HEEMKUNDEKRING
OP DE BEEK
PRINSENBEEK

Beeldbank Bibliotheek

   
 

Heemkundekring 'Op de Beek' Beeldbank Bibliotheek Zoekresultaat

Aantal gevonden publicaties : 19   (uit: 485)


Uitgebreid zoeken

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 00063  
Prinsenbeek Kiezen voor de Toekomst
Ondernemingen -- Algemeen           (februari 1981)    [Egmond, K. v. drs.; e.a.]
Prinsenbeek Kiezen voor de Toekomst Adviesrapport CIMK 1981


Inleiding
Begin 1980 ontving het Centraal Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf van het College van Burgemeester en Wethouders en de plaatselijke middenstand van Prinsenbeek de opdracht tot het instellen
van een distributieplanalogisch onderzoek.

Het doel van een dergelijk onderzoek is inzicht te verkrijgen in de structuur en het functioneren van het winkelapparaat en op grond hiervan aan te geven wat de mogelijkheden zijn voor dit winkelapparaat
in de komende jaren, waarbij rekening wordt gehouden met het gewenste verzorgingsniveau voor de consument.

Een belangrijke aanleiding voor de opdracht vormt de ontwikkeling in de Haagse Beemden en in het kader hiervan een mogelijke ontwikkeling van de winkelfunctie op de Markt.

Het rapport kan globaal worden opgesplitst in twee delen.
Het eerste gedeelte analyseert het winkelgebeuren zoals zich dat op het ogenblik afspeelt. De gegevens hiertoe werden verkregen aan de hand van een inventarisatie van alle winkelvestigingen
in Prinsenbeek, een ondernemersenquête en een consumentenenquête .
Op grond van deze gegevensverzameling kan in hoofdstuk 2 een uitvoerige beschrijving worden gegeven van de structuur en het functioneren van het winkelapparaat, terwijl in hoofdstuk 3 de vraagzijde uit-
voerig aan de orde komt.
In hoofdstuk 4 tenslotte worden de aanbod- en de vraagzijde met elkaar geconfronteerd, waarna een aantal slotconclusies volgen.
Het tweede gedeelte van dit rapport handelt over de vraag of en in welke mate het verkoopvloeroppervlak in de toekomst kan worden uitgebreid en welke planologische en kwalitatieve maatregelen
genomen moeten worden om tot een zo optimaal mogelijk winkelmilieu te komen.

Centraal Instituut Midden- en Kleinbedrijf (CIMK);  
 

2. Boeknummer: 00064  
Rabobank Prinsenbeek
Ondernemingen -- Bank, Rabobank           (1991)    [Chr. Biemans e.a.]
75 jaar Rabobank Prinsenbeek

RABOBANK, PROFICIAT!
Naar mijn overtuiging zal ook Rabobank Prinsenbeek anno 1991 de eerste jaren, wellicht zelfs de eerste decennia van haar bestaan slechts of voornamelijk hebben gefunctioneerd als 'de' bank voor
de agrarische groepering in de toenmalige gemeente Princenhage en sinds 1942 onze gemeente.

In het kader van een coöperatieve organisatie zal dan als een voorschot- en spaarbank zijn opgetreden.

Dat de alhier opererende bank met de tijd is mede gegaan en in de loop der jaren naast wijziging van de tenaamstelling in verband met een samengaan op landelijk niveau met de Raiffeisenbank ook
de andere bank aktiviteiten tot haar werkterrein is gaan rekenen, is zonder meer prijzenswaardig te noemen en tekent het dynamisch 'jong' en attent op nieuwe ontwikkelingen in het totale
bankwezen willen blijven.

Het dienstverlenend karakter van Rabobank Prinsenbeek komt mijns inziens niet alleen tot uiting in de wijze waarop zij haar clientele benadert in de communicatieve sfeer doch ook in het toch
omvangrijke dienstpakket, dat zij haar clientele kan aanbieden. Daarbij denk ik met name aan de jongste ontwikkelingen op het terrein van bemiddeling en verzorging van vakantie-reizen en
het adviseren van beleggingen.

Bovendien mag mijns inziens hier zeker niet onvermeld blijven de ondersteunende rol van deze instelling - veelal minder of niet opvallend - ten opzichte van aktiviteiten van plaatselijke
verenigingen waarmede zij het gemeenschapsleven in Prinsenbeek wel een extra prikkelende stimulans geeft.

Als ik bestuur, directie en medewerkenden van Rabobank Prinsenbeek feliciteer met het 75 jarig bestaan van deze bank, van welke felicitatie ik mij bij deze volgaarne kwijt, dan wens ik hen
tevens van harte geluk met het continu hebben willen inspelen op zich aandienende ontwikkelingen in de totale bankwereld en zulks ten dienste en ten gerieve van onze plaatselijke gemeenschap.

Dat deze bank ook de komende jaren zich als een algemene bank zal kunnen blijven representeren, dat wens ik haar welgemeend toe.

De burgemeester van Prinsenbeek,
Mr L.K.M. Verwiel.


VOORWOORD van de voorzitter
Als voorzitter van het bestuur vind ik het een eer om een voorwoord te schrijven in deze jubileumkrant. In 1957 ben ik als bestuurslid aktief geworden voor de toenmalige Boerenleenbank.
Ik heb het werk altijd met plezier gedaan. Door het besturen van de bank sta je automatisch midden in de gemeenschap. Het is een hele weg, welke de bank gegaan is. Toen ik als bestuurslid aantrad,
was er op de bank naast de directeur, die toen kassier werd genoemd, één medewerker. Nu werken er 32 mensen op onze bank. Ook het aantal produkten waarover u kunt worden geadviseerd op onze bank is
enorm toegenomen. Spraken wij in het verleden alleen over sparen en lenen, nu is het scala aan produkten zo groot, dat ik maar geen poging onderneem om ze hier weg te schrijven.
Alhoewel het noemen van namen altijd het risico inhoudt dat je mensen vergeet, meen ik toch er enkele te moeten vermelden.
De heer Boeren, welke helaas in het afgelopen jaar is overleden, is bijna 40 jaar als kassier en later als directeur werkzaam geweest op de bank. Hij is van grote betekenis geweest voor de Rabobank
Prinsenbeek. Zijn opvolger de heer van Hooijdonk heeft 32 jaar, waarvan 18 jaar als directeur, zijn beste krachten gegeven voor de bank. Momenteel treedt de heer Essenberg op als directeur van de
bank. Voordat de heer Boeren aantrad als kassier heeft de bank nog 2 kassiers gekend. Dat waren de heren Sterkens (1916 - 1920) en Bastiaansen (1920 -1933).
Natuurlijk moet ik ook mijn huidige collega-beheerders en de oud-beheerders niet vergeten te bedanken voor alle inzet.
Tenslotte gaat natuurlijk ook mijn dank uit naar alle medewerkers en oud-medewerkers, die ik op 23 maart j.1. tijdens een reünie nog persoonlijk heb mogen toespreken.
Maar één ding is duidelijk, zonder leden/cliënten zou onze bank de 75 jaar niet hebben volgemaakt.
Daarom:.....mensen bedankt!
Wij hopen, samen met u, een denderend feest te mogen vieren tijdens het Pinksterweekend. Tot dan.

Chr. Biemans,
voorzitter bestuur.


VOORWOORD van de directeur
Drie jaar op een totaal van 75 is niet veel. 1 maart 1988 werd ik benoemd tot directeur van deze bank. Het zijn leerzame en prettige jaren geweest. Het dorp Prinsenbeek is een mooi dorp. Vlak bij de stad, grote
verkeersaders, snelle treinverbindingen en toch landelijk. Ook het verenigingsleven bloeit enorm in deze gemeenschap met 10.000 inwoners. De bank is meegegroeid met Prinsenbeek. Van een kleine
agrarische bank naar een bank die, vanuit haar coöperatieve achtergrond, midden in de gemeenschap staat. Ook in de toekomst willen wij 'de bank' zijn voor Prinsenbeek. Dit betekent,
dat wij met de tijd mee moeten. U mag van ons verwachten, dat wij daar dagelijks mee bezig zijn. De Rabobank Prinsenbeek is er voor u!
Bij het lezen van deze speciale uitgave zal blijken dat wij ons jubileum samen met u willen vieren. Wij hopen, dat u van onze uitnodiging om op 2e Pinksterdag gast te zijn van uw verenigingen
en uw bank in groten getale gebruik zult maken. Ditzelfde geldt wat ons betreft ook voor de feestavonden, want zonder uw aanwezigheid is ons feest niet gevierd.
Kortom tot het Pinksterweekend en daarna op naar de 100!
En tenslotte nog bedankt aan iedereen die dit leest en trots kan zeggen: 'De Rabobank is mijn bank!'.

P.G. Essenberg,
directeur.

Rabobank Prinsenbeek;  
 

3. Boeknummer: 00065  
Herinrichten? Ja! maar ........
Ondernemingen -- Bank, Rabobank           (1980)    [KNOV]
Herinrichten? Ja! maar...... Brochure KNOV 1980

Voorwoord.
In toenemende mate ontstaat er behoefte aan instrumenten, waarmee planologische uitgangspunten ook daadwerkelijk kunnen worden be-
reikt. In deze nota wil het KNOV een aanzet geven voor de discussie en een bijdrage leveren aan de oplossing van de problemen, die zich
voordoen bij de uitvoering van ruimtelijke plannen.
De voorgestelde financiële regeling zal een stimulans kunnen zijn voor ondernemers om op vrijwillige basis medewerking te geven aan
deze uitvoering.
Voor nadere informatie kan men zich wenden tot het Koninklijk Nederlands Ondernemersverbond (KNOV)
Broekmolenweg 20
2289 BE Rijswijk
Postbus 379
2280 A3 Rijswijk
tel. 015 - 569395

KNOV;  
 

4. Boeknummer: 00066  
Prinsenbeek Nu en Straks
Ondernemingen -- Bank, Rabobank           (1981)    [Schreurs, P.H.J. ing]
Prinsenbeek Nu en Straks. Brochure KNOV 1981

Inleiding.
Op 7 mei 1981 heeft het CIMK het dpo-rapport 'Prinsenbeek, kiezen voor de toekomst' gepresenteerd aan de ondernemers.
Het onderzoek is gedaan in opdracht van de ondernemersvereniging POK en de gemeente Prinsenbeek.
Het was nodig om goed inzicht te kunnen krijgen in de huidige en toekomstige (on)mogelijkheden van het Prinsenbeekse winkelapparaat, rekening
houdend met ontwikkelingen in en rond 'Beek'. Het CIMK-rapport legt de ondernemers een keuze voor, een belangrijke keuze ten aanzien van de
ruimtelijke ontwikkeling van het winkelapparaat.
Een keuze die bovendien in direkte relatie staat met Haagse Beemden.
Het POK-bestuur heeft de afdeling Ruimtelijke Ordening van het KNOV verzocht de sinds 27 juni 1978 bestaande adviesrelatie aangaande de distri-
butie-planologische problematiek te kontinueren door de vereniging te adviseren bij de besluitvorming. Het KNOV heeft op 7 mei 1981 positief op dit
verzoek gereageerd en toegezegd uiterlijk begin juni 1981 een advies te zullen uitbrengen. Met voorliggend advies wordt beoogd deze toezegging
waar te maken.

KNOV;  
 

5. Boeknummer: 00067  
Puttershoek, een voorbeeld van ondernemerschap
Ondernemingen -- Bank, Rabobank           (1981)    [Blom, J.]
Puttershoek, een voorbeeld van ondernemerschap

In Puttershoek (noord-oost hoek van de Hoekse Waard) bekend door de aldaar gevestigde suikerfabriek, hebben de ondernemers in de detail-
handel kans gezien om gezamenlijk het reeds sinds 1960 bestaande winkelcentrum voor eigen rekening en risico uit te breiden.
Tot nu toe is het in ons land nog niet gelukt om ondernemers samen op één rij te krijgen zodat zij het risico van ontwikkeling en bouw van
winkels en woonhuizen zelf willen dragen en over hun onderlinge concurrentie heen kunnen stappen en een goede samenwerking kunnen opbouwen.

Afdeling Ruimelijke ordening Rijswijk;  
 

6. Boeknummer: 00077  
Beekse Negotie. Geschiedenis van het winkelbestand in Beek 1945-1950
Ondernemingen -- Algemeen           (2002)    [Kees Nagelkerke]
Beekse Negotie

VOORWOORD
Dat de wereld de laatste decennia erg is veranderd is iedereen duidelijk. Op allerlei gebied laten de ontwikkelingen zich zien en zeker ook in de negotie die tegenwoordig de
commerciële sector heet. Halverwege de vorige eeuw was in een dorp als (Prinsen)Beek de buurtwinkel nog iets waar men niet buiten kon en was een dagje winkelen in de grote
stad met de “deftige” winkels voor velen nog een belevenis. Tegenwoordig zijn grootwinkelbedrijven, supermarkten, e-commerce, internet-shoppen enz. heel gewoon..
Hoorde vroeger het winkelbezoek bij het normale werk van iedere dag, nu doen we veelal éénmaal per week boodschappen en gaan we “fun-shoppen”. Betalen met gewoon geld
raakt uit en pinnen en chippen is normaal. Het is allemaal zakelijker en afstandelijker geworden. Dat was vroeger anders.
Geen wonder dat iedereen, die de jaren vlak na de oorlog bewust heeft meegemaakt, nog wel eens met weemoed terugdenkt aan die tijd waarin de winkel niet alleen een plaats was
waar je iets kon kopen, maar ook een trefpunt voor de dorpse gemeenschap.
Ook zondags was de winkel open en even achterom binnenlopen buiten de openingstijden was gewoon. Lief en leed werd er gedeeld en de dorpsnieuwtjes en -roddels werden er
uitgewisseld. Men betaalde met contant geld, maar “opschrijven” (op rekening kopen) was ook geen probleem als de klant in een moeilijke financiële gezinssituatie verkeerde.
Iedereen kende immers iedereen en had elkaar nodig, want men was op elkaar aangewezen voor hulp en inkomsten. De sociale en economische functie van de plaatselijke
middenstand in die tijd in een dorp moet daarom zeker niet onderschat worden.
De heemkundekring was dan ook erg verheugd over het idee van onze plaatsgenoot Kees Nagelkerke om over de Beekse middenstand uit die tijd een (foto)boek samen te stellen.
Kees - geboren en getogen Bekenaar en zoon van een plaatselijke bakker - is als geen ander daartoe in staat omdat zijn kennis van Beek/Prinsenbeek onuitputtelijk is.
Bovendien bezit hij het talent om anderen te enthousiasmeren en te motiveren om hieraan mede te werken. Zijn inspanning is niet voor niks geweest, want het is een prachtig boek
geworden dat een open plek in de geschiedschrijving van ons dorp heeft ingevuld.
De dank van het bestuur van Heemkundekring Op De Beek en zeker ook van alle lezers gaat uit naar de schrijver en al degenen die hem hun medewerking gegeven hebben, veelal
in de vorm van het aanleveren van gegevens en foto’s.
Het boek zal voor velen - naast het lees- en kijkgenot - een waardevol bezit zijn, waarbij de herinneringen aan het straatbeeld en de winkeliers van vroeger weer boven komen.
Ad van Melis
Voorzitter Heemkundekring OP DE BEEK.

TER INLEIDING
Niets nieuws vertel ik u als ik zeg, dat er over Beek-Prinsenbeek al heel veel is geschreven Om een aantal boekwerken hiervan te noemen. .
De serie Hage over de geschiedenis van Beek en Princenhage, twee boekjes met Beek in prentenbriefkaarten, het huis aan huis verspreide boek “55 jaar zelfstandig Prinsenbeek ,
boek 100 jaar harmonie Amor Musae, boek 200 jaar vrijwillige brandweer boek 80 jaar tuinbouwver. St. Isidorus, twee boeken over Beeks karnaval, boek over oorlog op de Beek,
boek Beekse Indië-gangers, toetenboek met bekende Beekse gezichten, boek 200 jaar parochie Prinsenbeek.
Als er zoveel en zo vaak over zulk een toch kleine gemeenschap wordt geschreven en vastgelegd, betekent dat tegelijkertijd dat zulk een gemeenschap leeft, dat het iets te
bieden had en heeft, dat er activiteiten zijn en een groots verenigingsleven. En al is Prinsenbeek dan wel niet het mooiste dorp van Brabant, we zijn toch trots op de hechte
band die ons dorp heeft en altijd heeft gehad.
En dan nu weer een boek? Moet dat zonodig? Moeten natuurlijk niet, maar er is een categorie die nimmer is beschreven en dus tot op heden onderbelicht is gebleven en dan
doel ik hier op de PrinsenBeekse negotie.
Zolang Beek bestaat is er altijd een levendige handel geweest op allerhande gebied.
En het is goed dat ook zoiets voor ons, maar vooral voor ons nageslacht wordt vastgelegd.
Het is belangrijk dat in beeld wordt gebracht en wordt gekoesterd hoe onze voorgangers zaken deden en wat voor zaken ze deden!!
Wist u dat er een halve eeuw geleden in Beek 51 winkels waren, waarvan er 40 in zijn geheel zijn verdwenen? En dat er van de resterende 11 nog slechts 6 zijn, waarin dezelfde
familie, zij het de derde generatie, is gevestigd?
En het zijn deze 51 winkels, die ik in dit boek wil beschrijven met daarbij uiteraard de nodige foto’s.
Dan zullen ei bij u, geachte lezer, direct vragen naar voren komen van: waarom staan er die en die niet in. Het is goed dat ik u dit maar gelijk kan uitleggen.
Allereerst zij gezegd dat er in dit boek alleen winkels worden beschreven En dan die winkels, die er in de periode 1945/1950 in Beek bestonden, dus ruim een halve
eeuw geleden. Dat betekent dat winkels die er voor die periode waren, maar in genoemde periode niet meer, ze ook niet in dit boek worden vermeld.
Het betekent evenzeer dat winkels die NA 1950 zijn opgestart niet in dit boek voorkomen Natuurlijk zullen er dan grensgevallen zijn, maar er is een duidelijke grens
getrokken en dat is 1950.

klik op de pijlpunt links voor het volledige voorwoord


Dan moet ook nog worden vermeld dat er in genoemde periode vele andere zaken en bedrijven waren, doch zonder winkel en ook die zult u in dit boek niet terug vinden
We hadden toen diverse aannemersbedrijven, er waren twee kolenboeren twee klompenmakers, twee horlogemakers, twee wagenmakers, er was een boerenbond en er
was een melkfabriek, want de nering tierde hier welig.
Tenslotte zij nog gezegd, dat er mogelijk een of twee winkels meer waren dan in het boek genoemd. Dat zijn dan winkels die ik niet heb kunnen achterhalen en waar dan ook geen
gegevens en foto’s van zijn.
Alle in het boek voorkomende families zijn door mij persoonlijk benaderd en via een oproep in Modem Prinsenbeek, ons lokale weekblad, hebben anderen in elk geval de
gelegenheid gehad te reageren.
Om te voorkomen dat ik mogelijk de verkregen informatie verkeerd zou interpreteren, heb ik alle personen, waarvan ik materiaal leende, de tekst ter correctie aangeboden,
doch blijf ik uiteraard volledig verantwoordelijk voor de inhoud.
Ik ben er mij van bewust dat er foto’s in staan, die kwalitatief niet spectaculair zijn, maar het is niet altijd de kwaliteit van een foto die boeit, ook de eraan verbonden herinnering
deed opname verantwoorden.
Dat bij de een meer foto’s staan afgedrukt dan bij een ander heeft uiteraard te maken met het beschikbaar zijn van het materiaal.
Om een en ander zo overzichtelijk mogelijk te maken, worden de winkels per straat behandeld, beginnend op de Markt, dan Beeksestraat, Kapelstraat, Groenstraat, Valdijk en overige.
Graag wil ik al degenen bedanken, die zo bereidwillig en vriendelijk waren om mij de nodige informatie te geven en tijdelijk hun (vaak dierbare) foto’s af te staan. Een en ander
gebeurde meestal onder het genot van een kopje koffie.
Zonder hun hulp was dit boek nooit tot stand gekomen.
Ik hoop hiermede een bijdrage te hebben geleverd aan de Beekse c.q. Prinsenbeekse geschiedenis, die nu dus niet in een sigarenkistje of in een schoenendoos wordt bewaard,
maar in boekvorm altijd kan worden terug gevonden.
Moge dit boek ertoe bijdragen, dat wij en onze kinderen zuinig worden op wat nog bewaard is gebleven en dat we beseffen dat de hardwerkende winkeliers uit het verleden
Prinsenbeek mede hebben gemaakt van wat het nu is...
Kees Nagelkerke


Heemkundekring Op de Beek;  
 

7. Boeknummer: 00082  
Beekse Herbergen. Doesse nogges vol..
Ondernemingen -- Algemeen           (2008)    [Kees Nagelkerke]
Beekse Herbergen
Dit boek is via deze link verkrijgbaar in de winkel van Heemkundekring Op de Beek.

VOORWOORD
Zo oud als de mens is hebben er waarschijnlijk ook plaatsen bestaan waar men samen komt. Een plek om elkaar te treffen, een gesprekje aan te knopen en ook
om gegevens en ervaringen uit te wisselen. Vrijwel ieder mens heeft behoefte aan sociale contacten en zoekt graag de medemens op. Dan ligt het al snel voor
de hand om samen iets te drinken. En natuurlijk zijn er dan mensen die het gat in de markt zien en zo’n plaats van samenkomst oprichten. Zij willen dan daar
-uiteraard tegen betaling- als een soort gastheer/vrouw wel zorgen voor de benodigde drank en wat dies meer zij. Daardoor ontstaat een gezellige sfeer en
voelt de bezoeker zich een beetje thuis. En dan niet alleen de toevallige bezoeker maar ook iedereen die op zoek is naar gezelligheid en vertier. Het samen beleven
van gezelligheid en het elkaar leren kennen in een informele sfeer, schept een band en legt de basis voor het welbevinden in een gemeenschap.
Ik wil hiermee maar zeggen dat ontmoetingsplekken een niet te onderschatten functie hebben. Immers zij bieden een plaats waar het individu een ander mens
wordt, onderdeel uitmakend van een gezelschap waarin men met elkaar praat, naar elkaar luistert en samen plezier maakt.
Iedere gemeenschap heeft dan ook behoefte aan dergelijke gelegenheden en het maakt dan in principe niet uit of dit de naam draagt van herberg, café, restaurant,
kroeg, disco of welke soorten er nog meer zijn.
Prinsenbeek maakte en maakt hierop geen uitzondering. En dat is maar goed ook, want kunt u zich bijvoorbeeld kermis of carnaval voorstellen zonder cafés?
Dat er in de loop der jaren veel veranderde op horecagebied is logisch. Ook hier stond de tijd niet stil en volgden de ontwikkelingen elkaar op. Van de vroegere
'stille knip' naar de huidige 'bar' is een hele stap. En hoe dat in Prinsenbeek allemaal in zijn werk ging kunt u lezen in dit boek.
We moeten erg blij zijn dat er mensen zijn die dit allemaal voor ons en ons nageslacht op papier willen zetten en onze plaatsgenoot Kees Nagelkerke is een
van hen. Met veel kennis van zaken en uitermate goed gedocumenteerd heeft hij een uniek stukje geschiedenis van ons dorp beschreven.
De omslag wordt gesierd met een erg fraaie en zeer treffende tekening van eveneens onze plaatsgenoot Jan Tankink.
De dank van het bestuur van de Heemkundekring OP DE BEEK en zeker ook van alle lezers gaat uit naar de auteur en illustrator en al degenen die hun
medewerking gegeven hebben.
Geniet - onder het genot van een glaasje - samen van dit boek. En...redt u het niet met één glaasje dan roept u maar: „Doesse nogges vol....
Ad van Melis
Voorzitter Heemkundekring OP DE BEEK.

TER INLEIDING
Al zolang de wereld bestaat worden over heel diezelfde wereld al bier en alcoholische dranken gedronken. Nooit en te nimmer nog weg te denken, het zal
dus altijd zo wel blijven. .
- Er bestaan talloze stokerijen, zowel grote als kleine.
- En zijn duizenden brouwerijen, waarvan ook veel regionale.
- Er zijn en worden miljarden liters gedronken.
- Er zijn vele boeken over geschreven.
- Er zijn diverse liederen over gecomponeerd.
- Er zijn verschillende musea voor opgericht.
- Er zijn ontelbare cafés, restaurants, hotels, cafetaria’s enz.
- Er verdienen massa’s mensen hun brood in de branche.
- Er zijn groothandels, gespecialiseerd op dit gebied.
- Er zijn duizenden soorten en nog meer merken.
- Er worden beurzen, tentoonstellingen en exposities voor gehouden.
- Er zijn, het getal mag u zelf invullen,...drinkers, zeg maar liefhebbers.
- Er is veel, heel veel vreugde aan beleefd.
- En...het heeft ook veel verdriet, ellende en armoede gebracht.

Al in eerdere schrijvens heb ik laten weten dat Prinsenbeek, maar zeker ook het vroegere Beek, altijd en overal aan meedeed en meedoet. Op alle gebied en dat
geldt dan ook op horecagebied.
In dit boek gaat u daar veel over lezen, want één ding staat zo vast als een huis:
'OP DE BEEK IS NOOIT DORST GELEDEN'

In een ver verleden, we spreken dan over de jaren rond 1700, waren er in Beek toch vijf kleine huisbrouwerijen en wel die van Jan Lips, Adriaen Jan Dirven,
Adriaen Boeren jan Melissen en Adriaen Poppelaars.
Er waren vroeger naast een groot aantal herbergen ook verschillende clandestiene drinkgelegenheden en ook toen was er al de lokale concurrentie. Om u als lezer
toch een indruk te geven van het Beekse drankgebeuren, publiceren we hier als voorbeeld de jaaromzet van bier in het jaar 1907. (eeuw geleden.)
Nuyten 1200 liter, Veehandelshuis 800 liter, P. Dircken 750 liter, Aartsen 670 liter, Ch. Mouwen 600 liter, Frijters 600 liter, Sterkens 500 liter, G. Mouwen 450 liter, ’
J. Dircken 450 liter, C. Mulder 400 liter, van Dorst 180 liter, Ch. Schalk 160 liter en tenslotte de wed. Leijs en H. Rops elk 120 liter.
Bij elkaar toch zo’n slordige 7000 liter op een aantal van ca. 2000 inwoners Als we het hier over Beek hebben bedoelen we het gehucht, het kerkdorp Beek
want we behoorden toen nog bij de gemeente Princenhage en op 1 januari 1942 werd Beek zelfstandig. Per 1 januari 1951 is het Prinsenbeek gaan heten De
daarop volgende annexaties van 1976 en 1997 zijn genoegzaam bekend.

klik op de pijlpunt links voor de volledige inleiding


Beek groeide, er kwamen nog enkele cafés bij en er werden er diverse gesloten en net voor de tweede wereldoorlog kende Beek, schrikt u niet, 25 herbergen en
diverse stille knipkes bij een inwonertal van om en nabij 4000 mensen en....... het kan immers niet anders ook veel liefhebbers.

Veel dingen waren toen overigens wel effekes anders zoals:
Niet één uitbater, herbergier, kastelein kon met het café de kost verdienen.
Vrouwen kwamen toen nog niet (nauwelijks) in cafés. Er werden andere dranken verkocht dan tegenwoordig. Toen een schilletje, een boerenjongen, Bossche
pop en veel donker bier om maar eens wat te noemen. Bossche pop was jenever die gemengd werd met kruiden, die uit 's Hertogenbosch afkomstig waren. Dit
mengsel moest dan wel in een stenen kruik een tijdje trekken. Het was goed voor de maag en nog lekker ook! Limonade kende men natuurlijk ook, maar van cola,
tonic of spa had men nog nimmer gehoord.

Nu kan men een keuze maken uit tientallen verschillende bieren en talloze inlandse en buitenlandse sterke dranken, likeuren en frisdranken. En natuurlijk
veel wijnen in allerlei prijsklasse en kwaliteiten.

Vroeger verkocht men in de kruidenierswinkels geen sterke drank en dronken we in Beek thuis alleen met feest- en verjaardagen. En dan is het nu 2008.
Een ieder ervaart het drinken van alcohol op zijn of haar manier, drinkt het thuis of buitenshuis en maakt hieromtrent de eigen keuze.
We kennen op de Beek overigens niet meer naar 30 cafés, maar nog slechts naar 11. Daarbij komt wel dat er nu gelegenheid tot drinken is bij de kantines van
voetbalvereniging Beek Vooruit, Tennisvereniging Prinsenbeek, Hockeyvereniging H.C.P., Golfclub Albatross, de drie cafetaria’s, de Shoarma, de Wok, de Chinees en
de Zilverberk.

Toch is het interessant om meer te weten te komen van die vele cafés, waar stonden ze, wie waren de verschillende uitbaters, wat deden zij nog meer en wat
gebeurde er zoal?
Elk café heeft immers toch 'zijn' verhaal. Nog interessanter is om het met foto’s en afbeeldingen te omlijsten. Er zijn enkele foto’s bij die kwalitatief niet al te
best zijn, maar wel aan het herbergverhaal verbonden als herinnering en daarom verantwoord om ze toch te plaatsen.

Daarom is dit boek geschreven. Het is een vervolg op de boeken Beekse Bakhuisjes en Beekse Negotie om zo op deze wijze te weten hoe het Beek
van vroeger was, hoe Bekenaren woonden en leefden en nu dus ook waar de Bekenaren hun sociale contacten hadden en waar men een lekker borreltje of
biertje kon gaan drinken.
Het spreekt vanzelf dat van het ene etablissement meer te vertellen is dan van het andere, maar u, lezer zult er een goed beeld van krijgen.
Dan nog dit. Ik zou tekort schieten als ik hierbij Ad van Melis, voorzitter van onze heemkundekring, niet zou noemen om hem speciaal dank te zeggen voor het vele
werk dat hij heeft gedaan bij de voorbereidingen van dit boek. Verder wil ik ook graag de diverse families hartelijk danken voor hun medewerking, het uitlenen
van hun (veelal dierbare) foto’s en de kopjes koffie die ik tijdens mijn bezoeken heb gekregen.
Tot slot wens ik u veel leesgenoegen.
Kees Nagelkerke.


Heemkundekring Op de Beek;  
 

8. Boeknummer: 00106  
Inventaris archieven Machinefabriek Breda (1861-1987) Publikatiereeks Archief Breda nr 6
Ondernemingen -- Algemeen           (1996)    [drs. H.M.M. Huijgens-van Kollenburg]
Inventaris archieven Machinefabriek Breda (1861-1987)

INLEIDING
In mei 1962 verscheen een speciaal nummer van Het Peilglas, personeelsorgaan van de Machinefabriek Breda, naar de kleur van de omslag ook het ‘gouden Peil-
glas’ genoemd. Hierin beschrijft (drs.) A.W.A.A. Ellerbeck, als personeelschef werkzaam in het bedrijf, de bedrijfsgeschiedenis van 1862-1961 en laat ook de
Tilburgse voorgeschiedenis vanaf 1855 niet onbesproken. Een deel van het onderzoek voor deze uitgave was verricht door (ing.) A.N. Knoppers, een gepen-
sioneerd leidinggevende van de fabriek. Zelf leverde deze ook een manuscript af dat niet in druk verspreid werd.' Beide verhalen zijn chronologisch opgezet en
daardoor weinig overzichtelijk voor wie naar gegevens over een bepaald onderwerp zoekt. Dit is temeer een bezwaar door het ontbreken van een index (registers)
erop. Een kritische houding ontbreekt totaal, wat overigens niet verrassend is. Het zijn typisch voorbeelden van wat H. de Vries omschrijft als een van bin-
nenuit geschreven geschiedkundig overzicht van de lotgevallen van de onderneming.
Liever dan in herhaling te vervallen zal ik mij beperken tot de periode na 1960 en enkele in het gouden Peilglas ontbrekende of onvoldoende behandelde onderwerpen
uit de periode daarvoor?
Verwacht U dus ook hier geen volledige, kritisch opgezette bedrijfsgeschiedenis.
Deze inleiding en de inventarisatie willen niet meer dan helpen die in de toekomst mogelijk te maken.
Mijn algemene indruk is dat het verloop van de geschiedenis van de onderneming niet sterk afwijkt van een min of meer algemeen aanvaard verloop van de ge-
schiedenis van de industrie in het algemeen en binnen de bedrijfstak metaal van die van de machinenijverheid in het bijzonder. Voorbeelden daarvan zijn de sterke
groei in de traditionele activiteiten in de Eerste Wereldoorlog door het wegvallen van een groot deel van de -met name Duitse- concurrentie en de sterke opkomst
van de electrotechnische activiteiten in dezelfde periode.
In de Jaarboeken voor de Geschiedenis van Bedrijf en Techniek 1985, 1986 en 1987 wordt aandacht besteed aan diverse aspecten van de ontwikkeling van de
electrotechniek en de toepassing ervan in Nederland. Hierbij wordt niets vermeld over de koppeling van een afdeling voor klein- en grootschalig installatiewerk op
electrotechnisch gebied aan een (middelgrote) machinefabriek die ook electrotechnische apparaten vervaardigde. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of en
in welke mate deze combinatie elders ook voorkwam. De sterke opkomst van de electrotechnische afdeling in de periode van de Eerste Wereldoorlog is te verkla-
ren doordat het gebruik van electriciteit voor verlichting en industriële doeleinden sterk werd bevorderd door de overheid vanwege de brandstoffenschaarste.

Gemeentearchief Breda;  
 

9. Boeknummer: 00135  
Boeren, Burgers en Buitenlui. Verhalen over en rondom de historie van de Etten-Leurse vee- en warenmarkten.
Ondernemingen -- Algemeen           (2013)    [Ad van der Logt, Jos Martens, Frans Passier]
Boeren, Burgers en Buitenlui.

Voorwoord van de wethouder
Als sluitstuk van het jaar waarin de woensdagmarkt van Etten-Leur-centrum tot Beste Markt van Nederland 2011-2012 werd uitverkozen, presenteert de Heemkundekring “Jan uten Houte”
dit bijzonder fraaie naslagwerk over de vee- en warenmarkt van Etten-Leur.
Het boek laat een mooie doorkijk zien van de ontwikkelingen van deze vorm van ambulante handel door de jaren heen en de betekenis ervan voor de Etten-Leurse gemeenschap en de regio.
De woensdagmarkt in Etten-Leur-Centrum en de wijkmarkt op vrijdagochtend in Etten-Leur-Noord leveren een belangrijke bijdrage aan de koopkrachtverwerving voor de detailhandel
en horeca door het synergie-effect en dragen bij aan de culturele integratie en de toegang tot de arbeidsmarkt.
De markten vervullen bovendien in belangrijke male een sociaal-recreatieve functie.
Sprake is van een aantoonbare meerwaarde voor de Etten-Leurse gemeenschap en de regionale aantrekkingskracht.
De marktstandplaatshouders met een diversiteit aan branches en producten in hun kwalitatief hoogstaande verkoopwagens en kramen hebben oog voor kwaliteit en service aan de consumenten.
Daar bovenop wordt door enthousiaste vrijwilligers zorg gedragen voor verhoging van de sfeer en gezelligheid door promotionele activiteiten, die het imago en de
professionaliteit van de markt op een hoger niveau tillen. Ik spreek hierbij de wens uit dat de toekomst van de warenmarkt haalbaar blijft en mogelijkheden
biedt voor dynamiek en innovatie.
Dank aan allen die aan de totstandkoming van dit boek een bijdrage hebben geleverd.
Ik wens een ieder veel leesplezier. En spreek daarbij de wens uit dat het een uitdaging vormt voor iedereen om eens een bezoek te brengen aan de warenmarkten van Etten-Leur en mogelijk
een initiatief op te pakken tot het promoten en uitdragen van de slogan “de markt van alle markten thuis!”.
Jean-Pierre Schouw,
Wethouder Economische Zaken Gemeente Etten-Leur.

Woordje van de marktmeester
Het is voor mij een eer om dit boek bij u aan te bevelen. Als marktmeester van de huidige markten in Etten-Leur heb ik mogen bijdragen aan de verkiezing van onze woensdagmarkt tot
“de beste markt van Nederland”. Dat heb ik natuurlijk niet alleen gedaan, in dit boek kunt u onder meer lezen wat daar allemaal bij komt kijken en wat hiervoor werd en wordt gepresteerd.
Al ruim 400 jaar zijn allerlei mensen en organisaties bezig geweest om de Etten-Leurse markten te maken tot wat ze nu zijn.
U kunt lezen dat dit soms met horten en stoten gepaard ging, maar altijd was het doel de verdere ontwikkeling en professionalisering van de markt. De markt is, naast een plaats waar
koper en verkoper elkaar kunnen ontmoeten, ook een sociaal gebeuren dat bijdraagt aan een grotere bloei van onze gemeente. Daarom is het goed dat iedereen, via dit boek, kennis kan nemen van haar
geschiedenis. Door de mooie historische platen en foto’s wordt dit ook nog eens visueel gemaakt.
Ik wens u veel lees- en kijkplezier toe en hoop u te ontmoeten op een van onze mooie en gezellige markten!
Henk Neven
Marktmeester van de Gemeente Etten-Leur.

Heemkundekring Jan Utenhoute Etten-Leur;  
 

10. Boeknummer: 00165  
Bij De Willem. 25 jaar De Stee
Ondernemingen -- Café, de Stee           (2001)    [Frank Timmers]
Bij De Willem.

Proloog
Daar staat hij dan, op de hoek van de bar. In zijn altijd goed verzorgde coupe strijden de grijze haren met de inktzwarte. Voorlopig moeten de grijze
haren het nog afleggen. De natte plekken in het donkerblauwe T-shirt verraden sporen van arbeid. Het shirt is strak in de broek gestopt. Dik is hij alleen aan
de bovenkant. Vrouwelijke klanten roemen hem om z’n kontje. Met een sigaar in de mond vertelt de kastelein een mop. Zelf lacht hij. De klanten kijken hem
slechts aan, ze hebben er niks van verstaan.
'Hoe gaat het, vraag ik hem. 'Druk', is het antwoord. 'Een hoop schrijfwerk.' Hij zucht en stopt zijn lege glas nog maar eens onder het kraantje water.
Een pilsje, whisky of een ander alcoholhoudend drankje zijn al een tijdje uitzonderlijk. 'Suiker hè, ik moet oppassen van de dokter.' Hij zucht nog eens
en loopt naar de keuken om een bruine boterham met kaas te maken. 'Ik moet op gezette tijden eten. Regelmaat vindt de dokter heel belangrijk, maar
hoe kan dat nou als je een café hebt?'
Een klant komt binnen en gaat op de andere hoek zitten. 'Hoe gaat het?' vraagt de kastelein. 'Gisteren voetbal gezien?' De man knikt ja. 'Die Van Gaal
is toch helemaal niks. Kluivert al helemaal niet, Nee, dan PSV, die hebben mooi weer gewonnen en ik weet zeker dat ze kampioen worden.' De klant is wakker
geworden en pikt de discussie op. Een goede kroegbaas weet precies waar welke klant voor komt en deze houdt van voetbal. Een praatje maakt het voor
hem gezellig en daar is dit café toch voor.
Het wordt later. Zijn zoon komt binnen met een welgemeend 'heej'. De kastelein kijkt eens op zijn horloge. 'Heej', zegt hij terug. 'Wie werkt er
vanavond?' vraagt de jongeman die zijn wilde haren letterlijk en figuurlijk nog niet verloren is. 'Ik weet het niet, ze zoeken het tegenwoordig allemaal
zelf uit.'
Het is gedaan met de rust. Radio 10 Gold wordt af gezet, een cd-tje verdwijnt in het apparaat en de schuif gaat omhoog. 'Daar snap ik niks van', zucht de
kastelein nog maar eens. 'Die cd’s zijn van hem. Ik zet altijd de radio aan, dat is makkelijker.' Hij laat een scheet en verdwijnt naar boven. Schrijfwerk. 'Aan
zijn piel trekken', zegt de ideale zoon die inmiddels plaats heeft genomen achter de bar. 'Eindelijk gitaren', mompelt een bebaarde klant met lang haar
en een blouse met grote blauw-zwarte ruiten.
Het volk wordt jonger. De oude mannen van overdag zijn verdwenen. Het borreltje maakt plaats voor de flessen Vos en de kleintjes pils.
De tijd tikt door richting acht uur. Dan verschijnt er een frisse jongedame in de deuropening: het personeel van de avond. De schuif gaat verder omhoog. Hoe
meer bier, des te meer en des te harder er gepraat wordt. De muziek moet de baas blijven; moet en zal overal bovenuit klinken.
Wat later duikt achterin een zwarte schim op. De kroegbaas is teruggekeerd.
Hij heeft één van die dagen. Bestelt Bokbier en drinkt het in een paar teugen leeg. Klanten wrijven in hun handen. Dat wordt lachen vanavond. Want als hij
in vorm is, dan is hij goed in vorm.
We drinken, praten en lachen de rest van de avond. Dan betrekt zijn gezicht.
De zoon vertrekt naar Breda. 'Moet ik weer schoonmaken', zie je hem denken.
Ja, in 1976 had hij het zich misschien allemaal anders voorgesteld. De klanten zijn in ieder geval blij met dit café. Om het in de stijl van Piet de Nijs te
zeggen: Een dierbaar plekske, een aordse hemel, een eigen paradijs, vol leven, vol schoonheid. Wij zijn tevree in Café Bar De Stee.

Een woordje vooraf
'Het leven is een feest, maar je moet zelfde slingers ophangen' zei André Hazes eens. Die slingers zijn verkrijgbaar in Café Bar De Stee.
In de voorbije 25jaar hebben in De Stee nogal wat gasten gebruik gemaakt van die mogelijkheid om van het leven een feest te maken Met de Willem
en Wimke voorop Het cafeetje aan de Haverdijk heeft al die jaren karakter gehad. Als artiestencafé, als ontmoetingsplaats voor de Prinsenbeekse Jeugd,
als verzetje voor de mensen die de dagelijkse beslommeringen willen ontvluchten, als herberg voor sporters of gewoon voor de voorbij komende klant.
Op 5 november 2001 bestaat De Stee 25 jaar en dat is een prima aanleiding om eens op te schrijven wat zich daar binnen de muren allemaal heeft
af gespeeld. Je kan niet alles aan het papier toevertrouwen. Mensen gaan naar een café voor een verzetje, en dat woord 'verzetje' is op velerlei manieren
uit te leggen. Vandaar dat bij het schrijven van dit boek zorgvuldig is omgegaan met de discretie. Waar daar aanleiding toe bestaat, is mensen om
toestemming gevraagd.
Het schrijven van een boek over 25 Jaar De Stee is graven in het verleden van twee mensen, vier muren, een dak en een tap. De Willem legde 25 Jaar
geleden de basis voor een café waar heel veel mensen prettige herinneringen aan hebben.
Het is ook heerlijk om iets terug te mogen doen. Hoeveel mensen heeft de Willem in zijn leven geholpen? De volgende anekdote is typerend:
Willem wordt diep in de nacht uit zijn bed gebeld door een klant die de inhoud van zijn portemonnee zwaar heeft overschat als die in een hoerentent enige
diensten aangeboden krijgt. Op het moment van afrekenen heeft de klant een paar keuzes. Een flink pak rammel, 'in natura' terugbetalen met zeer smerig
en langdurig werk of opgesloten worden totdat er wel geld is. De klant ziet maar één oplossing: de Willem bellen! Die rijdt naar het bordeel en helpt de
man van zijn zorgen af door enkele honderden guldens voor te schieten.
Het is een anekdote zoals er zoveel zijn over De Stee, over Willem en over Wimke. Het verhaal van de Stee wordt in dit boek verteld via anekdotes.
Ze zijn deels uit eigen beleving en deels opgetekend tijdens zogenoemde stamtafelsessies waar in de afgelopen maanden groepjes klanten van dezelfde
generatie zijn uitgenodigd om met de Willem en Wimke oude koeien uit de sloot te halen. Dank voor de medewerking van al deze mensen. Ook zijn (op
verzoek) enkele anekdotes schriftelijk ingeleverd en zo is dit boek eigenlijk door een hoop mensen samen gemaakt.
Ze heten officieel allebei Wim maar amper iemand spreekt ze met die naam aan. Daarom heet de vader in het boek De Willem en de zoon Wimke. Dat is
voor het gemak en bovendien kennen de meeste klanten ze met die namen. De titel van het boek is vanzelfsprekend. Sommige mensen zeggen thuis niks als
ze richting de Haverdijk vertrekken. Anderen zeggen 'Ik ga naar De Stee', maar velen zeggen 'Ik ga naar de Willem' Daarom: BIJ DE WILLEM.
2 november 2001
Frank Timmers

Café Bar De Stee;  
 

11. Boeknummer: 00191  
475 jaar Het Roode Hert. 1518-1993. de oudste herberg van Princenhage en Breda
Ondernemingen -- Café, Het Roode Hert Princenhage           (1993)    [Herman Dirven]
475 jaar Het Roode Hert.

VOORWOORD
Op 27 januari 1518 verkocht pastoor Peter de Bruyn het door
hem zeven jaar daarvoor gebouwde huis ”Den Hert” aan de
Haagse Markt aan Gielis Anthonis Bays, die er onder dezelfde
naam zijn herberg in begon.
Nu 475 jaar later is Het Roode Hert nog steeds een herberg
of zoals we tegenwoordig zeggen een café, met daarbij een eigen
restaurant ”De Laveien” en grote en kleine feestzalen.
Er is in de loop van die tijd, bijna vijf eeuwen, vanzelfsprekend
veel veranderd, maar één zaak is al die eeuwen gebleven en dat
is de gastvrijheid. Dat kan ook moeilijk anders, want het is de
eerste voorwaarde om zo lang te kunnen bestaan.
Nu is de geschiedenis van een herberg, waar twee en dertig
kasteleins en hun families in geleefd en gewerkt hebben altijd
boeiend; die van het Roode Hert is extra interessant, omdat ze
door haar ligging altijd een belangrijke plaats in het dorp Hage,
sinds 1942 dorp in Breda, heeft ingenomen.
Wij wensen U bijzonder veel genoegen aan het verhaal over het
Roode Hert, de oudste herberg in Princenhage en Breda.
Op jullie gezondheid,
Peter en Anneke de Jong
Breda-Princenhage 26 januari 1993

Stichting Basis Publika/Familie De Jong;  
 

12. Boeknummer: 00226  
100 jaar Veehandelshuis
Ondernemingen -- Café, 't Veehandelshuis           (2006)    [Cees Nagelkerke]
100 jaar Veehandelshuis

VOORWOORD.
We waren uiteraard al een tijdje bezig om te zien of en zo ja wat we zouden doen bij het 100 jarig bestaan van ons
Veehandelshuis.
En dan plots komt het idee een boekje hierover te (laten) maken en in één telefoongesprekje kreeg dit idee gestalte.
Daarna ging alles in een snel tempo om het tijdig voor elkaar te krijgen. Wij zijn Kees zeer erkentelijk dat hij dit voor ons wilde
doen en nu ligt het jubileumboek voor eenieder klaar.
Wij zijn op dit moment de vierde generatie Machielsen.
Ons Pa en Ma en, zonder Pa tekort te doen, in het bijzonder ons Ma, hebben ervoor gezorgd dat wij voldoende interesse kregen
in het café en Ma was ons grote voorbeeld.
Wij moeten haar helaas al meer dan zes jaar missen, elke dag nog.
Haar inbreng in dit boek zou zeker van pas zijn gekomen, want ze was meer dan 40 jaar het aanspreekpunt in het
Veehandelshuis. Zij zou veel informatie hebben kunnen geven en veel anekdotes hebben kunnen verteld, maar dat is dus
onmogelijk.
Zij heeft, hoe we het ook wenden of keren, het grootste aandeel in het bestaan van het 100 jarige Veehandelshuis gehad.
Wij zijn er van overtuigd dat ze het heel fijn zou vinden als ze wist wat wij nu ter gelegenheid van dit eeuwfeest allemaal
organiseren.
Wij gaan er met zijn tweetjes voor en nu ons vader in het huis ernaast is gaan wonen, mag hij het na al die jaren wat rustiger
aan doen.
Tenslotte hopen wij dat jullie aan het boek het nodige leesplezier beleven.
Janneke en Jenny
Familie Kavelaars-Machielsen.

TER INLEIDING.
Op 7 september had ik mijn eerste contact met Janneke en Jenny Kavelaars aangaande het schrijven van een stukje
geschiedenis over het Veehandelshuis dat 100 jaar bestaat.
De datum van deze 100st' verjaardag is 7 december.
Dat betekent derhalve dat het boek gedrukt en wel klaar moet zijn na ongeveer 90 dagen.
In 90 dagen een geschiedenis op papier zetten van 36.525 dagen lief en leed van een Beeks café met diverse bewoners,
vele klanten, vele activiteiten,veel verhalen, veel foto's,veel clubs, veel belevenissen enz. is voorwaar een niet geringe
opgave.
Eigenlijk is de tijd veel te kort, maar als je zoiets graag doet en als je weet wie het je vraagt, dan wil je er ook wel voor gaan.
Je gaat naar familie, liefst de oudere, om gegevens, wetenswaardigheden en vooral ook om foto's. Ze willen je graag
helpen, zullen wel eens zoeken en kijken en de vondsten zijn gering. Je belt ze nogmaals op, zet deze en gene onder druk,
benadert mensen van verenigingen die er hun thuis hebben en van lieverlee komt de informatie binnen.
Dat zal en kan wel niet alles zijn, maar toch voldoende om in dit jubileumboek een goede indruk in woord en beeld te geven van
het in Prinsenbeek niet onbekende, maar wel geliefde café ' Het Veehandelshuis'.
Daarbij moet toch René Antonissen van drukkerij Grafi Express b.v. met name worden genoemd om hem te dankzeggen voor
de geweldige medewerking. Zonder hem en het snelle en correcte drukken van dit boek, waren we niet zover gekomen.
Van harte hoop ik dat het toch geslaagd is om dit boek, hetwelk een onderdeel is van de vele festiviteiten ter gelegenheid van
et eeuwfeest, als een leuke en waardevolle attentie aan klanten, familie en zakenrelaties aan te bieden.
Graag wens ik eenieder die het leest en/of herleest veel leesgenoegen toe.
Kees Nagelkerke.

Eigen uitgave Fam.Kavelaars;  
 

13. Boeknummer: 00293  
Suiker Plakt
Ondernemingen -- Centrale Suiker Maatschappij (CSM)           (1994)    [Redactie: S&P Communicatiegroep]
Suiker Plakt. Jubileumuitgave ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van CSM Suiker
Fotoboek met teksten over geschiedenis suikerproductie en het werken bij CSM op grond van gesprekken met medewerkers

Opgedragen aan allen die in het suikerbedrijf van CSM werken en gewerkt hebben.

INHOUDSOPGAVE
Inleiding en verantwoording 10
Voorwoord 13
suiker, een geschiedenis 14
75 jaar CSM in vogelvlucht 22
de Jaarcyclus 32
Het Transport 74
Het Laboratorium en milieu 96
de Arbeidsverhoudingen en samenwerking 118
de Bietenleverancier 134
de Suikerraffinaderij 154
de Produkten van CSM Suiker 174
bibliografie 190

INLEIDING EN VERANTWOORDING
Het zich voor de volle honderd procent inzetten van vele mensen is een basisvoorwaarde voor de continuïteit van een onderneming als de Centrale Suiker Maatschappij.
De daarmee samenhangende krachtsinspanning is het uitgangspunt geweest voor het boek Suiker Plakt, dat verschijnt ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van CSM Suiker.

Dit boek is bedoeld voor (oud)medewerkers. Hiertoe is enerzijds volgens een thematische indeling een beeldverhaal samengesteld over het reilen en zeilen van
de medewerkers tussen 1919 en 1994.

Uit duizenden foto's, die voor een belangrijk deel zijn afgestaan door vele medewerkers en ex-medewerkers, is een selectie gemaakt. het betreft hier uniek fotomateriaal
dat voor een belangrijk deel nooit eerder werd gepubliceerd. Bij de selectie is met name gekozen voor foto's die een goed beeld geven van de medewerkers in hun werkomgeving.
De foto’s vormen het hart van het jubileumboek.

Anderzijds zijn gesprekken gevoerd met een kleine honderd medewerkers en ex-medewerkers.

In de afgelopen 75 jaar is er veel veranderd in de produktie van suiker. Het fotomateriaal uit de vroege periode van CSM Suiker geeft daarvan een goed beeld. Het ligt voor de
hand dat de afbeeldingen in het boek in belangrijke mate de vroege periode van de onderneming belichten.

Wij vertrouwen er op dat de duizenden mensen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij de ontstaansgeschiedenis van CSM genoegen aan 'Suiker Plakt’ zullen beleven.
Ons past een woord van dank aan allen die aan de totstandkoming van dit boek een bijdrage hebben geleverd.

De samenstellers


Voorwoord
Leven en werken in de suiker is een prachtige periode in mijn leven geweest. Geboren tegenover de suikerfabriek in Steenbergen, werd ik van jongs af aan met het suiker
maken geconfronteerd.

Het is een mooi vak, dicht bij de natuur en geworteld in het platteland. Het werk loopt synchroon met de seizoenen en is overzichtelijk: van het zaaien van de biet tot de
consumptie van de suiker. Je kunt er nog veie mensen persoonlijk kennen en dankzij de campagne ben je sterk met elkaar verbonden en is er een grote saamhorigheid.

Het werken op een suikerfabriek heeft mij veel voldoening gegeven, met als jaarlijks hoogtepunt een snel aanlopende en goed draaiende fabriek na grote vernieuwingsprojecten in
de intercampagne. De essentie van het vak blijft daarbij 'low cost', waaraan ik graag 'high tech' koppel.

In dit kader past dank aan allen die werken en gewerkt hebben in ons suikerbedrijf. En ook aan hen, bietenleveranciers, afnemers, toeleveranciers, overheid en anderen die de
omgeving hebben geschapen, waarin wij ons werk konden doen. Zij allen hebben CSM Suiker gemaakt tot wat het nu is. Dankzij hun inzet is niet alleen een uitstekend suiker-bedrijf
ontstaan, maar is ook de basis gelegd voor de succesvolle uitbouw van CSM nv.

Alle reden dus om bij dit 75-jarig bestaan van CSM Suiker stil te staan en trots te zijn op wat tot stand is gebracht!

ir. G.M.L. van Loon

CSM Suiker bv Amsterdam;  
 

14. Boeknummer: 00294  
Drie kwart eeuw CSM
Ondernemingen -- Centrale Suiker Maatschappij (CSM)           (1995)    [Keetie E.Sluyterman]
Drie kwart eeuw CSM. Cash flow, strategie en mensen
Cijfer- en organisatieontwikkeling van 75 jaar CSM.

INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD IR. G . M . L . VAN LOON 4
VERANTWOORDING 6

1
DE OPRICHTING VAN CSM 11
OP WEG NAAR 1919
13 De Wester Suikerraffinaderij
22 ‘Hollandia’. Hollandsche Fabriek van Melkproducten en Voedingsmiddelen
26 Van Loon &. Co
35 Ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog

2
BUITENLANDSE AVONTUREN 45
1919-1934
48 Kritiek op csm, maar ook een geslaagde beursintroductie
50 Interne organisatie csm
52 Een periode van snelle expansie
54 Twijfel aan het bestaansrecht van de bietfabrieken
56 Voorrang aan de raffinaderijen
58 Terug naar de bietfabrieken
60 Buitenlandse activiteiten van csm
66 Afstoten buitenlandse activiteiten
67 Reorganisatie

3
CRISIS EN OORLOG 75
1934-1945
78 csm na de reorganisatie van 1934
81 Bietfabrieken onder het regiem van de landbouwsteun
85 De strijd om het bestaan van de Wester
86 Uitbreiding in de levensmiddelensector
90 De csm fabrieken tijdens de bezetting
94 Reacties op de Duitse bezetter
96 ‘Nederlanders, blikt naar het Oosten’
102 Bedrijfsresultaat

4
HET ‘GROENE FRONT’ CONTRA DE WESTER 107
1945-1965
110 Directie en medewerkers van csm
114 De bietfabrieken en het landbouwbeleid
120 De Wester Suikerraffinaderij
127 Diversificatie
130 Samenwerking in de suikerindustrie

5
KOPEN OF GEKOCHT WORDEN 137
1965-1978
140 Teruglopende personeelsbezetting bij csm
142 De bietfabrieken onder de EG-suikerregeling
153 De vorming van de Chemie Combinatie Amsterdam
143 Formulering concernstrategie
155 Het hectische jaar 1973
160 Oliecrisis en de vernieuwing van de EG-suikerregeling
162 Verder op eigen kracht

6
GROOT IN KLEINE MARKTEN 167
1978-1994
170 csm naar een divisiestructuur
174 Suikerdivisie
178 Levensmiddelendivisie
186 Ingrediëntendivisie
190 Strategie

TOT SLOT 199
SUMMARY 214
BIBLIOGRAFIE 227
INDEX VAN NAMEN 231


DRIEKWART EEUW CSM
cashflow, strategie en mensen
Op 24 september 1994 was het vijfenzeventig jaar geleden dat csm werd opgericht. Een tijdsspanne waarin csm opmerkelijke veranderingen heeft doorgemaakt: zo werd de
periode van succes die wij nu kennen van meer dan twintig jaar stijgende cash flow voorafgegaan door een periode van meer dan veertig jaar waarin de cash flow lager was dan die in
het succesvolle jaar volgend op de oprichting in 1919.
De cash flow vormt de rode draad in dit boek en werd gelukkig met uitzondering van enkele jaren in de crisistijd voor de Tweede Wereldoorlog in zwarte cijfers geschreven.

Om de cijferontwikkeling in een historisch verantwoorde context te plaatsen, is een beroep gedaan op het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis van de Erasmus Universiteit Rotterdam
alwaar dr. Keetie E. Sluyterman bereid werd gevonden dit werk te klaren. Zij heeft dit gedaan door de feitelijke gang van zaken te plaatsen in het licht van de gekozen strategie.
Het past in dit voorwoord te benadrukken dat een bedrijf voortbestaat als de vrucht van het werk van al zijn medewerkers. Dit boek is aan hen gewijd, waarbij dank op zijn plaats is voor
het gepresteerde. Voortzetting van het succes blijft voor allen binnen csm de grote uitdaging voor de toekomst.
Ir. G.M.L. van Loon
Voorzitter concerndirectie
CSM NV


VERANTWOORDING
csm heeft vanaf de stichting in 1919 bestaan uit een groep van bedrijven met ieder hun eigen geschiedenis. Die verscheidenheid is in de loop van de jaren alleen maar toegenomen.
Daardoor is binnen het concern de traditie ontstaan dat de diverse bedrijven of divisies hun eigen geschiedenis te boek stellen. Zo verschenen er onder meer publikaties over de
Wester Suikerraffinaderij, over de suikerfabrieken Wittouck, Halfweg en Vierverlaten, over de levensmiddelenbedrijven Honig, De Ruijter en Venz en over de activiteiten op het gebied
van melkzuur onder de naam PURAC
1. In 1994 heeft de csm suikerdivisie een boek uitgegeven gewijd aan de ontwikkelingen in de suikerindustrie met speciale nadruk op de mens in het arbeidsproces.
2. Dit boek, Driekwart eeuw csm, heeft de strategie als leidraad.

Bij het schrijven van deze studie over csm als geheel is de nadruk gelegd op de ontwikkelingen binnen csm als holding, of anders geformuleerd, op het beleid dat aan de top van het
concern werd uitgestippeld en uitgevoerd. Onderzocht is welke strategische beslissingen werden genomen, welke overwegingen daaraan ten grondslag lagen en welke gevolgen de uitvoering
van die beslissingen had voor de werkgelegenheid, omzet en cash flow van de onderneming.
Met name de gegevens over de cash flow zijn voor de hele periode beschikbaar en vormen daardoor een zeer bruikbare maatstaf om de effectiviteit van de gevoerde strategie te beoordelen.
De bestudering van de geschiedenis van een onderneming over een periode van 75 jaar, zoals dit boek over csm, biedt tevens de mogelijkheid te onderzoeken of de ondernemers een samen-
hangende visie op lange termijn ontwikkelden of dat eerder sprake was van een aaneenschakeling van korte termijn beslissingen, die in hoge mate werden bepaald door de omstandigheden van
het moment.

De hoofdstukindeling is gebaseerd op belangrijke strategische keuzemomenten in de ontwikkeling van de onderneming.
In het eerste hoofdstuk, dat als opmaat gezien kan worden, wordt geanalyseerd hoe drie partijen, de nv Wester Suikerraffinaderij, de nv ‘Hollandia’ Hollandsche Fabriek van
Melkproducten en Voedingsmiddelen en de cv Van Loon & Co., ertoe kwamen in 1919 de nv Centrale Suiker Maatschappij op te richten.
Het tweede hoofdstuk (1919-1934) behandelt de vliegende start van de nieuwe onderneming, de verwerving van buitenlandse belangen en de moeilijkheden aan het begin van de
jaren dertig, die bijna tot het einde van de onderneming leidden. Via een ingrijpende reorganisatie in 1934 en dankzij de toentertijd tot stand gekomen steunmaatregelen van de
overheid bleek voortzetting van de onderneming op kleinere voet mogelijk.
In hoofdstuk drie (1934-1945) komt aan de orde hoe de directie via diversificatie op bescheiden schaal nieuwe perspectieven voor csm probeerde te creëren en hoe zij de onder-
neming door de Tweede Wereldoorlog loodste. De afsluiting van dit hoofdstuk in 1945 heeft weliswaar vooral met externe omstandigheden te maken, maar toevalligerwijze vond in dat
jaar in de directie eveneens een vrijwel volledige wisseling van de wacht plaats, die duidelijke wijzigingen in de koers met zich mee bracht.
De nieuwe koers, die in hoofdstuk vier (1945_1965) aan de orde komt, leidde in combinatie met de overheidsmaatregelen op landbouwgebied tot het verstevigen van de positie van de
bietfabrieken. Tevergeefs probeerde de directie de Wester Suikerraffinaderij in stand te houden.
In 1965 werd de strijd definitief opgegeven. De poging via de sucrochemie een nieuwe winstbron aan te boren had vooralsnog weinig succes.
Het vijfde hoofdstuk (1965-1978) doet verslag van een zoektocht naar een nieuwe toekomst voor csm. De bietfabrieken vormden weliswaar, mede dankzij schaalvergroting en efficiency-
verhoging, een solide winstbron, maar zij boden onvoldoende mogelijkheid tot expansie. CSM had de keuze tussen bedrijven overnemen, fuseren of overgenomen worden. De keuze viel
op zelfstandig blijven en zelf op het overnamepad gaan. Met de overname van een belangrijke groep levensmiddelenbedrijven sloeg csm in 1978 definitief een nieuwe richting in.
In het zesde hoofdstuk (i978-'994) komt tenslotte aan de orde hoe csm diversificatie combineerde met internationalisatie en hoe zij zich als ontluikende multinational richtte op
de hoekjes van de markt. De investeringen in de sucrochemie gingen in deze periode tenslotte vruchten afwerpen: de activiteiten op het gebied van melkzuur en melkzuurderivaten groeiden
uit tot de derde divisie van csm, een divisie die daarnaast op het gebied van de bakkerijingrediënten grote belangen in de Verenigde Staten verwierf. De uitbreiding van de activiteiten
ging gepaard met veranderingen in de organisatie en identiteit van csm.
Tot slot wordt de gedurende 75 jaren gevoerde strategie geëvalueerd: hoe consistent was het beleid, welke rol speelde lange termijn planning en hoe belangrijk waren incidentele factoren?

Bij het onderzoek kon in belangrijke mate geput worden uit het concern-archief van csm nv. Over de voorlopers van csm is slechts in beperkte mate materiaal voorhanden, maar van csm
zelf zijn vanaf de start complete reeksen notulen van de raad van commissarissen, raad van beheer en directie bewaard gebleven. Verder bevat het archief een complete reeks gepubliceerde
jaarverslagen en een vrijwel volledige reeks accountantsrapporten. Daarnaast zijn er nog talloze kortlopende dossiers. Vanaf de jaren zeventig bevat het archief een wassende stroom strategie-
nota’s. Gegevens over het personeel ontbreken in de vooroorlogse periode vrijwel geheel en zijn ook later niet overvloedig, zoals trouwens vaak het geval is bij een concern-archief.
Overigens was het mij in de mij ter beschikking staande tijd (anderhalf jaar) niet mogelijk alle aanwezige archiefstukken te bestuderen.
Het archief van csm nv is diverse malen geïnventariseerd. Momenteel zijn de stukken deels in het brandvrij-archief (ba) en deels in het centrale archief (ca) ondergebracht. Beide series
hebben een eigen nummering. In het notenapparaat worden de twee bewaarplaatsen aangeduid met ba en ca. Het archief is voor buitenstaanders in de regel niet vrij toegankelijk.

Het behoort tot de genoegens van het bedrijfshistorisch onderzoek in opdracht, dat archieven die gewoonlijk gesloten zijn voor je opengaan en dat de direct betrokkenen in de onderneming
bereid zijn je inzicht te geven in de speciale problemen van hun vak en hun onderneming.
Graag wil ik de concerndirectie en de divisiedirecteuren van csm veel dank zeggen voor het vertrouwen dat zij in mij hebben gesteld door mij vrije toegang te verlenen tot de archieven met
inbegnp van de meest recente stukken. Daarnaast hebben zij met grote openheid over hun werk en de onderneming met mij gesproken. Speciaal wil ik de voorzitter van de concerndirectie,
rr. G.M.L. van Loon, bedanken voor zijn steun en groot enthousiasme gedurende de hele duur van het projekt. Zo werd ik overladen met boeken en interessante knipsels uit binnen- en buiten-
landse t.jdschnften. Zeer stimulerend waren voor mij de uitvoerige en met wetenschappelijke distantie gevoerde discussies over strategie in het algemeen en de strategie van csm in het
bijzonder.

In volledige vrijheid heb ik de resultaten van mijn onderzoek in dit boek kunnen verwerken. Alleen ten aanzien van de recente jaren is enige terughoudendheid in acht genomen.
Waardevolle suggesties ter verbetering van het manuscript ontving ik van de ‘leescommissie’ bestaande uit mr. J.W.E. van der Klaauw, ir. G.M.L. van Loon en M.L. Stroomberg namens
csm NV en prof.dr. H.H. Vleesenbeek namens het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis.
M.L. Stroomberg was daarnaast voor mij een stut en steun bij de praktische kant van het projekt.
Zij was ook nauw betrokken bij de laatste fase van het werk: de overgang van manuscript naar boekwerk. De vormgeving is verzorgd door A. Stienstra en J.C. Baris van Dedato. Ik ben hen
zeer erkentelijk voor de grote zorg waarmee zij tekst en beeld hebben gecombineerd.
Bij het archiefonderzoek en de beeld-research heb ik veel praktische hulp ontvangen van de bedrijfsarchivaris P.F. Scholte. Mijn waardering gaat daarnaast uit naar J.I.J. Nachbar, die bij
de correctie van de drukproeven behalve op de typefouten tevens op onduidelijkheden en inconsequenties in de tekst lette. Tenslotte hebben nog vele niet met name genoemde mensen
van binnen en buiten de onderneming mij door het vertellen van hun ervaringen of het verschaffen van gegevens bij de voltooiing van dit boek geholpen. Ik voel mij bevoorrecht dat
ik van zoveel kanten medewerking en belangstelling heb mogen ontvangen.

Dr. Keetie E. Sluyterman
Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis
GRASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM

CSM NV;  
 

15. Boeknummer: 00300  
Historisch overzicht van HKI, AKU, Enka-Breda
Ondernemingen -- Algemene Kunstzijde Unie           (1982)    [Mr D. Sorgdrager]
HISTORISCH OVERZICHT van HKI-, AKU-, ENKA - BREDA

Toespraak van Mr. D. Sorgdrager tijdens de slotvergadering van de ondernemingsraad van Enka-Breda op 17 september 1982.

 

16. Boeknummer: 00301  
De Spindop: Algemene Kunstzijde Unie n.v. Arnhem
Ondernemingen -- Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI)           (1961)    [Jan H. de Groot en diverse auteurs]
De Spindop, AKU-blad jubileumnummer 50 jaar AKU

A.K.U. 50 jaar - een mijlpaal geplaatst!
Bij de viering van het 50-jarig bestaan, dus bij de vijftigste verjaardag van een onderneming, komen er allerlei gedachten naar voren bij degenen die er nauw bij betrokken waren.
De directie van de A.K.U. heeft daarom gemeend goed te doen een jubileumboek te laten maken, waarin het belangrijkste uit de geschiedenis van die 50 jaren is neergelegd.
Deze jubileum-Spindop wil daarvan geen herhaling zijn, maar zich bepalen tot het belichten van slechts enkele facetten zoals we die heden zien. Dit heden berust echter op
wat er in het verleden gedaan is en ik wil daarom uit de geschiedenis van ENKA en A.K.U. toch nog eens dié feiten noemen, die m.i. bepalend zijn geweest voor wat onze
onderneming thans is.
Ik begin dan natuurlijk met de oprichting van de Nederlandsche Kunstzijdefabriek in 1911, die in 1913 de eerste garens afleverde. Tijdens de eerste wereldoorlog bleef de
fabriek, hoewel met moeite, in stand. De bouw van de fabriek Ede, die in 1922 in bedrijf kwam, was de definiieve stap tot een grote industrie. Tot 1930 kwamen vervolgens
de grote uitbreidingen in Ede, Arnhem en in de talrijke buitenlandse vestigingen. Wat er sedertdien ook gebeurd is, we mogen nooit vergeten, dat zonder de toen
opgerichte pijlers onze positie van thans ondenkbaar zou zijn.
Van 1930 tot 1940 was het uit met de groei. Er vond een consolidatie plaats van het verkregene: verbetering van de kwaliteit en verlaging van de kostprijs, welke beide facto-
ren sedertdien al ons werk hebben geleid.
De oorlog 1940—1945 bracht verwoesting, ook van de Kleefse Waard, die als eerste uitbreiding sedert 1930 was bedoeld. Maar in 1945 begint de wederopbouw en daarna
een expansie in alle richtingen: vergroting van de fabrieken hier en bij onze dochterondernemingen in het buitenland, geheel nieuwe (synthetische) garens en vezels en ook nieuwe
produkten, die niet met textiel te maken hebben.
Het is een ontwikkeling die parallel loopt (hoe kan het anders) met het wereldgebeuren. De rustige gezapigheid vóór de eerste wereldoorlog met het verwonderd bekijken
van zo iets als „kunstzijde”, de nieuwe oriëntering na 1918 met het snel toenemende gebruik van „kunstzijde” gestimuleerd in de crisisjaren na 1930 door de betere kwaliteit en
lagere prijs en tenslotte in 1945 het verschijnen van de nylon, voorbode van de stormachtige groei van de chemische industrie met geheel nieuwe mogelijkheden voor het pro-
duceren van stoffen, ook garens en vezels voor de textielindustrie, met nieuwe, waardevolle eigenschappen. Ik zeg stormachtig, omdat nog dagelijks nieuwe mogelijkheden op
dit gebied worden gemeld en niemand weet waartoe deze ontwikkeling uiteindelijk zal leiden.
Wanneer wij nu als A.K.U. ons 50-jarig bestaan gaan vieren, overheerst allereerst een gevoel van grote dankbaarheid, dat wij dit mogen en kunnen doen. Wij mensen van
deze generatie mogen nu het feit herdenken, dat onze onderneming een halve eeuw practisch ononderbroken haar produkten kon afleveren en met kunnen bedoel ik dat onze
onderneming in deze jaren een periode van bloei doormaakt, die een viering ook alleszins rechtvaardigt.
Onze gedachten gaan echter vooral uit naar de personen, die deze 50 jaren ontwikkeling hebben gedragen. Allereerst dan naar Dr. J. C. Hartogs en Dr. F. H. Fentener van
Vlissingen, die als oprichters van de ENKA de visie hebben gehad om deze onderneming te beginnen en zoals hiervoor al vermeld, de fundamenten voor de tegenwoordige struc-
tuur hebben gelegd.
Maar met hen en na hen zijn er velen geweest, die mede hun beste krachten aan het kleine begin en aan de grote uitbreidingen hebben gegeven. Helaas is het zó, dat ze niet
allen dit 50-jarig feest met ons mee kunnen vieren. Zij hebben echter tijdens hun leven, in welke functie dan ook, hun deel ertoe bijgedragen om de A.K.U. te maken tot
wat zij nu is.
Het verheugt mij anderzijds, dat een groot aantal werknemers met 40 en meer dienstjaren nog in actieve dienst is en in hun werk vele jongeren ten voorbeeld strekt.
Trouwens wij mogen er trots op zijn dat zovelen onder ons personeel de AJK.U. al tientallen jaren trouw zijn en het is niet zonder reden, dat wij elk jaar alle 25-jarige jubilaris-
sen een bijzondere ontvangst bereiden en de 40-jarige jubilarissen ieder individueel huldigen.
Want het mag bij een gelegenheid als deze nog wel eens worden gezegd: de successen van de A.K.U. zijn ondenkbaar zonder de medewerking van zovelen, die zich steeds
weer bereid toonden tot aanpassing aan de eisen die de onderneming stelde, die wijzigingen in de produktiemethoden de baas werden, die in moeilijke tijden niet versaagden
en in goede tijden niet verslapten.
Dit is belangrijk en in het heden nog meer dan vroeger, juist omdat de onderneming zo groot is geworden.
Vóór de oorlog hadden we in Nederland twee fabrieken, de Edese maakte spoelengaren, de Arnhemse potgaren, alleen voor de textielindustrie, heel eenvoudig en overzichte-
lijk. Nu hebben we vele fabrieken en nog veel meer produkten, wat het steeds moeilijker maakt om een overzicht te krijgen en zich een deel te voelen van zo’n groot geheel.
Het is dan ook een voortdurende zorg van de directie en van de centrale afdelingen deze bezwaren naar vermogen op te heffen. Enerzijds wordt er meer dan vroeger voor ge-
zorgd dat ieder zich op de hoogte kan stellen van de belangrijkste gebeurtenissen, resultaten en plannen, anderzijds trachten wij iedere fabriek zoveel mogelijk als een eigen
eenheid te laten werken aan en te zorgen voor haar eigen taak.
Dit laatste is ook voor de onderlinge verhoudingen goed.
Is het voor ons als directie helaas onmogelijk geworden alle 13.600 employés te leren kennen, voor allen die op één fabriek werkzaam zijn is dit nog wel te bereiken.
Ikzelf b.v. denk altijd nog gaarne terug aan de tijd dat ik in Ede, in de Centrale Technische Dienst, en later in de Kleefse Waard met velen onder u persoonlijk contact had.
Het samen beleefd hebben van vreugdevolle ogenblikken en van moeilijkheden — soms op merkwaardige plaatsen en tijden — hebben een band gesmeed, die ook nu nog
telkens aanwezig blijkt te zijn als ik vrienden uit die vroegere perioden op onze A.K.U.-bij een komsten ontmoet.
Ik weet, dat deze gevoelens bij velen van u leven en hoe zeer ze de samenhang in de onderneming bevorderen. Door gemeenschappelijke ervaringen in vroegere perioden tot
vrienden geworden, zult u in andere functies in verschillende afdelingen geplaatst, elkaar ook buiten de organisatorische regelen om gemakkelijk kunnen vinden en raad-
plegen.
En al zal een onderneming als de onze soms zakelijk zijn in haar optreden naar buiten, wij realiseren ons bij voortduring hoe afhankelijk we zijn van de hartelijke medewer-
king van alle personeelsleden en we willen daarom gaarne de voorwaarden scheppen om die te verkrijgen.
Ik ga er van uit, dat het de plicht van ieder mens is om de gaven die zijn Schepper hem heeft geschonken, zo goed mogelijk te gebruiken ten bate van zijn medemensen. Hier-
onder vallen uiteraard allereerst zijn gezinsleden, maar als hij zijn werkkracht en zijn verstand in dienst gaat stellen van een onderneming mag ik verwachten, dat hij zich ook
daar die plicht bewust is. Maar omgekeerd zal dan ook de onderneming er toe moeten medewerken, dat een ieder de gelegenheid krijgt te laten zien wat in hem zit.
We zullen hierin nooit het volmaakte bereiken, doch de aanwezigheid van chefs personeelbelangen en psychologen helpt ons daarbij, en zeker niet minder de medewerking
van de leden van het toezichthoudend personeel, die door hun dagelijks contact zoveel tot een juiste beoordeling kunnen bijdragen. Op het belang hiervan wordt hun op de cur-
sussen voor voorlieden en meesters dan ook speciaal gewezen.
Het resultaat moet dan zijn, dat onze mensen zich in hun werk op hun plaats voelen, want dan ontstaat ook de mogelijkheid dat zij vertrouwen hebben in hun chefs en in
de hogere leiding van de zaak. De goede samenwerking in een onderneming en in elke afdeling berust tenslotte op vertrouwen. Vertrouwen in elkaars oprechtheid in het stre-
ven naar een goede taakvervulling, bereidheid van een ieder naar vermogen bij te dragen tot het welzijn der onderneming, vertrouwen ook in eikaars bekwaamheid en geschikt-
heid voor de toegewezen taak.
Waarom ik nu bij dit jubileum dit alles vermeld? Omdat de afgelopen 50 jaren ons thans alle reden tot feestvreugde geven en we met gepaste trots dat tijdperk mogen over-
zien; ook omdat we vanuit dit ogenblik weer vooruit moeten kijken en dan beseffen dat we nog midden in een stormachtige ontwikkeling staan. 1960 heeft hiervan wel
het bewijs geleverd door de talrijke beslissingen die genomen zijn om de activiteit van de A.K.U. te verbreden.
Hebben we in de vervlogen jaren alleen door samenwerking van hoog tot laag onze taak kunnen vervullen, de verdere groei — noodzakelijk in deze tijd — maakt die
samenwerking onmisbaarder dan ooit.
Jammer is het daarom, dat we niet met zijn allen tezamen de jubileumfeesten kunnen vieren, zoals dat in 1938 met het 25-jarig jubileum mogelijk was. Toen konden allen
tegelijk worden verenigd in Musis Sacrum en later op het Esca-terrein. Dit heeft op de toen aanwezigen een zodanige indruk gemaakt, dat men er nu nog over spreekt, en ik zou
niets liever hebben gewild dan dat wij deze zelfde opzet bij het 50-jarig jubileum weer zouden hebben gevolgd.
Bij overweging bleek echter al spoedig, dat zulks met meer dan 13.000 mensen ten enen male uitgesloten was.
Uit het feestprogramma zult u echter hebben gezien, dat wij in ieder geval aan ieder persoonlijk de gelegenheid hebben kunnen bieden deel te hebben aan de feestvreugde
en dat op bescheiden schaal ook gezamenlijke manifestaties zullen plaats vinden. Aan de officiële bijeenkomsten in Arnhem zal echter slechts een beperkt aantal vertegen-
woordigers uit de fabrieken en afdelingen kunnen deelnemen. Die bijeenkomsten zijn trouwens in het bijzonder bedoeld om de 50-jarige A.K.U. in contact te brengen met
de overheden van Rijk, Provincie en Gemeente, met afnemers, leveranciers en wetenschappelijke instellingen. Al eerder hebben we de aandeelhouders van A.K.U. speciaal
ontvangen.
Maar de meeste voldoening zullen we smaken, geachte medewerkers, als gij allen met vreugde aan de voor U bereide festiviteiten zult kunnen deelnemen en daaraan ook
in de toekomst goede herinneringen zult bewaren.
Een 50-jarig jubileum is een ogenblik van terugzien, maar ook van vooruit zien. Ik hoop, dat U uit deze inleiding zult hebben begrepen, dat de directie hoopt, dat het jubi-
leumfeest zal bijdragen tot de saamhorigheidsgedachte in onze gehele organisatie en dat deze gedachte onze A.K.U. ook in de volgende jaren zal schragen.

AKU;  
 

17. Boeknummer: 00302  
Nieuwe Tijden Nieuwe Schakels
Ondernemingen -- Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI)           (1961)    [Max Dendermonde]
Nieuwe Tijden Nieuwe Schakels. De eerste vijftig jaren van de AKU

INHOUD
1911-1961 Van tuinstad tot ‘hoofd’-stad 1

Hoofdstuk I
1911-1920 Van proeffabriek naar industrie 19
voor 1914 De kunstzijde in een nieuw modebeeld 43
na 1918 Nederland in een nieuwe wereld 49

Hoofdstuk II
1920-1930 De eerste expansieperiode 53
na 1930 Dalende welvaart 77
Modern times 81

Hoofdstuk III
1930-1940 Stabilisatie 93
na 1940 Nood breekt neutraliteit IIO

Hoofdstuk IV
1940-1945 Neergang 117
na 1945 Een nieuw Nederland 127

Hoofdstuk V
1945-1961 De tweede expansieperiode 131
Vijftigduizend maal a.k.u. 169


1911-1961
Arnhem, gelegen in de delta van de Rijn - machtigste Europese verkeersader - schijnt omstreeks 1900 behaaglijk verzonken in landelijke rust, met aan de rivierkant weinig
meer rumoer dan wat het gehamer oplevert van slechts één scheepswerf. Het is er s avonds even stil als in Dokkum of Zierikzee. Of op een veranda in Buitenzorg, want
iets - neen, véél - heeft Arnhem toch wel te maken met de gordel van smaragd. Arnhem is een geliefd oord voor die zich aan de evenaar hebben gewend aan al wat gepeperd is.
‘Het Geldersch Lustoord’, noemt men Arnhem en het is niet verwonderlijk, dat suikerlords en heren van de echte adel zich inderdaad thuis voelen aan de sappige oevers van
de Rijn.
De Indische suikercrisis van 1883 brengt weliswaar een grote terugslag, maar desondanks blijft de bevolking groeien en niet door een industriële zuigkracht. In het begin
van de twintigste eeuw is Arnhem de zevende stad van Nederland met zo’n 60000 zielen - ruim zes maal zoveel als honderd jaar daarvoor. Een groot deel van die 60000
leeft ‘stil’ en een nog groter deel maakt hun dat tot een pleizier als gedienstig middenstander, ijverig bouwvakarbeider, koetsier, dienstmaagd, tuinman. Als ambtenaar en
bankbediende ook. Arnhem is een fraaie tuinstad en wil dat zijn. Zo wordt nog in de negentiende eeuw het grote landgoed ‘Sonsbeek’ door de gemeente aangekocht, een
vérziende daad. Niemand minder dan Zocher had er een fraai park van gemaakt, een landschappelijk monument, dat uniek is in geheel Nederland. Op warme dagen kunnen
zij van de tropen er zich bijna voelen als in de schone Preanger. En niet enkel de suikerlords. Zitten sinds 1862 op Bronbeek niet de gepensioneerde koloniale militairen? Ook
écht schitteren daar de sabels nog, in Sonsbeek. Het zijn de Gele Rijders, de leden van het keurkorps van het garnizoen.
Duitsland bouwt een vloot, maar wie debatteert daarover in Sonsbeek? Er worden in Arnhem geen kanonnen gegoten; men voedert de duiven en telt zijn schapen op het
droge. Oók letterlijk gaat dit laatste gebeuren: in 1911 zijn de Arnhemmers de Utrechtenaren voor en staat de gemeente terreinen en geld af aan de Nederlandsche Heide-
Maatschappij. Zo zetelt zich een nationale zaak in Arnhem, een instelling die zich - naar hun voorbeeld - werpt op de modernisering van nog altijd een agrarisch land. Doel was
en is steeds gebleven de verhoging van de produktiviteit van de bodem. Later kan men zich terecht afvragen waar de Nederlandsche Heide-Maatschappij beter thuis hoort dan
in die landelijke, groene stad.
Industrie... Het woord heeft geen prettige klank in de parken aldaar. .Als zo iets al nun of meer spontaan kan beginnen, waarom zou het dan juist daar zijn? Voor waarlijk
zware industrie is maar sporadisch bestaansgrond in Nederland; ijzer en kolen daarvoor moeten van verre bijeen worden gebracht. Nee, mijne heren, een industrie stelt haar
voorwaarden, delfstoffen bij voorbeeld, zoals in Zuid-Ltmburg, een gunstige ligging, zoals in Rotterdam, een traditie, zoals in Twente, een agrarisch arsenaal, zoals in oostelijk
Groningen. Zo is het, mijne heren.
Nu ja, in steden als Breda mag er ook wel leven in de brouwerij komen, maar ga nu eens - over het Brabantse gesproken - naar Steenbergen bij voorbeeld. Wat doet men er an-
ders als agrarische produkten verwerken: suikerbieten en vlas? En dan de zandgronden!
Neem Ede. Wat is het méér dan een doodstil dorpje, dat vér, vér weg ligt van het sissend rumoer van Europa. Of neem de kleigronden van de Rijn, neem een willekeurige plek
als de Kleefse Waard. Welzeker, men ruikt er schoorsteenroet, een geur van wording, de eeuwenoude geur van klei die baksteen wordt. Niets nieuws. Of ga hogerop, waar
Groningen grenst aan Drente, naar Emmercompascuum, om zo maar een verloren gat te kiezen. Men haalt er geen baksteen maar brandstof uit de bodem, armelijke turf. En
ook dat is een oud handwerk. De twintigste eeuw wil er nog niet beginnen en de nieuwe welvaart ligt vér, vér weg. Ach, mijne heren, hoe kan er daar nu sprake zijn van een
industriële revolutie? Dat is immers volstrekt onmogelijk, voor nu en ooit!
Maar zo is het dan al niet langer in 1911. Is in Eindhoven de lamp reeds niet gaan branden, zo maar op de hei? Nieuwe ontwikkelingen hebben mogelijk gemaakt, dat men, als men de
voorwaarde genaamd wetenschap in zijn mars heeft,bijna overal een industrie kan beginnen.

Anderhalve maand, nadat in de stad van parken en tuinen de eerste proefrit met de elektrische tram wordt gehouden, besluit de Arnhemse Gemeenteraad om tot aankoop over
te gaan van een terrein aan de Vosdijk, ten einde dat terrein in erfpacht te geven aan de N.V. Nederlandsche Kunstzijdefabriek. Het maakt slechts weinig indruk in de stad, de
dominee, de dokter en de notaris zullen er niet ééntje meer op nemen, niet eentje minder ook. Het is 1911, zo maar een jaar, het gaat goed in Europa en in Nederland eigenlijk ook
heel aardig. De eerste symptomen van de concentratietendens in het bedrijfsleven dienen zich aan. Steeds meer komt de naamloze vennootschap in gebruik, steeds groter wordt
het aantal emissies. Daar is iets gaande in de wereld. Maar op het Velperplein in Arnhem is het nog stil op de uren, waarop in de industriesteden de fabriekssirenen hun arbeiders
loslaten. Een paar notabelen kijken om naar een vreemdeling, een kleine man, die met een tas onder de arm kwiek voorthinkt in de richting van het station. Hij heeft niets van
een vakantieganger. Het zal wel zo’n handelsreiziger zijn. En zij vervolgen hun dagelijkse weg, zelfbewust, onaantastbaar. Over een uitgestorven Velperplein. En wat zij verder
doen, heeft een dichter genoteerd:

Zij gaan zich nu voorzichtig laten scheren,
Om daarna, met ervaring en verstand,
Een glas te drinken op het heil van 't land:
De dominee, de dokter, de notaris.
’k Weet geen probleem dat hun na zes te zwaar is.
Maar ’t kan verkeren.


In welk Nederlands stadje men ontwaakte zo omstreeks 1960, in zijn hotelkamer miste de vreemdeling in het ochtendlijke klankbeeld vrijwel overal het geluid, dat een mythe
hem had beloofd. In plaats van het grappige geklots van klompen, hoorde hij het knetteren en denderen, het brommen en het grommen van een groot motorisch geweld, een
losgebroken dierentuin vol soorten en rassen. Tussen het olifanteske, miskende dreunen van zwoegende trucks klonk het hoge, felle en spreeuwensnelle knetteren van brom-
fietsen, en terzijde daarvan gleed het soepele, zelf overtuigde pantergeneurie van zachtschakelende personenauto’s en de avontuurlijke, sportieve en kangoeroe-achtige debrail-
lagesprongen van scooters. Een nieuwe jungle, die verre lag van de voorbije wereld van holklotsende, gebarsten klompen, handkarren over harde keien, het rustieke gebel van
de paardetram. Hoe heette die stad, waar in dat land van mooie tulpen en trage molens de nieuwe eeuw was losgebarsten? Hoe was de naam? Waar was Nederland zo anders
geworden? Waar? Het was een vraag met maar één antwoord: vrijwel overal.
Bijna alle steden, grote en kleine, ja, vele dorpen zelfs, boden aan het eind van de vijftiger jaren van de twintigste eeuw een geheel andere klank en kleur, een geheel ander
beeld van welvarende en algemene kracht dan ze hadden gedaan om de eeuwwisseling, of in de bloeiende twintiger jaren zelfs. Wat Essen al lang had gekend, en Manchester,
een industrieel rumoer, wat er al in Detroit tijden gaande was, in Pittsburgh, in Luik, in Lyon, in Lodz, in Birmingham en Breslau, dat duizendvoudig optrekken naar fabrieken,
die aanblik - maar beduidend minder grauw, zonder grijs kolengruis, kleurig welhaast, welvarend in ieder geval - toonden nu Nederlandse dorpen en steden, die slechts enkele
decennia daarvoor roemloos op de heide hadden gelegen, of op de rand van het armoedige veen. Was Nederland in de wereld gedegradeerd tot een rijk zonder koloniën, in
Europa was het opgekomen tot een land met een moderne industrie, overal, in een kleine historische stad als Breda, in een zanddorp als Ede, in een boerencentrum als Emmen, in
een tuinstad als Arnhem.
Die greep is niet willekeurig. Zeker, we hadden ook Eindhoven kunnen noemen, Drachten en Roermond. Of Loosduinen, Doetinchem en Enschede. En andere reeksen van
plaatsen, andere namen, Uithoorn of Velsen of Pernis. Elke reeks en elke naam zou zijn eigen historie verhaald willen hebben, maar elk verhaal zou het eendere motief bezitten,
onwillekeurig. Bepalen we ons voor dat motief tot de draden, die lopen door de eerstgenoemde reeks: Arnhem, Breda, Ede, Emmen, ‘hoofd’steden.

Het begint met het hoofd en zonder dat gaat het nooit meer, integendeel, denkwerk is de voornaamste grondstof. Kolenbranden, turfsteken en kolen uit de grond graven kan
in den beginne geschieden met een geëelte hand en wat makkelijk gereedschap. Ga je gang maar jongens, knoestige knapen kunnen het op hun klompen af. Er komt denk-
werk bij te pas, later, maar daar begint het niet mee. Het begin is de materie zoals die daar ligt, en de energie, die zichtbaar in de natuur is, in een waterval, een paardedij, een
mannenvuist. In de rollende boom zit het wiel, in de wuivende bladerkruin het zeilschip, de molen. Maar wie energie ziet in vredige, bijna abstracte stoom denkt om een nieuwe
hoek. Op alle kaarten liggen ineens nieuwe werelden. Alles is mogelijk. Een land arm aan materie en arm aan energie kan ineens een nieuwe wereld worden. Wie de denkers
heeft, de mannen en vrouwen die het andere zien, nieuw, kan zich een weg banen naar ongekende perspectieven. Wie rijkdom onder zijn bodem tekort komt, kan de rijkdom
onder zijn hoofdhuid exploreren en met nooit vermoed succes. Achter het makke, eenvoudige en ietwat vertederende affiche van windmolens en houten klompjes kan
ineens een revolutie ontstaan, die het leven barstend vol energie, gecompliceerd en militant-zelfbewust maakt. Wat is er anders gebeurd in de Nederlandse ‘hoofd’steden?
Hetgeen in 1960 in Nederland opviel aan de vreemdeling, die het land in tientallen jaren niet had bezocht, was de enorme uitbouw der steden, de veelheid van nieuwe industrie-
ën, de perfectie van het spoorwegensysteem, het grote getal van fraaie rivierbruggen, de ruimtelijkheid in de woningbouw, het geweldige autoverkeer op de betonbanen
alom. Maar nóg meer viel hun op de verandering van de mens in de straat, niet van de man alleen, vooral van de vrouw ook. In het begin van de eeuw, ook tussen de eerste
en de tweede oorlog nog, was het niet moeilijk klasse of stand van man of vrouw te schatten naar kleding en gang. Wellicht was het in 1960 nog wel zo, dat men de aristo-
craat of de academicus gemakkelijk kon onderscheiden van de opgekomen landarbeider of de plattelandsonderwijzer, maar men moest wel zeer voorzichtig zijn met zijn oordeel.
Ging de wisselloper-ouderling niet precies zo gekleed als zijn moderne dominee, droeg de ziekenbroeder in zijn vrije uren niet hetzelfde kostuum als de dokter, hulde de kan-
toorklerk zich niet in een modieuze regenjas gelijk aan die van de notaris? Men moest inderdaad wel zeer voorzichtig zijn: de ietwat tobberige man op een eenvoudige fiets
kon een directeur zijn, de zelfbewuste bestuurder van een nieuwe auto zijn ondergeschikte. Klasse, stand, prestige werden minder dan daarvoor gemerkt door uiterlijk
vertoon. De kleding maakte niet langer de man.
Maar de vrouw? Hadden vele eenvoudig-gesalarieerde meisjes hun zelfbewuste houding niet juist te danken aan het feit, dat zij met hun kleding dezelfde furore konden maken
in het stadsbeeld als zij, die hun zomerjurken uit Parijs hadden gehaald? Het was niet de toch tamelijk uniforme herenkleding, die het beeld van de algemene welvaart in de
steden het sterkst accentueerde, maar het waren de grote verscheidenheid en de frisse fleur van de vrouwenkleding, en vooral de vanzelfsprekende, geëmancipeerde onbe-
vangenheid, waarmee die door het kantoormeisje en het meisje voor dag en nacht werden gedragen. De kleren maakten de vrouw. Een enorm uitgebreide en betaalbare
keuze had vrijwel elke vrouw de vrijheid geschonken zich in haar kleding uit te leven naar haar eigen ideaalbeeld. Ze was vrij geworden te zijn die ze wilde zijn. De vrijheid
had haar zelfs een andere houding gegeven, een fiere loop. Kortom, het geslof van de onderworpenen der aarde was als markant geluid verdwenen, het militante tikken van
pumps en naaldhakken was ervoor in de plaats gekomen.
Het is waar, dat de revolutionaire veranderingen in de textielindustrie en de enorme vlucht daarvan het kleding-assortiment geweldig hebben verbreed, en het kledingprijs-
peil zo heeft doen dalen, relatief, dat men zich inderdaad over het gehele land, in Loppersum en Lage Zwaluwe, in Schagen en Schin op Geul, in Borculo en Boskoop, voort-
durend beter heeft kunnen kleden, en dat gold voor iedereen, absoluut. Maar dat was niet alleen een zaak van betere distributie der textielgoederen, van een grotere keuze-
mogelijkheid uit kwaliteiten en eigenschappen, en van lagere prijzen in vele gevallen, maar eerst en vooral ook van een grotere koopkracht. Die koopkracht was dan weer een
gevolg van een steeds intensiever en effectiever inschakelen van de beschikbare arbeidskrachten en daarmee was de gouden cirkel van de welvaart op toeren gekomen. Uit die
cirkel is textielindustrie en alles wat daarmee samenhangt niet weg te denken, integendeel, maar andere sectoren, nieuwe zowel als oudere, hebben er hun eigen onmisbare
plaats in. Voor het geïndustrialiseerde Nederland van na de tweede wereldoorlog geldt stellig, dat het geheel méér is dan de som der delen. Elk deel van die wonderlijk-inge-
wikkelde som heeft zijn duidelijke of minder duidelijke, zijn boven- of ondergrondse verbindingen met vele, zo niet alle andere. Het is een mysterieus en uitermate boeiend
legwerk van delen, waarvan men in ieder geval kan zeggen, dat de textielindustrie-als-geheel er volstrekt onmisbaar in is.
Een onderdeel daarvan is het, waarzonder dit boek nooit geschreven zou zijn. Een bijzonder onmisbaar onderdeel, dat in het begin der twintigste eeuw nauwelijks bestond.
Het moderne leven is zonder die sector volkomen ondenkbaar geworden. En dat is alles gekomen in vijftig jaren, en in minder. Omdat één man ging denken om een
nieuwe hoek. Zonder hem zouden die hechte schakels tussen Arnhem, Ede, Breda en Emmen er niet zijn. ‘Hoofd’steden.

Was ‘de Nederlandse wetenschap’ in het begin van de negentiende eeuw nog vrijwel uitsluitend te vinden in de universiteitssteden, de ‘hoofd’steden van toen, vijftig jaar
later was er geen stad aan te wijzen van enige omvang, waar wel niet een kern van weten-schapsmensen aanwezig was buiten de dominee, de dokter en de notaris. Aan de oude trits
arbeid, materiaal en kapitaal was omstreeks 1960 de vierde schakel ‘wetenschap’ onmisbaar geworden. Met of zonder koloniën, met of zonder bodemschatten, met of zonder
een strategische ligging, met of zonder een transitoverkeer, een handel, een landbouw, een veeteelt, een visserij, met of zonder dat alles zou Nederland nooit de modern-
Europese staat geworden zijn als het niet in ieder geval die wetenschap had bezeten.
Nog ver voordat Nederland in de dertiger jaren in de wereldstromen aan lager wal raakte, waren er buiten de universitaire centra om heel wat academici her en der over
het land verspreid geraakt. In de industrie. Dat voelden velen van hen in die tijd nog niet als iets om trots op te zijn. Het is dan ook waar, dat de industrie zich vaak minder een
deel van die gemeenschap wist te betonen dan in later tijden. Hoe dan ook, het woord ‘hoofd’stad was - buiten de universiteitssteden - een gevaarlijk ding om mee te spelen,
men kon zich er dadelijk mee belachelijk hebben gemaakt. Toch bestonden er voor 1940 wel degelijk een aantal nieuwe ‘hoofd’steden in Nederland, en ver daarvoor ook al. Een
zo rustige tuinstad als Arnhem bij voorbeeld is het eigenlijk al geworden in 1911, toen een kleine man over het Velperplein ging, alleen, en terzijde van de dominee, de dokter en
de notaris. Een halve eeuw later was in Arnhem een groot aantal academici in een der grootste Nederlandse industrieën werkzaam. Zij werkten in 1960 voor een internatio-
nale werkgemeenschap van dertig fabrieken, waarin meer dan 50000 personen hun arbeidzaam aandeel hebben. Vijftigduizend personen in een groot aantal landen: Neder-
land, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Engeland, Spanje, U.S.A. en Mexico. Dat grote verbond van de 50000 zou niet hebben bestaan, als niet in 1911 die kleine man om een
andere hoek was gaan kijken, en - min of meer toevallig - in Arnhem was beginnen te experimenteren met een bedrijf, dat in de eerste jaren vrijwel uitsluitend een proeffabriek
was, een onderzoekingswerkplaats. Die kleine man deed daar een gooi naar het grote, want van meet af aan heeft hij zijn werk groot gezien, en bedoeld voor over de grenzen.
Voor hem was Arnhem dadelijk al een internationaal centrum, meer nog dan een centrum verbonden met dorpjes van toen als Ede en Emmen en met een stadje als Breda. Die
dorpen en dat stadje hadden geen plaats in zijn hoofd. Hij fantaseerde niet over wat daar later voor wonderlijke welvaart zou komen. En hoe ver hij dan ook wel keek in andere
richtingen, hij niet, maar nog veel minder zijn generatie - met alle dokters, dominees en notarissen incluis - hebben ooit kunnen vermoeden welk een geheel andere stad Arnhem
zou kunnen worden. En welk een andere wereld hij mede zou scheppen. Hij begon niet zo maar een fabriek, een proefbedrijf, hij begon een nieuwe welvaart voor een nieuw
type mensen. Hij was een nieuwe schakel naar een nieuwe tijd.

Nog ver voordat Nederland in de dertiger jaren in de wereldstromen aan lager wal raakte, waren er buiten de universitaire centra om heel wat academici her en der over
het land verspreid geraakt. In de industrie. Dat voelden velen van hen in die tijd nog niet als iets om trots op te zijn. Het is dan ook waar, dat de industrie zich vaak minder een
deel van die gemeenschap wist te betonen dan in later tijden. Hoe dan ook, het woord ‘hoofd’stad was - buiten de universiteitssteden - een gevaarlijk ding om mee te spelen,
men kon zich er dadelijk mee belachelijk hebben gemaakt. Toch bestonden er voor 1940 wel degelijk een aantal nieuwe ‘hoofd’steden in Nederland, en ver daarvoor ook al. Een
zo rustige tuinstad als Arnhem bij voorbeeld is het eigenlijk al geworden in 1911, toen een kleine man over het Velperplein ging, alleen, en terzijde van de dominee, de dokter en
de notaris. Een halve eeuw later was in Arnhem een groot aantal academici in een der grootste Nederlandse industrieën werkzaam. Zij werkten in 1960 voor een internatio-
nale werkgemeenschap van dertig fabrieken, waarin meer dan 50000 personen hun arbeidzaam aandeel hebben. Vijftigduizend personen in een groot aantal landen: Neder-
land, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Engeland, Spanje, U.S.A. en Mexico. Dat grote verbond van de 50000 zou niet hebben bestaan, als niet in 1911 die kleine man om een
andere hoek was gaan kijken, en - min of meer toevallig - in Arnhem was beginnen te experimenteren met een bedrijf, dat in de eerste jaren vrijwel uitsluitend een proeffabriek
was, een onderzoekingswerkplaats. Die kleine man deed daar een gooi naar het grote, want van meet af aan heeft hij zijn werk groot gezien, en bedoeld voor over de grenzen.
Voor hem was Arnhem dadelijk al een internationaal centrum, meer nog dan een centrum verbonden met dorpjes van toen als Ede en Emmen en met een stadje als Breda. Die
dorpen en dat stadje hadden geen plaats in zijn hoofd. Hij fantaseerde niet over wat daar later voor wonderlijke welvaart zou komen. En hoe ver hij dan ook wel keek in andere
richtingen, hij niet, maar nog veel minder zijn generatie - met alle dokters, dominees en notarissen incluis - hebben ooit kunnen vermoeden welk een geheel andere stad Arnhem
zou kunnen worden. En welk een andere wereld hij mede zou scheppen. Hij begon niet zo maar een fabriek, een proefbedrijf, hij begon een nieuwe welvaart voor een nieuw
type mensen. Hij was een nieuwe schakel naar een nieuwe tijd.

AKU;  
 

18. Boeknummer: 00395  
Drukkerij E.M. de Jong 100 jaar. 1906-2006 (2dln in cassette)
Ondernemingen -- Algemeen           (2006)    [A. van Tuyll, J. Janssen]
100 jaar drukkerij E.M. de Jong 1906-2006, Baarle in druk 1906-2006

Voorwoord (deel 1)
Honderd jaar Drukkerij Em. de Jong maakt tegen de achtergrond van zo'n 1300 jaar boekdrukkunst misschien
weinig indruk, maar wie zich realiseert dat de dorpsdrukkerij van Tjeerd de Jong als familiebedrijf heeft stand
gehouden en is uitgegroeid tot de grootste retaildrukkerij van Nederland mag de vlag uitsteken.
Friese opa Tjeerd en Vlaamse oma Cornelia hebben vanaf 1906 met hun kracht en doorzettingsvermogen niet alleen
heel veel persoonlijk leed overwonnen maar ook de basis gelegd voor een sterk familiebedrijf dat in Baarle altijd
letterlijk een ‘grensgeval’ is gebleven.
In een tijd van globalisering en Europese groei lijkt lokaal en regionaal denken uit de tijd. Maar Tjeerd de Jong die
ooit bij toeval en misschien intuïtie Baarle-Hertog als eerste vestigingslocatie koos, startte daarmee een band
tussen drukkerij en Baarle die nooit meer verbroken is.
Mijn vader Emiel die in 1939 het bedrijf overnam, was waarschijnlijk niet de drukker in hart en nieren die Tjeerd
graag gezien had maar hij was wel met hart en ziel verbonden met de Baarlese gemeenschap. Daarbij had hij
een zoon die als kind al niet kon wachten op het moment dat hij serieus met zethaak, lood en inkt aan de slag kon.
Van mijn grootouders en ouders heb ik de liefde voor het drukkers- en uitgeversvak met de paplepel naar binnen
gekregen. En hoewel nergens in de historie van de familie De Jong het ondernemerschap als prominent aspect
naar voren komt, hebben we kennelijk in de genen iets zitten waardoor we altijd naar de toekomst kijken en ons
afvragen hoe het grafische landschap er overmorgen zal uitzien. Daarbij zat die sterke verbondenheid met dorp en
regio er al vroeg in. Het familiebedrijf heeft altijd een grote verantwoordelijkheid gevoeld. Niet alleen voor de
eigen onderneming en medewerkers maar ook voor die eigen regio waarvoor we nu al 100 jaar Ons Weekblad uit-
geven, ooit gestart in 1906 als het Baarl’s Nieuws en Advertentieblad.
Echte feestvierders zaten er niet bij de familie De Jong. Misschien te veel Fries en te weinig Brabants en Vlaams.
Dat is ook de reden dat 50 en 75 jaar drukkerij/uitgeverij bijna ongemerkt voorbij zijn gegaan. In 2005 realiseerden
we ons dat die 100 jaar er aan kwam. We hebben lang geaarzeld over de viering en een jubileumboek. Opa
Tjeerd en pa Emiel hadden nooit archieven bijgehouden en de getuigen uit die eerste veertig jaren waren allemaal
dood.
Het Jubileumboek was dan ook een zeer late beslissing die veel heeft gevergd van alle medewerkers, niet in het
minst die van onze prepress en de Baarlese Heemkundekring. Zo is het enerzijds een journalistieke reconstructie
geworden van 100 jaar drukkers- en uitgeversgeschiedenis in de context van de ontwikkeling van historische
boekdrukkunst tot de digitale grafische revolutie en anderzijds een document over de familie De Jong op de
grens tussen Nederland en België. De verbondenheid met Baarle heeft ook vorm gekregen in dit apart boek over de
laatste 100 jaar Baarle-Nassau en Baarle-Hertog; een productie van leden van de Baarlese Heemkundekring.
Terugkijkend tot 1906 ben ik bijzonder trots op die opa die ooit met niet veel meer dan een groot doorzettings-
vermogen een handels- en familiedrukkerij startte en een weekblad. Hij heeft de latere generaties De Jong de kans
gegeven om verder te bouwen aan een drukkersbedrijf dat anno 2006 niet alleen de grootste Baarlese werkgever
is maar ook een toonaangevend bedrijf in Nederland en België.
Bedankt Tjeerd, namens de hele familie!
JOEP DE JONG.
ALGEMEEN DIRECTEUR DRUKKERIJ EM. DE JONG

Verantwoording
Toen Joep de Jong na lange aarzeling in december 2005 besloot om de 100-jarige drukkerij in juni 2006 toch een
feestelijke aankleding te geven met officiële vieringen en een jubileumboek, werd het voor alle betrokkenen een
race tegen de klok. Een drukkersbedrijf wil een mooie feestproductie afleveren. Geen boekje van 13 in een
dozijn maar een verslag van 100 jaar zetten, opmaken en drukken. Honderd jaar uitgeven, 100 jaar ondernemen en
de eeuw van grootvader Tjeerd en vader Emiel, mede gezien door de ogen van kleinzoon en zoon Joep die
driftig meekeek over de schouders van de verslaggevers.
Wat moest het allemaal worden? Een mooi vormgegeven boek waarin lezen en kijken elkaar aanvullen maar ook
apart genoten kunnen worden. Een boek waar een drukker trots op kan zijn. Maar ook het avontuur van een
dorpsdrukkerij uit 1906 die als familiebedrijf doorgroeit tot de retaildrukkerij van Nederland en België. Tegelijker-
tijd een familiekroniek over de nazaten van Tjeerd de Jong, de Friese weesjongen die als handzetter zijn geluk
in de Zuidelijke Nederlanden zocht en de basis legde voor een uniek familiebedrijf.
Maar er is nog veel meer, riep Joep de Jong tot zijn kroniekschrijvers. De groei van het Baarl's Nieuws en
Advertentieblad met nog geen 300 abonnees tot een klein bladenconsortium. Kortom, de uitgeverij en het verhaal
achter de bladformules. Het succes van de ondernemer die dwars tegen alle grafische crises in blijft groeien. De
context van de digitale revolutie in een eeuw waarin definitief afscheid werd genomen van Gutenberg en vier
eeuwen lood- en inktgeur. De technische groei en ontwikkeling van de trapdegel van Tjeerd uit 1906,
waarbij je de echo nog hoort van Chinese blokdrukkers en Johann Gutenberg, tot de laatste generatie digitale
superprinters waarop nu de kleinere oplagen gedrukt worden.
Dat bizarre historische contrast tussen Chinese blokdruk uit de 6e eeuw en de gedigitaliseerde prepress die via
snelle drukpersen in korte tijd 300.000 Idols-affiches uitspuwen lijkt het ultieme beeld waarin ruim 1400 jaar ont-
wikkeling in de boekdrukkunst wordt gevisualiseerd.
Toen Joep de Jong dat allemaal vroeg, wisten we nog niet dat de toch al beperkte archieven niet veel verder dan 25
jaar teruggingen. De rest zat in de geheugens van medewerkers, familieleden en vooral Joep de Jong zelf. Foto’s
van oude drukkerijlocaties kwamen via de Baarlese Heemkundekring en familieleden boven tafel maar hoe
het er binnen uitzag was in al die tijd nooit vastgelegd.
Druk in Baarle is dan ook meer reconstructie en beschrijving vanuit een journalistieke optiek geworden
dan een historisch verantwoorde kroniek van een drukkersfamilie en hun ondernemingen. Onderzoek, het
verzamelen van relevant materiaal en foto’s en het voeren van tientallen gesprekken kostte maanden. Daarna het
schrijven terwijl de deadline van de vormgever naderde.
Hoewel de auteurs vaak het gevoel hadden opgesloten te zitten tussen journalistieke deadline en historisch verant-
woordelijkheidsbesef is de race tegen de klok gelukt. Niet in het minst dankzij de onbaatzuchtige medewerking van
al die grafici en andere medewerkers die hun hersenen moesten pijnigen over de vraag hoe het ook al weer in
elkaar stak in ‘die goeie ouwe tijd’. Om maar niet te spreken van de familie De Jong die het verleden in moest
voor de eigen geschiedenis. Vergeten momenten en vergeten en vergeelde foto’s kwamen weer boven tafel.
Maar zonder het verleden bestaat er geen toekomst.
Het werden uiteindelijk vier maanden van zoeken, praten, stressen en schrijven. Maar we hebben er geen spijt van
en ook nog iets geleerd over de geschiedenis van een prachtig vak en een Friese weesjongen die naar Baarle
kwam om de basis te leggen voor een stevig weekblad concern en tevens de grootste retaildrukkerij van
Nederland.
ANNA VAN DER BURGT
ARDA VAN PU1JENBROEK
REG TEN ZIJTHOFF

Inhoud (deel 1)
Drukkerij De Jong Historie en ontwikkeling
1906 - de beginjaren: Tjeerd de Jong 10
1100 jaar boekdrukkunst 10
1939 - Emiel de Jong 18
1968 - Joep de Jong 20
Stijn de Jong - de 4e generatie 20
De Orderbegeleider 23
Ondernemerschap in revolutionaire tijden 28
Het kantoor 32
Een late grafische roeping 32
Van 'beldames' tot digitalisering 34
Personeel en Organisatie 38
370 medewerkers op de uitklapper
Klanten en relaties over ‘hun’ drukker 41
Het technische bedrijf: drukvoorbereiding 52
De werkvoorbereider 52
Prepress. de weg naar digitalisering 53
De vormgever 56
Het technische bedrijf: de drukkerij 64
De drukkersveteraan 64
Hoofd productie 67
De rotatiedrukkerij 68
Van offset naar digitale revolutie 72
Flying imprint 76
De technische toekomst 78
Groeien en nog eens groeien 82
1918-1985: nieuwbouw en verbouw 82
Vanaf 1987: explosie aan de Visweg 89
Visuele rondgang anno 2006 92

Uitgeverij De Jong
Een flink weekblad (1906-1942) 118
De zegen voor Ons Weekblad (1945-1979) 141
Honderdduizend brievenbussen (1979-2006) 153
Correspondenten 179

Familie De Jong
Tjeerd keek dwars door je heen 190
Beeldende kunst verzameld voor bedrijf en thuis 214
De directeurswoning en een onverwachte
vorstelijke onderscheiding 221
Stamboom familie De Jong 223

Verantwoording (deel 2)
Het zal de lezer niet ontgaan zijn dat dit boek uitkomt ter gelegenheid van het eeuwfeest van onze Baarlese
Drukkerij Em. de Jong bv.
In september 2005 kwam bij Heemkundekring “Amalia van Solms“ de vraag op tafel of medewerking aan de tot-
standkoming van een jubileumboekboek mogelijk zou zijn. Als het met Baarle te maken heeft, zegt Amalia bijna
altijd: Ja. Binnen een paar dagen werd een werkbaar idee aan Joep de Jong gepresenteerd. Jos Jansen en Antoon
van Tuijl toonden zich bereid de ideeën uit te werken. Zij konden rekenen op alle vormen van ondersteuning van
vooral Ad Jacobs en Herman Janssen, voorzitter en bestuurslid van Amalia.
Bij het vormen van het idee voor dit boek kwam al snel vast te staan dat het geen geschiedenisboek zou worden.
Om goed geschiedenis te schrijven, moet uitvoerig onderzoek gedaan worden. Daarvoor ontbrak in dit geval de
tijd. Dus is vanaf het begin gekozen voor een sfeerboek en een kijkboek. Het gaat om bundels verhalen en reek-
sen foto’s, niet alleen over de jubilerende drukkerij, maar ook over Baarle in de voorbije eeuw.
De samenstellers waren benieuwd naar het jaar 1906. Wat was er toen gaande in de grote wereld, in België en
Nederland? Wat gebeurde er in Baarle? Jos Jansen tekent in ‘De toestand in de wereld rond 1906’ de sfeer en brengt
een aantal feiten bijeen.
In ‘100 jaar...’ neemt Antoon van Tuijl u driemaal mee voor een rondje Baarle. Aan de hand van heel veel foto's
- het betreft vaak zeer authentieke beelden – verkennen we 100 jaar landschap, 100 jaar landbouw en 100 jaar
bedrijvigheid in Baarle. Waarom deze thema’s? De keuze is eenvoudig. In 1906 was Baarle een kleine bewoonde
vlek met nog wat kleinere gehuchten en buurtschappen in een eindeloos platteland waar heide en woeste
gronden overheersten. Dat veranderde ingrijpend in de eeuw die volgde. We wandelen door 100 jaar landschap.
De bevolking was merendeels agrarisch werkzaam. De landbouw wijzigde eveneens drastisch. We bekijken de
oude landbouw en volgen in stappen een reeks van veranderingen. Opa de Jong begon in 1906 een bedrijfje
in Baarle. Hij werd collega van een stoet van ambachtslieden, neringdoenden, dienstverleners en fabrikanten
hier ter plaatse. Met velen van hen maken we kennis.
We besluiten onze verkenning van 100 jaar Baarle met een wandeling door het centrum en de buitengebieden.
Interessant om te zien dat veel van weleer verdwenen is, maar ook de moeite waard om vast te stellen, dat niet alle
sporen van 1906 zijn uitgewist.
Anna van der Burgt, Arda van Puijenbroek en Reg ten Zijthoff deden onderzoek naar de familie De Jong, de uit-
geverij en Ons Weekblad en naar de drukkerijhistorie. Een neerslag van hun studie treft u aan in ‘Druk In Baarle’.
Zoals gezegd heeft dit boek ‘Baarle In Druk', niet de pretentie de thema’s volledig te behandelen. Het doel was
immers een sfeerbeeld te scheppen om daarin de eeuweling zijn plaats te geven. Het zou mooi zijn als veel
Baarlenaren dit boek ter hand nemen en al lezend en kijkend zichzelf en elkaar regelmatig vragen stellen. Vragen
als: Was dat de enige klompenmaker? Waar stond die andere werkplaats? Er waren toch wel meer...? Zonder-
eigen had toch ook een...?
De Heemkundekring is zeer benieuwd naar uw vragen, opmerkingen en antwoorden.
Het was een waar genoegen gebruik te kunnen maken van het aanbod van Joep de Jong om alle technische
mogelijkheden van zijn bedrijf te benutten. Nog prettiger was het te ervaren met hoeveel bereidwilligheid en
vakbekwaamheid zijn medewerkers ons van dienst waren. Wij spreken hiervoor onze grote waardering uit.
Veel lees- en kijkplezier.
DE SAMENSTELLERS

Inhoud (deel 2)
De toestand in de wereld rond 1906
Inleiding 10
Hoe meer zielen..? 10
Eerlijk delen..? 10
Kennis is macht 12
De industriestad komt opzetten,
de sloppenwijk komt mee 12
Vrede met het geweer in de aanslag 13
Strijd tussen sociale klassen 13
Er is meer dan (wat) je denkt 14
Er is meer dan wat je ziet 14
Illusie of werkelijkheid? 16
Een droom die niet stuk lijkt te kunnen 17
1906, feiten op een rij 19

België en Nederland rond 1906
Inleiding 21
Land en volk 22
Dagelijks leven 23
Economie van België en Nederland 27
Cultuur in Nederland en België 30
Onderwijs 37
1906, feiten op een rij 40

Baarle in 1906
Gegevens over de beide Baarles 42
Activiteiten 47
Baarle en hel nieuws 55
Markante zaken 60

100 jaar landschap
Inleiding 70
De akkers 75
De beemden 80
De heide 88
De bossen 98

100 jaar landbouw
Inleiding 109
Vroeger 110
De akkers 112
De weiden en beemden 116
De heide 118
Verandering op verandering 120
En nu? 134

100 jaar bedrijvigheid
Inleiding 137
Brood op de plank 138
Van meel en molens 140
Ambachten 143
Kleinschalig ploeteren 153
Baarlese producten 169
Bij nacht en ontij 192
Komen en gaan 196

Wandelen door het Baarle van 1906
Wandelen door het Baarle van 1906 201

Drukkerij de Jong;  
 

19. Boeknummer: 00461  
HKI jubileumboek
Ondernemingen -- Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI)           (1946)    [ir. W. Loot, P. Beeftink, E. v. Gurp, W. Obbes, M. v. Fessem]
JUBILEUMBOEK H.K.I. VOOR HET PERSONEEL 1921-1946 19 JULI


VOORWOORD VAN DE REDACTIECOMMISSIE
EERST eenige weken na het ontvangen van haar opdracht, werd de redactiecommissie van dit boek zich volledig bewust, welk een zware, maar toch ook dankbare taak zij op zich genomen had.
Een moeilijke taak, want in het samenstellen van een boek had zij geen ervaring. Een moeilijke taak, want dit boek moest bovendien voor ieder van onze medearbeiders, in alle rangen,
een aantrekkelijk bezit vormen.
Een moeilijke taak, want het verzamelen en het rangschikken van alle gegevens gaf bergen werk, die slechts verzet konden worden dank zij veler gewaardeerde medewerking.
Een dankbare taak ook, want het gaf aan de commissie een unieke gelegenheid de belangwekkende ontwikkelingsgeschiedenis van onze onderneming nog eens intensief te doorleven.
Een dankbare taak, want welke andere commissie zag zich een arbeidsterrein toegewezen, waarvan het resultaat zoo bestendig is en opgedragen is aan iedere medearbeider afzonderlijk?
Hier is dan het resultaat.
Moge het voor de ouderen in dienstjaren een bron worden van prettige herinneringen. Moge het voor de jongeren onder ons een voorbeeld zijn van wat, door gemeenschappelijke, maar vooral
toegewijde arbeid, bereikbaar is.
Moge het voor allen een boek worden, dat telkens opnieuw met genoegen wordt ingezien. Eerst dan is onze taak vervuld.
Ir. W. H. LOOT
P. A. BEEFTINK
E. C. v. GURP
W. OBBES
M. v. FESSEM


TER INLEIDING
25 JAREN is een zeer korte spanne tijds in de geschiedenis van onze wereld, maar in een menschenleven en in het bestaan van een onderneming is het een lange termijn, een termijn
waarin heel wat tot stand gebracht kan worden en waarin zich heel wat wisselvalligheden kunnen afspelen. Het is dus alleszins te verantwoorden, dat wij bij het 25-jarig bestaan
onzer onderneming een oogenblik blijven stilstaan om ons rekenschap te geven van hetgeen in deze 25 jaren door haar, dat wil dus zeggen door allen, die er in werkzaam waren, tot stand
is gebracht. Indien wij dit doen is er zeker plaats voor dankbaarheid en voldoening.
Dankbaarheid omdat de H.K.I. de niet geringe moeilijkheden, die gedurende de eerste 25 jaar van haar bestaan op haar weg werden geplaatst en waarvan in het bijzonder de zware economische
crisis van 1929 en vooral de tweede wereldoorlog op den voorgrond treden, goed te boven is gekomen. Dankbaarheid ook in het bijzonder omdat haar fabriek en haar fabrieksinstallatie
voor oorlogsgeweld werden gespaard.
Voldoening omdat in die periode door gestadigen arbeid en goede samenwerking tusschen alle betrokkenen een resultaat bereikt werd dat alleszins bevredigend genoemd kan worden.
De kunstzijde-industrie is een jonge industrie en bevindt zich nog steeds in het stadium van snelle ontwikkeling.
Dit heeft tengevolge dat bij voortduring alle krachten, die er in werkzaam zijn, onder hoogspanning moeten werken om niet bij concurreerende ondernemingen ten achter te blijven.
Dit is met name het geval bij een onderneming als de onze, welke haar product voor een groot deel moet exporteeren. Dat Breda in dezen wedstrijd op het gebied van efficiency en prima
kwaliteit niet bij haar mededingers is ten achter gebleven, is een feit, dat ons na een kwart-eeuw van hard werken zeker voldoening schenken mag.
Al mogen wij onze onderneming nog tot de jonge rekenen en al draagt zij het karakter van dien, zoo heeft zij in de eerste kwart-eeuw van haar bestaan toch veel ervaring opgedaan en ik
ben er van overtuigd, dat op den jubileumdag als een van de kostbaarste daarvan naar voren zal komen, dat in al de kringen van hen die haar dienen, het besef leeft, dat alleen door
een oprechte samenwerking van alle betrokkenen de samengebundelde kracht gevonden kan worden, die noodig is om èn de belangen der onderneming èn de belangen van hen die er hun bestaan
in vinden, op de beste wijze te dienen.
Dr. F. H. FENTENER VAN VLISS1NGEN
Voorzitter van den Raad van Bestuur


TER VERANTWOORDING
AAN het opvatten van het plan tot het samenstellen van dit Gedenkboek en aan het volbrengen daarvan, liggen voornamelijk ideëele gedachten ten grondslag, gedachten, die de vrees zullen
hebben doen wijken, bij het schrijven van een stukje geschiedenis van een 25-jarig samenwerken, de grenzen der bescheidenheid te overschrijden.
Mocht hier of daar daartegen toch worden gezondigd, dan mag dit verontschuldigd worden met een beroep op het verheven doel, hetwelk voor oogen heeft gestaan en dat in deze gedachten is neergelegd.
Deze gedachten zijn er van vreugde en dankbaarheid en van het verlangen een voorbeeld op schrift te stellen van liefde, ijver en toewijding van de werkers van het verleden en het heden,
bestemd voor al degenen, die in de komende 25 jaren den arbeid zullen voortzetten.
Onze dankbaarheid gaat in de eerste plaats naar God, die ons pogen heeft gezegend, naar onze medewerkers, die gevallen zijn op het veld van eer in den arbeid voor onze onderneming en
naar allen, die in welke mate dan ook, eenig aandeel hebben gehad in de oprichting en instandhouding der fabriek.
Onze vreugde vereenigt zich met die van al onze medewerkers en wij allen juichen heden over de vrucht van onzen arbeid als loon voor plichtsbetrachting, ijver en volharding.
Onze vreugde is des te grooter en de reden voor ons juichen des te belangrijker, nu die vrucht niet alleen van beteekenis is geworden voor één individu of enkele individuen,
maar integendeel een vrucht van algemeen sociaal en economisch belang, een vrucht voor een geheele arbeidsgemeenschap.
En kunnen, die na ons komen, een betere les voor de toekomst ontvangen dan die, welke neergeschreven is in de historie van een 25-jarigen gestagen arbeid, met alle laagte- en hoogtepunten
van een nu eenmaal zoo moeilijk en zorgvol fabrieksleven?
Ziet daar de oorsprong en de reden van dit Gedenkboek. Ziet daar, waarom de viering van dit jubileum zoodanig moet zijn, dat van deze gedachten niets zou verloren gaan door uiterlijk vertoon.
Dat deze geschiedenis vruchtbaar moge zijn voor onze opvolgers.
Dat wij eendrachtig naar binnen en naar buiten het nieuwe tijdperk van werkzaamheid ingaan, om onder Gods voortdurende zegeningen steeds meer tot stand te brengen in het belang van onze
huisgezinnen, welk belang direct verband houdt met het belang der Maatschappij.
Dat wij ons wel mogen bezinnen bij den aanvang van een nieuwe 25-jarige periode, op onze verantwoordelijkheid ten aanzien van een behoorlijke leiding onzer onderneming, gericht, niet alleen
op een betere voorziening van al onze medewerkers, maar ook en vooral op een nieuwe en beter ingerichte Maatschappij.
CH. STULEMEIJER
Gedelegeerd Lid van den Raad van Bestuur.
Voorz. van den Centralen Ondernemingsraad.

Raad van Bestuur HKI;  
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 24 april 2022