19O3 378
II Het Participatie-Contract der Gastelsche Beetwortelsuikerfabriek 379
III Berijmd verzoek om bietenvracht van schipper G. Steenstra, Schenkenschans, 2-7-1901 383
IV Brief S. J. Van Dieten aan J. F. Vlekke over Paulusbond, 18-11-1898 385
V Gedicht ”In Memoriam Jan Frederik Vlekke 1849-1903” door H. Enmann, s.j. Gepubliceerd in Het Centrum, 21-5-1903. 386
VI Rede van Gerard Brom bij onthulling Vlekke-monument te Stampersgat, 23-8-1958 387

Stichting Zuidelijk Contact;  
 

21. Boeknummer: 00412  
Geschiedenis van de Turnhoutse Speelkaarten 1826-1976
Cultuur -- Boeken           (ca. 1970)    [dr. E. van Autenboer en Louis Tummers]
Geschiedenis van de Turnhoutse Speelkaarten 1826-1976

DE TURNHOUTSE SPEELKAARTENINDUSTRIE (1826-1976)
door Dr. Eugeen van Autenboer
met een OVERZICHT VAN DE BELGISCHE SPEELKAART VAN 1379 TOT 1826
door Louis Tummers
Het geheel bewerkt door Jan Bauwens

INHOUDSTAFEL
TEN GELEIDE........................................................ 3

OVERZICHT VAN DE GESCHIEDENIS DER SPEELKAARTEN IN DE ZUIDELIJKE NEDERLANDEN....................................... 7
I. Oudste Speelkaarten : Hof van Brabant (XIV° eeuw) ... 9
II. Doornik (XVe eeuw).............................................11
III. Antwerpen (XVIe eeuw)......................................... 12
IV. Namen (XVIIe eeuw).......................................... 14
V. Oostenrijks Bewind......................................... 16
VI. Andere dan Turnhoutse fabrikanten na 1800 ................... 21

DE TURNHOUTSE SPEELKAARTENINDUSTRIE................................ 23
I. De papierverwerkende Nijverheid............................. 25
II. Pieter Corbeels............................................ 35
III. Brepols (1800-1826-1970)..................................... 44
IV. Wellens, Delhuvenne & C° (1834-1844)......................... 81
V. J.E. Glénisson &c Van Genechten (1837-1855)............... 90
VI. A. Van Genechten (1856-1970) ................................. 93
VIL J.F. Glénisson & Zonen (1856-1899)............................. 107
VIII. Gebr. Mesmaekers (1859-1968)................................ 118
IX. L. Biermans (1875-1970).................................... 131
X. La Turnhoutoise (1881-1960)................................ 141
XI. Carta Mundi (1970-)..................................... 144

BESLUIT............................................................ 146

BIBLIOGRAFIE....................................................... 149

De afgebeelde kaarten komen voort uit de verzamelingen van het Nationaal Museum van de Speelkaart, van Carta Mundi en van Jan Bauwens.
De filmen waren het werk van de Fotogravure Wens te Kontich.


TEN GELEIDE
De geschiedenis die voorafgaat ...
Dat dit jaar 150 jaren Turnhoutse speelkaartenindustrie worden gevierd, is een niet zo banaal feit, wanneer men
weet dat de naam « Turnhout » zowat over de hele wereld een begrip is geworden voor speelkaarten. Merk-
waardiger is evenwel nog dat deze 150 jaren in feite slechts een vierde vormen van de algehele Belgische
speelkaartentraditie : deze klimt immers terug tot 1379, binnen enkele jaren zes eeuwen dus.

Het is inderdaad dertien jaar vóór Charles VI van Frankrijk in 1392 zijn wereldberoemde tarokspel
bestelde aan zijn hofschilder Jacques Gringonneur, dat Hertog Wenceslas van Brabant er een bestelde aan zijn
hofschilder, Ingel Van der Noet; de som die hij daarvoor moest neertellen, was niet zo gering : het spel
kostte hem toen 2 mottoenen, hetgeen een goede BF 20 000 van dit ogenblik kan geweest zijn.

Sindsdien is het kaartspel niet meer uit deze gewesten weg te denken, noch als vermaak- en kansspel, noch
als industrieprodukt. In de middeleeuwse bronnen is hierover niet zo veel te vernemen, maar vanaf de
XVe eeuw beschikken we over meer dokumentatie.
Doornik vormde toen een heel belangrijk produktiecentrum : Rijksarchivaris A. Pinchart kon in de vorige eeuw
niet minder dan 27 namen van Doornikse fabrikanten tussen 1427 en 1537 bijeenbrengen, terwijl hij voor
de periode tussen 1439 en 1504 meer dan 40 Doornikse leerjongens vond.

In het midden van de XVIe eeuw wordt Antwerpen een centrum : vanuit de plaatselijke ateliers worden
honderden kisten speelkaarten verscheept, meestal Lansknechtkaarten, en vooral naar Engeland. De Lig-
geren van de Antwerpse Sint-Lukasgilde van Grafici vermelden nog steeds meesters-kaartenmakers in de
XVIIe eeuw. Maar tijdens het Oostenrijks bewind heeft Antwerpen als produktiecentrum vrijwel afgedaan.

In die periode wordt de fakkel overgenomen door Brussel en Gent : in de tweede helft van de XVIIIe eeuw
bloeien te Brussel een twintigtal ateliers; bij de eeuwwisseling loopt hun aantal echter terug tot 4. Te Gent
krijgen we drie « dinastieën », maar deze houden het langer uit dan hun Brusselse konfraters. De laatste
verdwijnt pas in 1843, maar zonderling genoeg gaat hij weer naar Brussel, waar dan gedurende twee decen-
nia een nieuwe opflakkering valt waar te nemen.

Vóór die tijd echter is te Turnhout P.J. Brepols al begonnen met speelkaarten te betrekken van enkele
kleine ateliers, die zowat over het hele land verspreid liggen (Antwerpen, Sint-Niklaas, Brussel, Dinant en
Namen). Als in 1826 zijn leveranciers hem niet meer kunnen volgen, besluit Brepols zelf speelkaarten te gaan
drukken. Meteen legt hij de eerste steen voor een onderneming, die eerst tal van navolgers krijgt — steeds te
Turnhout — en dezen vervolgens allemaal ziet opgeslokt worden, totdat er in 1970 nog drie overblijven.
Dezen besluiten op dat ogenblik hun krachten te bundelen en een enkele speelkaartenfabriek op te richten,
die op wereldniveau een eersterangsfiguur moet worden, Carta Mundi van Turnhout.

De boeiende geschiedenis van deze wel zeer vastgeankerde industrie wordt hier verteld door twee historici
in het vak : Louis Tummers en Dr. Eugeen Van Autenboer. Louis Tummers, die zelf een groot verzamelaar
is, schetst ons in vogelvlucht de vier en een halve eeuw geschiedenis vóór Turnhout. Dr. Van Autenboer, histo-
risch auteur en Konservator van het Nationaal Museum van de Speelkaart te Turnhout, vertelt ons over de
anderhalve eeuw Turnhout, een onderwerp waaraan hij tal van opzoekingen heeft gewijd.
Jan Bauwens

Ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel Brussel;  
 

22. Boeknummer: 00480  
De toekomst van Prinsenbeek
Annexatie -- Annexatie 1997.01.01           (1970)    [Gemeentebestuur Prinsenbeek]

De toekomst van Prinsenbeek. Rapport t.b.v. gemeentelijke herindeling

Inhoud
Ten geleide blz. 3
Honderd jaar gemeentelijke indeling 5
Regionaal beleid basis van gemeentelijke indeling 6
Prinsenbeek in het streekplan 7
Prinsenbeek zoekt de samenwerking 12
Provinciaal herindelingsplan 14
Verhouding herindelingsplan en streekplan 18
Herindeling: demokratie en samenleving 23
Herindeling in moderne stijl 27
Conclusies 30

Bijlagen:
I Bevolkingsoverzicht en bevolkings-prognose 32
II Gegevens onderwijs/sport en recreatie/sociaal-economische sector/sociaal-culturele en maatschappelijke sector 33
III Overzichten financiën 34/37
        A. Kapitaalsuitgaven 34
        B. Liquiditeitspositie 35
        C. Financieringspositie 36
        D. Budgettaire positie 37

Kaarten:
West-Brabant / de Regio Breda / Prinsenbeek 2
Huidige gemeentegrenzen 10
Diverse fasen van het herindelingsplan Breda 11
Kern Prinsenbeek in 1970 middenpagina
Het nieuwe Prinsenbeek in de Regio met ontwikkelingsbeeld Breda 29

Foto's:
Agrarisch gebied Prinsenbeek 16
met gegevens agrarisch Prinsenbeek 17
Woongebied forensen Prinsenbeek 25
met gegevens voorzieningenpakket 24

Aantekeningen 38/39

Er moet naar een hoofdstructuur worden gezocht die het mogelijk maakt dat in de loop van de tijd nog allerlei beslissingen kunnen vallen over de bestemming
van de ruimte.
Ruimtelijke ordening in een dynamische samenleving vereist dat de nadruk veel meer komt te vallen op het proces (d.i. het besturen van de ontwikkeling) dan
op een te bereiken eindstadium.
Dr. J. A. Launspach


Prinsenbeek: haar plaats en taak in de regio
Ten geleide
Wanneer wij U onze gemeente voorstellen, dan stellen wij U een financieel kerngezonde gemeente voor van 8.000 inwoners, straks 10.000 tot maximaal 14.000 inwoners, gelegen ten
noord-westen van Breda en westelijk grenzend aan Etten-Leur, vanwege haar gunstige ligging - ook ten opzichte van de Randstad Holland - door duizenden forensen verkozen tot
woonoord, vanwege haar bodemgesteldheid, ruimte en gunstige situering een uitstekend land- en tuinbouwgebied, met een voorzieningspakket, dat de eisen voor een 'volwaardig lokaal
verzorgingscentrum' reeds overtreft, en aan een goed levenspatroon in regionale zin - binnen de grenzen, door het ontwerp-streekplan West-Brabant gesteld, - verder gestalte geeft,
met een open oog voor de noodzaak van uitbreiding van de stad Breda en voor de taak, welke deze stad in de toekomst wacht, bekend met de problematiek, welke ten grondslag ligt aan de
vorming van een Regio Breda, alle ups en downs daaronder begrepen, bewust van de taak, welke deze Regio mag en moet verwachten van de gemeente Prinsenbeek, welke begrenzing onze ge-
meente ook zal krijgen.

Dit over-de-grenzen-heen-zien heeft reeds geleid tot:
een overeenkomst tussen de Raden der gemeenten Breda en Prinsenbeek tot gebiedsruil, waarbij Prinsenbeek een deel van haar grondgebied wil afstaan aan Breda voor stadsuitbreiding
(ruimte voor 50.000 inwoners), en Breda een gebied van nagenoeg gelijkwaardige grootte, doch met zuiver agrarische bestemming, wil afstaan aan Prinsenbeek; het ontwerpen van een
bestemmingsplan - in nauwe samenwerking door Breda en Prinsenbeek opgesteld - voor dit toekomstig stadsgebied;
een intensief deelnemen aan de opstelling - door Breda en omliggende gemeenten - van een structuurplan voor een verantwoorde ruimtelijke ordening van Breda en omgeving;
constante bereidheid om op korte termijn te komen tot een Regio Breda.

De overeenkomst Breda/Prinsenbeek tot gebiedsruil is voor Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant aanleiding geworden de situatie rond Breda in een bredere studie te betrekken.
Uit diverse alternatieven heeft dit College gekozen voor het meest vérgaande voorstel, voor een gemeentelijke herindeling in fasen, en in 1969 de Ie fase van het herindelingsplan Breda
in procedure gebracht, waarbij wordt voorgesteld naast opheffing van de gemeente Terheijden en Teteringen ook de opheffing van de gemeente Prinsenbeek.

Het is algemeen bekend, dat eerlang de 2e fase van het herindelingsplan Breda zal volgen, en dan voor delen van respectievelijk de gemeenten Oosterhout en Nieuw-Ginneken.
In een nota aan Gedeputeerde Staten heeft onze Gemeenteraad de nodige argumenten aangedragen voor andere conclusies, de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening alsmede het ontwerp-
streekplan West-Brabant en meer zuiver cijfermateriaal daarbij volgend, en alternatieve oplossingen voorgesteld, hierbij aansluitend op de ontwikkelingen ten aanzien van de Gewestvorming.

Dit boekje bevat de tekst van de nota, aangevuld met gegevens, cijfermateriaal, oriëntatiekaarten en foto’s, een en ander ter illustratie van de plaats en de taak van de gemeente
Prinsenbeek in de Regio Breda.

Wij bieden aan onze mede-bewoners - aan wie wij overigens onze eigen gemeente niet behoeven voor te stellen - en aan belangstellende personen, autoriteiten en instanties dit boek-
werkje aan, eenvoudig om hen op de hoogte te stellen en aldus hen de gelegenheid te geven mede te denken en mede te werken aan de toekomst van de gemeente Prinsenbeek.
Prinsenbeek, maart 1970.
Burgemeester en Wethouders
van Prinsenbeek.
P. J. A. Baetens, burgemeester,
P. P. A. van Hal, secretaris.


Gemeente Prinsenbeek;  
 

23. Boeknummer: 00481  
Gids voor Prinsenbeek
Overheid -- Gemeentegids           (1967)    [ ]

De Gids voor Prinsenbeek, welke hierbij door het Gemeentebestuur wordt aangeboden, beoogt voor U een zo volledig mogelijke informatiebron te zijn omtrent al datgene wat de gemeente te
bieden heeft.
Niet alleen kunnen wij onze middenstandsbedrijven voor al Uw bestellingen aanbevelen, ook het verenigingsleven geeft middels dit boekje een beeld van wat het te bieden heeft.
Daarnaast kon niet worden gemist een passend overzicht omtrent het meer openbare leven, zoals dit zich uit in Kerk, Gemeente, Charitatieve- en Standsorganisaties.
Tot slot zal de bijgevoegde plattegrond met stratenplan U de landschappelijke verkenning vergemakkelijken.
De snelle groei der gemeente deed de uitgave 1961 vrij spoedig uitgeput raken.
Deze tweede druk is naar ik hoop weer zoveel mogelijk up to date.
Moge voor hen die zich nieuw in de gemeente vestigen deze Gids een spoedige oriëntatie mogelijk maken.
PRINSENBEEK, NOVEMBER 1967.
DE BURGEMEESTER,
P.J.A.BAETENS


 Gemeente Prinsenbeek;  
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 24 april 2022