HEEMKUNDEKRING
OP DE BEEK
PRINSENBEEK

Beeldbank Bibliotheek

   
 

Heemkundekring 'Op de Beek' Beeldbank Bibliotheek Zoekresultaat

Aantal gevonden publicaties : 6   (uit: 485)


Uitgebreid zoeken

Klik op publicatie voor vergroting en meer informatie

1. Boeknummer: 00007  
Inventarisatie en waardestelling cultuurhistorische objecten
Natuur -- Waterstaat           (onbekend)    [J. Ruurd Leegstra]

Inventarisatie en waardestelling cultuurhistorische objecten eigendom van het Waterschap Brabantse Delta

INHOUDSOPGAVE
A. 1. Aanleiding bldz. 3
1. Inleiding bldz. 4
1.1 Inleiding
1.2 Opdracht/doel

2. Werkwijze bldz. 5
2.1 Inventarisatie
2.2 Onderzoek

        2.2.1. Veldwerk
        2.2.2. Beschrijving
        2.2.3. Waardering
2.3 Advies
2.4 Kosten grootonderhoud

3. Rijksmonumenten bldz. 7
3.1 Voorwaarden
3.2 Subsidie

4. Achtergrond waterschappen bldz. 9
5. Beslisdiagram bldz. 10
6. Literatuurlijst bldz. 11
7. Lijst van alle onderzochte waterhuishoudkundige objecten bldz. 12
8. Inventarisatieformulieren waterhuishoudkundige objecten eigendom waterschap Brabantse Delta bldz. 14


Separate bijlage 1:                Inventarisatieformulieren waterhuishoudkundige objecten niet in eigendom waterschap Brabantse Delta
Separate bijlage 2:                Database alle cultuurhistorische objecten
Separate bijlage 3:                Kosten groot-onderhoud/vervanging & nulmetingen cultuurhistorische objecten eigendom waterschap Brabantse Delta - Jan Coertjens
Separate bijlage 4:                DVD met opnames van de objecten
Separate bijlage 5:                Info RDMZ: Financiële steun voor rijksmonumenten


Aanleiding
Vanuit de reconstructiegedachte is door de dijkgraaf van het waterschap Brabantse Delta, de heer J.Vos opdracht gegeven om al het cultuurhistorisch watererfgoed in het beheersgebied van het
waterschap in kaart te brengen. Daarvoor is basismateriaal aangeleverd door de diverse Historische Verenigingen en Heemkundekringen aangevuld met eigen materiaal van het waterschap, informatie
van de drie districtshoofden uit de regio’s Oost, West en Midden en andere medewerkers.
Na het verkrijgen van de gegevens is direkt gestart met het veldwerkonderzoek. Na een eerste selectie van ruim 97 objecten bleven er in totaal 60 objecten over, waaronder bijzonder fraaie,
zoals de 3 stuwen met toldeur in de Zoom, maar ook objecten in een slechte toestand, zoals de gedempte schutsluis te Bovensas en de Keeneluis te Standdaarbuiten.
Het veldwerk leverde daarnaast ook een aantal objecten op, die niet als zodanig stonden geregistreerd, maar getraceerd werden tijdens het veldwerk, zoals een duiker onder de Veerweg in de
Overdiepsche Polder.
Het vervolgonderzoek leert dat 30 objecten eigendom zijn van het waterschap, die tevens het beheer en het onderhoud daarvan voor haar rekening neemt en 30 objecten eigendom zijn van derden, onder
andere gemeenten, Staatsbosbeheer, Staat Financiën en Domeinen, Rijkswaterstaat en particulieren, waarbij op dit moment niet helemaal duidelijk is of zij ook het beheer voeren en/of (goed) onderhoud
plegen. Zo is bijvoorbeeld de authentieke windmolen te Prinsenbeek in eigendom bij de gemeente Breda, maar in onderhoud bij het waterschap en wordt de brug Hoge Vaart (1898) in eigendom van de
gemeente Waalwijk, door het waterschap in de nabije toekomst gerestaureerd, (info per 07-11-2006).
Door de inventarisatie doet zich de mogelijkheid voor om op gelijke wijze en in samenwerking met derden objecten te restaureren aan bijvoorbeeld de Frouwkensvaartseweg en de Wendelnesseweg,
evenals de vele duikersluizen van en onder de Waspikse dijk.


klik op de pijlpunt links voor de volledige aanleiding
Het is nog een vraag, omdat de exacte gegevens ontbreken, wie van de overige objecten precies het beheer voert en/of het onderhoud pleegt. In de loop der tijd zijn de objecten - in principe- allemaal
eigendom geweest van het waterschap of van de vele voormalige waterschapen, maar vanwege een veranderende functie of functieloos geworden verwisselde het object van eigenaar.
Dit betreft vooral het grote aantal bijzondere duikersluizen, zoals de monumentale Koekoeksluis te Drimmelen, nu particulier bezit, waarvan onduidelijk is wie het beheert voert en/of het onderhoud
pleegt of wil plegen.
Vanwege het verschil in eigenaar, beheer en onderhoud is daarom gekozen voor een tweeledige opzet in de uitvoering van het onderzoek.
Een eerste inventarisatie en waardestelling betreft objecten in eigendom van het waterschap, met daaraan gekoppeld een onderhouds-/restauratieprogramma en een tweede inventarisatie en waardestelling
van objecten niet in eigendom van het waterschap, zonder onderhoudsprogramma. Van beiden is een database en een fotorapportage opgesteld. Het verdient aanbeveling om de exacte eigenaar van de ob-
jecten niet in eigendom op te sporen en tevens wie het beheer voert en/of het onderhoud pleegt.



Inleiding
1.1 Inleiding
De problematiek van op een verantwoorde wijze omgaan met cultuurhistorisch erfgoed is de laatste jaren bijzonder actueel. Landelijk gezien worden op grote schaal door waterschappen, provincies en
gemeenten inventarisaties en waarderingen uitgevoerd van bijvoorbeeld aan water gerelateerde objecten. In de waardering van erfgoed speelt selectie een belangrijke rol. Wat is dusdanig waardevol
dat behoud wenselijk is en wat zou eventueel vernieuwd moeten worden.
Zie hierover bijvoorbeeld de watererfgoed@tlas, uitgebracht door Het Oversticht in Zwolle in nauwe samenwerking met het Drents Plateau te Assen.
Deze vragen leven ook bij het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap bezit een groot aantal waterstaatkundige en bouwkundige objecten en structuren, verspreid over het westelijk deel van de
provincie N.Brabant. Bijzondere en soms unieke objecten, die van groot belang waren (of nog zijn) voor de beheersing van de waterhuishouding, maar ook voor de geschiedenis van de streek, het
landschap en die een ontwikkeling in de civiele techniek laten zien.
Vanuit de cultuurhistorie vertelt elk object zijn eigen verhaal over bijvoorbeeld de afwatering van een gebied of juist niet, de bedijking van een gebied, de inpoldering, de turfwinning, het transport daarvan.
Het waterschap Brabantse Delta wenste inzicht te verkrijgen in de cultuurhistorische waarde van de kunstwerken en installaties, die in hun bezit zijn, zoals duikers, heulen, gemalen, dijkcoupures, wind-
molens en schutsluizen.

klik op de pijlpunt links voor de volledige inleiding
Hiervoor heeft het waterschap in de persoon van de heer Paul van Geelen (Concernstaf) de heer J.Ruurd Leegstra verzocht een inventarisatie, beschrijving & waardestelling te maken van hun
watererfgoed. De heer Leegstra heeft als architectuur-, cultuurhistoricus & restaurateur ruime ervaring opgedaan op genoemd terrein voor de waterschappen Hunze en Aa’s, Noorderzijlvest,
Velt en Vecht en Reest en Wieden in samenwerking met medewerkers van de monumentenhuizen:
Libau te Groningen en Stichting Drents Plateau te Assen, aangevuld met de expertise van de monumentenwachten en de civiele technici van de waterschappen.
De methodes van onderzoek zijn na goedkeuring van de directies eveneens beschikbaar gesteld voor het waterschap De Brabantse Delta,

1.2 Opdracht/doel
Het doel van dit project is het verkrijgen van een overzicht van cultuurhistorische objecten met daaraan gekoppeld een, op basis van cultuurhistorisch verantwoorde criteria, prioriteitsstelling op
grond waarvan ingezet kan worden op behoud, ontwikkeling of functioneel beheer en onderhoud, inclusief een financiële paragraaf met een globale berekening van de kosten, die gemoeid zijn met het
behoud en de instandhouding van deze objecten. Het kan verder een basis bieden voor het vaststellen van een eigen cultuurhistorisch beleidskader. Zie daarover meer het beslisdiagram, ontwikkeld door
het waterschap Hunze en Aa’s (de heer G.Sterk) en tevens beschikbaar gesteld voor het waterschap Brabantse Delta, (blz. 10)


Brabantse Delta;  
 

2. Boeknummer: 00049  
Inventaris van het archief van de gemeente Prinsenbeek 1942-1962
Historie -- Archieven (o.a. Gemeente Prinsenbeek)           (1996)    [A.A.A. van Peer]
Inventaris van het archief van de gemeente Prinsenbeek 1942-1962
Uitgave: Gemeente Prinsenbeek
Prinsenbeek 1996 (met aanvulling 1998)

A. Inleiding.

A.l Algemeen.
In het kader van de opleiding Voortgezette Vorming Archiefbeheer (V.V.A.) heeft de samensteller van deze archiefinventaris gedurende de periode
september 1993/september 1994 een onderzoek en inventarisatie gedaan van het archief van de gemeente Prinsenbeek over de periode 1942-1962.
Het archief van de. gemeente Prinsenbeek vangt aan op 1 januari 1942, zodoende betreft het hier de eerste archiefinventaris van het gemeente-
lijk archief.
De periode 1942-1962, van de archivalia beschreven in deze inventaris, werd gekenmerkt door herstel en opbouw na de oorlogsjaren.
Prinsenbeek is een duidelijk voorbeeld van een typische plattelandsgemeente in de Baronie van Breda, die in de jaren zestig en zeventig snel
uitgroeide tot een forensengemeente van formaat.
De gemeente telde op 1 januari 1942 3.688 inwoners, op 31 december 1962 was het aantal inwoners gegroeid tot 5.073
Onderstaand treft u in het kort de geschiedenis van het gemeentelijk orgaan aan. Er is een zeer globale beschrijving gemaakt van de voornaam-
ste ontwikkelingen in de voornoemde periode, die op generlei wijze pretendeert volledig te zijn.
Voor een uitgebreide beschrijving betreffende de geschiedenis van de gemeente in z'n algemeenheid wordt verwezen naar hoofdstuk C. van de
inhoudsopgave: Lijst van geraadpleegde bronnen, personen en dankwoord.

A.2 Ontstaan van de gemeente.
De gemeente Prinsenbeek- is ontstaan door opheffing van de gemeente Princenhage met ingang van 1 januari 1942.
Aan deze opheffing zijn heel wat jaren van strijd vooraf gegaan tussen de gemeente Breda en haar buurgemeenten. Nadat Breda in 1863 haar status van
vestingstad kwijt was, ondernam zij meteen een eerste poging tot vergroting van haar grondgebied. Deze poging mislukte echter, evenals de
pogingen van 1899 en 1921.
In 1927 behaalde het Bredase stadsbestuur zijn eerste succes. Op 1 mei van dat jaar werd de Wet tot uitbreiding van de gemeente Breda met
gedeelten van de gemeenten Teteringen, Ginneken en Bavel en Princenhage van kracht.
In de periode 1937/1941 passeerden verschillende plannen en opties de revue, sommige zeer vergaand van opzet. Door steeds weer fel protest van
de Bredase buurgemeenten kon men de boot steeds weer afhouden.
klik op de pijlpunt links voor de volledige inleiding

In juli 1941 kwam er echter een gematigder plan ter tafel.
Voor de gemeente Princenhage hield dit in dat het zuidelijk gedeelte van haar grondgebied bij de gemeente Breda zou worden gevoegd en dat het
resterende noordelijk gedeelte een zelfstandige gemeente zou gaan vormen.
Bij beschikking van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken, mr. dr. K. J. Frederiks, van 23 december 1941, nummer
42483 B.B. (Bureau Staats- en Administratief Recht) werd/definitief besloten tot wijziging van de grenzen van de gemeenten Breda en Teterin-
gen, opheffing van de gemeenten Princenhage en Ginneken c.a. en vorming van de nieuwe gemeente Beek Noord-Brabant en Nieuw-Ginneken.
De naam van de nieuwe gemeente was Beek Noord-Brabant omdat Beek het enige kerkdorp binnen de (op te heffen), gemeente Princenhage was, dat lag
in het noordelijk gedeelte dat zelfstandig zou blijven. De toevoeging Noord-Brabant aan de naam van de nieuwe gemeente gaf al
aan, dat men duidelijk onderscheid wilde maken tussen andere plaatsen in Nederland die met Beek werden aangeduid (o.a. in Gelderland en Limburg).
Toch veroorzaakte de naam herhaaldelijk verwarring en kwam post op het verkeerde adres aan. Met ingang van 1951 werd dan ook besloten de naam
van de gemeente te veranderen in Prinsenbeek.
Deze naam herinnert aan het feit dat het dorp Beek eeuwenlang behoorde tot de gemeente Princenhage, die een heerlijkheid was van de prinsen van
Oranje.


A.3 Bestuur.
Burgemeester.
In de periode 1942-1962 heeft de gemeente Prinsenbeek twee burgemeesters gekend. De eerste burgemeester was Jacobus Sterkens, voorheen gemeente-
secretaris van de gemeente Princenhage.
Door zijn, passieve houding ten opzichte van de Duitse bezettingsautoriteiten werd aan hem op 9 januari 1946 met onmiddellijke ingang eervol
ontslag verleend. Burgemeester Sterkens diende een bezwaarschrift in en na een langdurige procedure trok de minister van Binnenlandse Zaken in
1952 de ontslagbeschikking in en kende aan burgemeester Sterkens met ingang van 1 januari 1948 een wachtgeld toe.
Zijn officiële ambtstermijn als burgemeester eindigde namelijk met ingang van 1 januari 1948.
Doordat aan burgemeester Sterkens ontslag was verleend, benoemde de waarnemend Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Brabant, een
waarnemend burgemeester en wel de heer P.J.A. Baetens.
Bij Koninklijk Besluit van 14 april 1947, nummer 1, werd de heer Baetens, met ingang van l mei 1947 officieel benoemd tot burgemeester.
Bijzonder aan deze geschiedenis is dat de gemeente Prinsenbeek in de periode 12 juni 1945 - 1 januari 1948 achteraf officieel twee burgemees-
ters had.
Omdat er niet daadwerkelijk twee burgemeesters in functie waren, heeft dit voor de archiefvorming geen gevolgen gehad.

College van burgemeester en wethouders en gemeenteraad.
Bij het instellen van de gemeente Beek Noord-Brabant in 1942 ging Nederland gebukt onder een zwaar Duits bezettingsregiem. Omdat bovendien op 5
juli 1941 in het Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, verordening 120 was afgekondigd, waarin rijkscommissaris Seyss-Inquart de
parlementaire partijen ontbond, werd in één klap de -democratische basis van onder andere het lokale bestuur weggenomen. Voor de nieuwe gemeente
betekende dit, dat zij de eerste jaren van haar bestaan geen 'volwaardig' bestuur kende.
Tijdens de oorlogsjaren vertegenwoordigde burgemeester J. Sterkens het gemeentebestuur. Om zijn taak enigszins te verlichten verzocht hij de
Commissaris der provincie toestemming tot het benoemen van een wethouder.
Na verkregen toestemming benoemde burgemeester Sterkens bij zijn besluit van 27 maart 1942 de heer J. Bastiaansen tot wethouder.
Pas op 31 juli 1945 kwam er voor de eerste keer een voorlopige gemeenteraad bij elkaar.
Deze raad was samengesteld op grond van het Besluit tijdelijke voorziening Gemeenteraden en zij moest een afspiegeling zijn van de voornaamste
geestelijke en maatschappelijke stromingen binnen de gemeente.
De te benoemen raadsleden moesten bovendien vrij zijn van oorlogssmetten.
Plaatselijke kiescolleges moesten aan de burgemeester kandidaten- voordragen. Deze kiescolleges werden benoemd door de commissaris van de koningin
op aanbeveling van de burgemeester, die daarbij geholpen werd door enkele vertrouwensmannen. Op 23 juni 1945 werd het Beekse kiescollege, dat uit
33 personen bestond benoemd.
Op 9 juli 1945 stelde het kiescollege een kandidatenlijst van 16 personen samen en benoemde waarnemend burgemeester Baetens elf personen tot lid
van de voorlopige raad. Als eerste naoorlogse wethouders werden aangewezen de heren J. van Baal en J.C. Biemans.
Op 26 juli 1946 vonden er weer normale raadsverkiezingen plaats, waarmee de democratie weer in ere werd hersteld.

Onderstaand volgt een chronologisch overzicht, van de samenstelling van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in de
periode 1942-1962.

College van burgemeester en wethouders:
Wethouders:
1942: J. Bastiaansen;
1945: J. van Baal en J.C. Biemans;
1946: J. van Baal en J.C. Biemans;
1949: J. van Baal en J.C. Biemans:
1953: J. van Baal en M.L. van Rosmeulen;
1958: M.L. van Rosmeulen en M.C. van der Westen
1962: A.J. Dikmans en M.C. van der Westen.

N.B.: In de periode 1942-1945 fungeerde burgemeester J. Sterkens als voorzitter van het college van burgemeester en wethouders en vanaf
1946 burgemeester P.J.A. Baetens

Gemeenteraad:
1946; J.A. Aarts, J. van Baal, J. van Baal, J.C. Biemans, P. de Graaf, M.J. Hennekam, J.J. Huijben, W.M. Maas, H. Smits, W. Pellis en
A.A. van der Veeken;
1946: J.A. Aarts, J. van Baal, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, W.M. Maas, W. Pellis, A. Romme, A.A. van der Veeken
en P. de Vooght;
1949: J.A. Aarts, J. van Baal, W. Baremans, J. Bastiaansen, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, A. Romme,
M.L. van Rosmeulen en H. Weterings;
1953: J.A. Aarts, J. van Baal, W. Baremans, J. Bastiaansen, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, M.L. van Rosmeulen,
G.L. Smits en M.C. van der Westen;
1958: J.A. Aarts, W. Baremans, P. Biemans, A.J. Dikmans, J,J. Huijben, A.J.C. Hurks, J.R.A. Jansen, H.J.P. Lotstra, M.L. van Rosmeulen,
P. de Vooght en M.C. van der Westen;
1962: J.A. Aarts, C.W. Biemans, P. Biemans, J.P. Boot, A.J. Dikmans, P. Farla, J.J.Huijben, A.J.C. Hurks, J.R.A. Jansen, J.A. Lockx en
M.C. van der Westen.


A.4 Ambtenarenkorps.
De gemeente-secretarie van de gemeente Prinsenbeek was in de periode 1942-1962, zoals bij zoveel kleine plattelandsgemeenten in die tijd,
klein van opzet.
Bij het ontstaan van de gemeente in 1942, werkten er op het gemeentehuis slechts een vijftal ambtenaren in de binnendienst (inclusief secretaris)
en 4 in de buitendienst.
Gedurende lange tijd kwam hierin maar weinig verandering, want in 1952 was er alleen bij de buitendienst een tweetal ambtenaren bijgekomen.
Het aantal ambtenaren zowel in de binnen- als buitendienst nam toe tot een tiental personen in 1962.
De gemeente-secretarie kende geen afdelingsvorming. Iedere ambtenaar had zijn/haar eigen taakgebied onder directe verantwoordelijkheid van de
gemeente-secretaris.
Aan het hoofd van het ambtenarenkorps stonden in de periode 1942-1962 achtereenvolgens J. Sterkens (tevens burgemeester), P.J.A. Baetens
(tevens burgemeester), H.A. Huijbrechts en P.P.A. van Hal.


A.5 Gemeentehuis.
De gemeente Prinsenbeek verkeerde van 1942 tot 1969 in de merkwaardige situatie, dat het gemeentehuis buiten de gemeentegrenzen stond. Het oude
raadhuis van de opgeheven gemeente Princenhage werd immers in 1942 in gebruik genomen als gemeentehuis voor de nieuw gevormde gemeente Beek
Noord-Brabant. Het was de bedoeling spoedig te verhuizen naar het eigen grondgebied. Door de oorlogsomstandigheden en later de wederopbouwproble-
matiek kwam daarin echter niet zo snel verandering. Later werden er wel plannen gemaakt, maar tot daadwerkelijke uitvoering is het telkens niet
gekomen.
Aan deze bezwaarlijke situatie kwam pas een definitief einde toen de oude pastorie aan de Markt te Prinsenbeek werd aangekocht en in 1969 in
gebruik werd genomen als gemeentehuis.
Omdat de afstand Prinsenbeek/Princenhage voor veel inwoners te ver was, besloot men wel in 1960 een dependance voor Openbare Werken en Bouw- en
Woningtoezicht te openen in een pand gelegen aan het Kruispad 11. Deze dependance zou in gebruik blijven tot 7 september 1963, toen er een
hulpsecretarie werd geopend in het woonhuis van een voormalige boerderij gelegen aan de Groenstraat 59. De inwoners konden toen eindelijk, al was
het dan beperkt, in hun eigen woonplaats terecht voor gemeentezaken.



Gemeente Breda;  
 

3. Boeknummer: 00050  
Inventaris van het archief van de gemeente Prinsenbeek 1942-1962
Historie -- Archieven (o.a. Gemeente Prinsenbeek)           (1996)    [A.A.A. van Peer]
Inventaris van het archief van de gemeente Prinsenbeek 1942-1962
Uitgave: Gemeente Prinsenbeek
Prinsenbeek 1996 (met aanvulling 1998)

A. Inleiding.

A.l Algemeen.
In het kader van de opleiding Voortgezette Vorming Archiefbeheer (V.V.A.) heeft de samensteller van deze archiefinventaris gedurende de periode
september 1993/september 1994 een onderzoek en inventarisatie gedaan van het archief van de gemeente Prinsenbeek over de periode 1942-1962.
Het archief van de. gemeente Prinsenbeek vangt aan op 1 januari 1942, zodoende betreft het hier de eerste archiefinventaris van het gemeente-
lijk archief.
De periode 1942-1962, van de archivalia beschreven in deze inventaris, werd gekenmerkt door herstel en opbouw na de oorlogsjaren.
Prinsenbeek is een duidelijk voorbeeld van een typische plattelandsgemeente in de Baronie van Breda, die in de jaren zestig en zeventig snel
uitgroeide tot een forensengemeente van formaat.
De gemeente telde op 1 januari 1942 3.688 inwoners, op 31 december 1962 was het aantal inwoners gegroeid tot 5.073
Onderstaand treft u in het kort de geschiedenis van het gemeentelijk orgaan aan. Er is een zeer globale beschrijving gemaakt van de voornaam-
ste ontwikkelingen in de voornoemde periode, die op generlei wijze pretendeert volledig te zijn.
Voor een uitgebreide beschrijving betreffende de geschiedenis van de gemeente in z'n algemeenheid wordt verwezen naar hoofdstuk C. van de
inhoudsopgave: Lijst van geraadpleegde bronnen, personen en dankwoord.

A.2 Ontstaan van de gemeente.
De gemeente Prinsenbeek- is ontstaan door opheffing van de gemeente Princenhage met ingang van 1 januari 1942.
Aan deze opheffing zijn heel wat jaren van strijd vooraf gegaan tussen de gemeente Breda en haar buurgemeenten. Nadat Breda in 1863 haar status van
vestingstad kwijt was, ondernam zij meteen een eerste poging tot vergroting van haar grondgebied. Deze poging mislukte echter, evenals de
pogingen van 1899 en 1921.
In 1927 behaalde het Bredase stadsbestuur zijn eerste succes. Op 1 mei van dat jaar werd de Wet tot uitbreiding van de gemeente Breda met
gedeelten van de gemeenten Teteringen, Ginneken en Bavel en Princenhage van kracht.
In de periode 1937/1941 passeerden verschillende plannen en opties de revue, sommige zeer vergaand van opzet. Door steeds weer fel protest van
de Bredase buurgemeenten kon men de boot steeds weer afhouden.

klik op de pijlpunt links voor de volledige inleiding


In juli 1941 kwam er echter een gematigder plan ter tafel.
Voor de gemeente Princenhage hield dit in dat het zuidelijk gedeelte van haar grondgebied bij de gemeente Breda zou worden gevoegd en dat het
resterende noordelijk gedeelte een zelfstandige gemeente zou gaan vormen.
Bij beschikking van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken, mr. dr. K. J. Frederiks, van 23 december 1941, nummer
42483 B.B. (Bureau Staats- en Administratief Recht) werd/definitief besloten tot wijziging van de grenzen van de gemeenten Breda en Teterin-
gen, opheffing van de gemeenten Princenhage en Ginneken c.a. en vorming van de nieuwe gemeente Beek Noord-Brabant en Nieuw-Ginneken.
De naam van de nieuwe gemeente was Beek Noord-Brabant omdat Beek het enige kerkdorp binnen de (op te heffen), gemeente Princenhage was, dat lag
in het noordelijk gedeelte dat zelfstandig zou blijven. De toevoeging Noord-Brabant aan de naam van de nieuwe gemeente gaf al
aan, dat men duidelijk onderscheid wilde maken tussen andere plaatsen in Nederland die met Beek werden aangeduid (o.a. in Gelderland en Limburg).
Toch veroorzaakte de naam herhaaldelijk verwarring en kwam post op het verkeerde adres aan. Met ingang van 1951 werd dan ook besloten de naam
van de gemeente te veranderen in Prinsenbeek.
Deze naam herinnert aan het feit dat het dorp Beek eeuwenlang behoorde tot de gemeente Princenhage, die een heerlijkheid was van de prinsen van
Oranje.


A.3 Bestuur.
Burgemeester.
In de periode 1942-1962 heeft de gemeente Prinsenbeek twee burgemeesters gekend. De eerste burgemeester was Jacobus Sterkens, voorheen gemeente-
secretaris van de gemeente Princenhage.
Door zijn, passieve houding ten opzichte van de Duitse bezettingsautoriteiten werd aan hem op 9 januari 1946 met onmiddellijke ingang eervol
ontslag verleend. Burgemeester Sterkens diende een bezwaarschrift in en na een langdurige procedure trok de minister van Binnenlandse Zaken in
1952 de ontslagbeschikking in en kende aan burgemeester Sterkens met ingang van 1 januari 1948 een wachtgeld toe.
Zijn officiële ambtstermijn als burgemeester eindigde namelijk met ingang van 1 januari 1948.
Doordat aan burgemeester Sterkens ontslag was verleend, benoemde de waarnemend Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Brabant, een
waarnemend burgemeester en wel de heer P.J.A. Baetens.
Bij Koninklijk Besluit van 14 april 1947, nummer 1, werd de heer Baetens, met ingang van l mei 1947 officieel benoemd tot burgemeester.
Bijzonder aan deze geschiedenis is dat de gemeente Prinsenbeek in de periode 12 juni 1945 - 1 januari 1948 achteraf officieel twee burgemees-
ters had.
Omdat er niet daadwerkelijk twee burgemeesters in functie waren, heeft dit voor de archiefvorming geen gevolgen gehad.

College van burgemeester en wethouders en gemeenteraad.
Bij het instellen van de gemeente Beek Noord-Brabant in 1942 ging Nederland gebukt onder een zwaar Duits bezettingsregiem. Omdat bovendien op 5
juli 1941 in het Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, verordening 120 was afgekondigd, waarin rijkscommissaris Seyss-Inquart de
parlementaire partijen ontbond, werd in één klap de -democratische basis van onder andere het lokale bestuur weggenomen. Voor de nieuwe gemeente
betekende dit, dat zij de eerste jaren van haar bestaan geen 'volwaardig' bestuur kende.
Tijdens de oorlogsjaren vertegenwoordigde burgemeester J. Sterkens het gemeentebestuur. Om zijn taak enigszins te verlichten verzocht hij de
Commissaris der provincie toestemming tot het benoemen van een wethouder.
Na verkregen toestemming benoemde burgemeester Sterkens bij zijn besluit van 27 maart 1942 de heer J. Bastiaansen tot wethouder.
Pas op 31 juli 1945 kwam er voor de eerste keer een voorlopige gemeenteraad bij elkaar.
Deze raad was samengesteld op grond van het Besluit tijdelijke voorziening Gemeenteraden en zij moest een afspiegeling zijn van de voornaamste
geestelijke en maatschappelijke stromingen binnen de gemeente.
De te benoemen raadsleden moesten bovendien vrij zijn van oorlogssmetten.
Plaatselijke kiescolleges moesten aan de burgemeester kandidaten- voordragen. Deze kiescolleges werden benoemd door de commissaris van de koningin
op aanbeveling van de burgemeester, die daarbij geholpen werd door enkele vertrouwensmannen. Op 23 juni 1945 werd het Beekse kiescollege, dat uit
33 personen bestond benoemd.
Op 9 juli 1945 stelde het kiescollege een kandidatenlijst van 16 personen samen en benoemde waarnemend burgemeester Baetens elf personen tot lid
van de voorlopige raad. Als eerste naoorlogse wethouders werden aangewezen de heren J. van Baal en J.C. Biemans.
Op 26 juli 1946 vonden er weer normale raadsverkiezingen plaats, waarmee de democratie weer in ere werd hersteld.

Onderstaand volgt een chronologisch overzicht, van de samenstelling van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in de
periode 1942-1962.

College van burgemeester en wethouders:
Wethouders:
1942: J. Bastiaansen;
1945: J. van Baal en J.C. Biemans;
1946: J. van Baal en J.C. Biemans;
1949: J. van Baal en J.C. Biemans:
1953: J. van Baal en M.L. van Rosmeulen;
1958: M.L. van Rosmeulen en M.C. van der Westen
1962: A.J. Dikmans en M.C. van der Westen.

N.B.: In de periode 1942-1945 fungeerde burgemeester J. Sterkens als voorzitter van het college van burgemeester en wethouders en vanaf
1946 burgemeester P.J.A. Baetens

Gemeenteraad:
1946; J.A. Aarts, J. van Baal, J. van Baal, J.C. Biemans, P. de Graaf, M.J. Hennekam, J.J. Huijben, W.M. Maas, H. Smits, W. Pellis en
A.A. van der Veeken;
1946: J.A. Aarts, J. van Baal, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, W.M. Maas, W. Pellis, A. Romme, A.A. van der Veeken
en P. de Vooght;
1949: J.A. Aarts, J. van Baal, W. Baremans, J. Bastiaansen, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, A. Romme,
M.L. van Rosmeulen en H. Weterings;
1953: J.A. Aarts, J. van Baal, W. Baremans, J. Bastiaansen, J.C. Biemans, A.J. Dikmans, J.J. Huijben, A.J.C. Hurks, M.L. van Rosmeulen,
G.L. Smits en M.C. van der Westen;
1958: J.A. Aarts, W. Baremans, P. Biemans, A.J. Dikmans, J,J. Huijben, A.J.C. Hurks, J.R.A. Jansen, H.J.P. Lotstra, M.L. van Rosmeulen,
P. de Vooght en M.C. van der Westen;
1962: J.A. Aarts, C.W. Biemans, P. Biemans, J.P. Boot, A.J. Dikmans, P. Farla, J.J.Huijben, A.J.C. Hurks, J.R.A. Jansen, J.A. Lockx en
M.C. van der Westen.


A.4 Ambtenarenkorps.
De gemeente-secretarie van de gemeente Prinsenbeek was in de periode 1942-1962, zoals bij zoveel kleine plattelandsgemeenten in die tijd,
klein van opzet.
Bij het ontstaan van de gemeente in 1942, werkten er op het gemeentehuis slechts een vijftal ambtenaren in de binnendienst (inclusief secretaris)
en 4 in de buitendienst.
Gedurende lange tijd kwam hierin maar weinig verandering, want in 1952 was er alleen bij de buitendienst een tweetal ambtenaren bijgekomen.
Het aantal ambtenaren zowel in de binnen- als buitendienst nam toe tot een tiental personen in 1962.
De gemeente-secretarie kende geen afdelingsvorming. Iedere ambtenaar had zijn/haar eigen taakgebied onder directe verantwoordelijkheid van de
gemeente-secretaris.
Aan het hoofd van het ambtenarenkorps stonden in de periode 1942-1962 achtereenvolgens J. Sterkens (tevens burgemeester), P.J.A. Baetens
(tevens burgemeester), H.A. Huijbrechts en P.P.A. van Hal.


A.5 Gemeentehuis.
De gemeente Prinsenbeek verkeerde van 1942 tot 1969 in de merkwaardige situatie, dat het gemeentehuis buiten de gemeentegrenzen stond. Het oude
raadhuis van de opgeheven gemeente Princenhage werd immers in 1942 in gebruik genomen als gemeentehuis voor de nieuw gevormde gemeente Beek
Noord-Brabant. Het was de bedoeling spoedig te verhuizen naar het eigen grondgebied. Door de oorlogsomstandigheden en later de wederopbouwproble-
matiek kwam daarin echter niet zo snel verandering. Later werden er wel plannen gemaakt, maar tot daadwerkelijke uitvoering is het telkens niet
gekomen.
Aan deze bezwaarlijke situatie kwam pas een definitief einde toen de oude pastorie aan de Markt te Prinsenbeek werd aangekocht en in 1969 in
gebruik werd genomen als gemeentehuis.
Omdat de afstand Prinsenbeek/Princenhage voor veel inwoners te ver was, besloot men wel in 1960 een dependance voor Openbare Werken en Bouw- en
Woningtoezicht te openen in een pand gelegen aan het Kruispad 11. Deze dependance zou in gebruik blijven tot 7 september 1963, toen er een
hulpsecretarie werd geopend in het woonhuis van een voormalige boerderij gelegen aan de Groenstraat 59. De inwoners konden toen eindelijk, al was
het dan beperkt, in hun eigen woonplaats terecht voor gemeentezaken.



Gemeente Breda;  
 

4. Boeknummer: 00051  
De mosflora van het Natuurreservaat de Berk en randgebieden
Natuur -- De Berk           (2002)    [Chr. Buter]
De mosflora van het Natuurreservaat de Berk en randgebieden.
Rapport van de inventarisatie uitgevoerd door de mossenwerkgroepen van KNNV Afd. Breda en KNNV Afd. Roosendaal
Samenstelling: Chr. Butter
Met bijdragen an H. Backx en A. Gladdines

DANKWOORD.
Aan het noodzakelijke veldwerk, verbonden aan dit project, werd van meet af aan meegewerkt door de heren H. Backx (KNNV Breda) en A. Gladdines (KNNV Roosendaal), waardoor het geheel een
eerste 'joint venture' is van beide Afdelingen. Daarnaast gaven de heren C. Ruinard en J. de Bruijn (beide Rotterdam) meerdere malen acte de presénce, waarbij ook zij waardevolle bijdragen leverden.
Naast dit veldwerk, vereist een betrouwbare determinatie van de aangetroffen mossoorten, vaak verificatie van de microscopische soortkenmerken. Ook daaraan hebben betrokkenen hun 'steentje'
bijgedragen.
Naast dit meer wetenschappelijk werk, hebben zij ook de nodige assistentie verleend inzake vorm en inhoud van dit rapport.
Met betrekking tot de aangetroffen veenmossen kon een beroep gedaan worden op de heer A. Bouman te Weesp, die de determinatie danwel de controle daarvan voor zijn rekening heeft genomen.
Daarnaast verstrekte hij, evenals de heren Dr. J. Kruijer te Leiden en H. van Melick te Valkenswaard, in enige gevallen, waardevolle aanwijzingen.
De heer J. van de Wiel (Tilburg) stelde een door hem vervaardigde habitus- en detailtekening van de soort Orthotrichum scanicum ter beschikking, waardoor de herkenning van deze zeer zeldzame soort
voor menigeen gemakkelijker zal zijn.
Met betrekking tot de rubriek 'Overige waarnemingen' heeft Mevr. P. van de Wiel (KNNV/Floron - Roosendaal) een duidelijke bijdrage geleverd inzake de identificatie van enige 'probleem-planten', die
uiteraard afkomstig waren uit het betreffende gebied.
De 'streekdeskundigen', bij name genoemd in de heemkundige bijdrage van H. Backx, hebben zeer verduidelijkende informatie verstrekt en zodoende eveneens een waardevolle bijdrage geleverd.
Tenslotte, zonder de toestemming van de heer Th. Bakker, boswachter bij het SBB, had dit inventarisatieonderzoek niet kunnen plaatsvinden. Niet alleen met hem maar ook met de functio-
narissen G. Boot en G. van den Bouwhuijsen (resp. Beheerseenheid De Beemden en Breda) kon op bijzonder prettige manier worden samengewerkt.
Alle betrokkenen: mijn welgemeende dank!
Rijen, september 2002.
Chr. Buter


TER KENNISMAKING.
De verspreidingskaart van de mosflora binnen Nederland kent nog veel 'witte vlekken'. Als men daarbij in rekening brengt dat de mossen tot de meest bedreigde planten behoren, dan zal duidelijk
zijn dat onderzoek naar soortendiversiteit en de verspreiding zeer gewenst is.
Bryologisch veldwerk - het inventariseren van de mosflora nu - heeft, vooral als zulks moet gebeuren in broekbossen of moerassige terreinen, zoals het met het Natuurreservaat De Berk het geval is, veel
weg van Outward Bound School activiteiten. Onze stelling dat het toch wetenschappelijk werk betreft ontlokt bij buitenstaanders nog al eens meewarige gelaatsuitdrukkingen en zelfs blikken van ongeloof.
Dit nu was reden genoeg voor enig zelfonderzoek en al snel moet worden toegegeven dat de aanblik van een stel grijze 'heren', ver over de pensioengerechtigde leeftijd, gestoken in besmeurde en soms
gehavende kleding en bemodderde laarzen, eerder het beeld van landlopers oproept.
Wel, wij zitten daar niet zo mee. Sterker nog, wij geven ruiterlijk toe dat wij bij het kruipen door struikvormige wilgen, het ploeteren door hoge braambossen, nat riet en brandnetels, want wij gaan
natuurlijk van de gebaande paden af, onze jeugdjaren herbeleven. Kortom, wij gedragen ons als een soort kwajongens ongehinderd en frustratievrij. Hoewel, wij voelen soms wel enige frustratie,
bijvoorbeeld bij het aantreffen van een rijk bemoste boom, waar de realiteit ons met twee voeten op de grond plaatst en waar we dan ook blijven want 'boompje klimmen' is er niet meer bij. Of bij een net
iets te brede sloot waar aan de overkant boeiende mospopulaties lonken. Dit alles kan ons evenwel niet uit het evenwicht brengen; wij hebben inmiddels geleerd alles te relativeren.
Onze werkwijze heeft kennelijk ook een aantrekkende werking, althans op oude heren met belangstelling voor de mosflora. Zo is er iemand uit Roosendaal die zelden of nooit verstek laat gaan
en twee lieden uit het Rotterdamse die er nota bene vrij vaak een reis met openbaar vervoer (ja U leest goed: 'openbaar vervoer') voor over hebben om te kunnen participeren.
Dit alles overziende bekruipt ons de indruk dat onze activiteiten zelfs ook nog enige psycho-therapeutische waarde hebben. (Wij vermoeden dat de Staf van het SBB, als vergunningverlener, dit
aspect nog niet heeft bevroed.)
Enigszins bezorgd vragen wij ons echter wel af hoe wij ons 'product' (dit verslag) als wetenschappelijk werk kunnen aanbieden als wij ook nog moeten bekennen dat er een probleem is met ons 'korte
termijn geheugen'. Dit betreft in het bijzonder de smaak van koffie. Wij zijn gewoonweg niet in staat om dit gedurende enige uren te onthouden. Tijdens het veldwerk is het dan ook vaste prik om
regelmatig bij elkaar te informeren naar wat de smaak van koffie ook weer is. Zodra er niemand meer is die daarop een zinnig antwoord heeft is het dringend tijd dit probleem op te lossen door een bezoek
aan het gezellige etablissement ‘In Den Molen'.
Dan, bij het genot van uiteraard koffie, stellen we vast dat onze werkwijze de enig bruikbare methode is. Dit althans voor zolang het nog niet mogelijk blijkt vegetatieopnamen, tot op de soort nauwkeurig,
te maken met behulp van satelieten. Voorts laten wij ons niet ringeloren door het Ministerie van Onderwijs etc. en andere betrokken Overheden die nauwelijks of geen fondsen ter beschikking stellen
voor beroepsmatig onderzoek. Wij doen het dan wel op onze manier en op vrijwillige basis en misbruiken bovendien onze leeftijd in het kader van de uitdrukking: 'Goed voorbeeld...'.
Tenslotte; heeft ons werk wetenschappelijke waarde? Wij denken van wel. Het betreft immers een eerste onderzoek in het natuurreservaat De Berk. Het draagt zodoende in ieder geval bij aan het
inzicht in de verspreiding en de frequentie van voorkomen van mossen in het betrokken gebied en daarmee ook in Nederland.
En als het echt niet anders kan: dan beroepen wij ons maar op het spreekwoord, U weet wel dat van het halve ei en de lege dop.

Mede namens mijn teamgenoten Henk Backx (Breda), Adri Gladdines (Roosendaal), Cor Ruinard en Hans de Bruijn (Rotterdam).
Chr. Buter. (Rijen.)

MWG KNNV (ver. voor veldbiologie). Afdeling Breda;  
 

5. Boeknummer: 00393  
Cultuurhistorische inventarisatie N-B
Historie -- Brabant, algemeen           (1993)    [drs. A. van Leeuwen coord.]
Cultuurhistorische inventarisatie N-B M.I.P. Prinsenbeek

Inhoud
Woord vooraf 4
Werkwijze 5
Criteria 6
1.Situering der gemeente 8
2.Bodemgesteldheid 9
3.Grondgebruik 10
4.Infrastructuur 11
5.Ontwikkeling van de nederzettingen 12
6.Stedebouwkundige typologie 13
7.Karakterisering der objecten, bouwvormen en typen 14
8.Objectgegevens 18
9.Literatuur 38
Kaart (bijlage)


Woord vooraf
Dit rapport over Prinsenbeek maakt deel uit van de serie Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant/Monumenten
Inventarisatie Project. Het geeft per gemeente een overzicht van de waardevolle nederzettingen, gebouwen en groen-
elementen tot ca. 1940 in de steden en dorpen van de provincie.
De snelle en vaak ingrijpende veranderingen in het Brabantse cultuurlandschap hebben de totstandkoming van een der-
gelijk overzicht urgent gemaakt. Ondanks vervlakking en schaalvergroting bezit elke gemeente een eigen karakter in de
stedebouwkundige structuur, de bebouwing van kern en buitengebied. We doelen daarbij zeker niet alleen op erkende
monumentale gebouwen, maar evenzeer op boerderijen, woonhuizen, fabrieksgebouwen, bruggen en sluizen, wegkruisen
of een ijzeren sierhek en dorpslinde.
Na het monumentenjaar 1975 heeft het provinciebestuur besloten om de cultuurhistorische waardevolle bebouwing van
de provincie vast te laten leggen. Hiervoor is in 1976 de “Inventarisatiecommissie Brabantse Monumenten” ingesteld.
In september 1979 is een drietal inventarisatoren aangesteld om een werkmodel te ontwikkelen en veldwerk en rapportage
te verrichten.
Dit model is tot eind 1988 gehanteerd in 69 gemeenten. Najaar 1988 is ook in Noord-Brabant het door de minister van
WVC geëntameerde Monumenten Inventarisatie Project van start gegaan. Binnen dit project wordt vastgelegd hetgeen in
Nederland tussen ca. 1850 en 1940 aan bouwkunst en stedebouw is gerealiseerd.
Het MIP beoogt:
het verkrijgen van een eerste landelijk overzicht van de zgn. “jongere bouwkunst en stedebouw’ (ca. 1850 -1940)
het bevorderen van kennis en waardering voor historische stads- en dorpsgezichten en voor monumenten van
geschiedenis en kunst uit de periode 1850 -1940
het formuleren van uitgangspunten ten behoeve van publikaties en wetenschappelijk onderzoek op architectuurhis-
torisch, bouwhistorisch, stedebouwkundig, historisch-geografisch of industrieel-archeologisch gebied
het verkrijgen van bouwstenen als een eerste aanzet tot nieuw te ontwikkelen beleid van Rijk, provincies en gemeen-
ten ten aanzien van de ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en monumentenzorg, alsmede van een basis voor pla-
nologisch-stedebouwkundige afwegingen
het verzamelen van informatie die voor Rijk, provincies en gemeenten als basis kan dienen bij het selecteren en regis-
treren van objecten, ensembles, structuren en dorps- en stadsgezichten.
In Brabant zullen daarnaast ook nog objecten en structuren van vóór 1850 vastgelegd worden als uitvloeisel van de in
1979 begonnen Cultuurhistorische Inventarisatie.
Onderzoek en veldwerk voor dit rapport vonden plaats in januari 1992 door drs. N. Maes
’s-Hertogenbosch, oktober 1992.


Werkwijze
In Brabant is het MIP officieel van start gegaan op 1 oktober 1988. De invertarisatie wordt hierbij gebiedsgewijs aange-
pakt. Daartoe is de provincie in acht werkgebieden verdeeld, op basis van de historische en bestuurlijke ontwikkelingen
in de periode 1850 - 1940.
Deze gebieden zijn:
1. Brabants Kleigebied
2. Zuidwest Brabant
3. Regio Tilburg
4. Regio ’s-Hertogenbosch
5. Kempen
6. Regio Eindhoven
7. Maaskant
8. Brabantse Peel
Bij de inventarisatie wordt - binnen een zo breed mogelijke context - gewerkt van groot naar klein.
Eerst wordt van elk gebied een schets gegeven van de algemene karakteristieken. Op basis hiervan wordt voorts - gemeen-
tegewijs - ingegaan op de stedebouwkundige aspecten van een stad of dorp. Tegen deze achtergrond worden ten slotte de
objecten in de verschillende gemeenten beschreven.
De door het rijk voorgestelde werkwijze sluit goed aan bij onze sinds 1979 gevolgde werkwijze. Onbewust vooruitlopend
op het MIP heeft de provincie vanaf het begin naast de oudere bouwkunst (ca. 10% van de monumenten in Brabant) ook
steeds de jongere bouwkunst (ca. 90% van de monumenten) in haar werkwijze betrokken. Dit uitgangspunt zal binnen
het MIP gehandhaafd blijven, met dien verstande dat de gegevens van de oudere bouwkunst buiten het MlP-kader vallen
en dus niet aan het rijk geleverd zullen worden. Zij zullen wel voorkomen in de rapporten van de gemeenten die gewoon
zullen blijven verschijnen. Tevens zullen nu ook de grote gemeenten (Tilburg, Breda, Bergen op Zoom, Eindhoven, Roos-
endaal, Helmond en ’s-Hertogenbosch) beschreven worden.
In de geautomatiseerde MlP-bestanden welke uiteindelijk aan het Rijk geleverd gaan worden, zal ook het bestaande mate-
riaal van jongere bouwkunst van de 69 reeds geïnventariseerde gemeenten worden opgenomen.
Deelname aan het MIP verleent de provinciale inventarisatie een belangrijke toegevoegde waarde. Zonder extra provin-
ciale investering wordt het inventarisatiebestand geautomatiseerd en in overeenstemming gebracht met een landelijke
opzet.
Voor verdere details verwijzen wij naar de Handleiding Inventarisatie jongere bouwkunst en stedebouw (1850-1940),
Zeist- ’s-Gravenhage 1987.

Provinciaal Noord-Brabant;  
 

6. Boeknummer: 00403  
Inventarisatie Haagse Beemden Oost
Monumenten -- Boerderij, De Keihoef           (1975)    [ Gemeente Breda]
Inventarisatie Haagse Beemden Oost Fotoboek bebouwing/monumenten 1975

Ons bedrijfslogo

Gemeente Breda;  
 

 

Uitgebreid zoeken

Laatste wijziging binnen getoonde publicaties: 1 april 2022